Kenniscentrum › Veel gestelde vragen

Veel gestelde vragen

Flankpijn (kolieken)

Flankpijn is het plotseling ontstaan van een krampachtige pijn in één van beide flanken. Dit kan diverse oorzaken hebben.

Flankpijn is een klassiek symptoom van nierstenen. Meestal worden deze pijnen (kolieken) veroorzaakt door een niersteen die is afgedaald in de urineleider. Bij 50% van de patiënten met flankpijn is door middel van een röntgenfoto aan te tonen dat zij een nier- of uretersteen (steen in de urineleider) hebben.

Flankpijn door niersteen

Als er sprake is van niersteenkolieken is de pijn vaak plotseling ontstaan en voelt men zich misselijkheid en moet braken. Opvallend is dat de patiënt geen houding kan vinden waarin de pijn afneemt en dus de drang heeft om te bewegen. De pijn kan soms zo ernstig zijn dat patiënten op handen en voeten over de grond kruipen.
De pijn begint achter in de flank en is altijd maar aan één kant. De pijn straalt vanuit de flank naar de onderbuik. Dan kan de pijn doortrekken naar de lies en bij de man ook naar de zaadbal. Hoewel deze pijnklachten ernstig kunnen zijn, leiden zij zelden tot gevaarlijke medische toestanden.

Het samentrekken van het nierbekken of de urineleider veroorzaakt pijn door de aanhoudende spierkramp. Dit is de reden waarom na enige tijd de pijn ook weer verdwijnt. De spieren zijn dan moe en verslappen. Maar na verloop van tijd zal de pijn in alle hevigheid terugkomen. Als de steen de urineweg afsluit en er sprake is van hoge koorts en koude rillingen kan dit wijzen op een ‘opgesloten urineweginfectie’. In dit geval is een snelle behandeling in het ziekenhuis noodzakelijk.

Andere oorzaken van flankpijn

Als de pijn aan de rechterkant zit kan er ook sprake zijn van een galsteen. De pijn in het gebied van de nier kan ook verklaard worden door problemen met darmen en andere buikorganen. Dit komt omdat de zenuwen die verantwoordelijk zijn voor de het pijnlijke gevoel vanuit de nier, dezelfde zijn als bij pijn vanuit de andere organen in de buik.

Bij pijn in de flank kan ook sprake zijn van een urineweginfectie of eventueel een tumor. Ook een vernauwing in de overgang van het nierbekken naar de nierleider geeft pijn in de flank als de patiënt veel drinkt.
Soms voelt een patiënt flankpijn bij een hartinfarct, longontsteking, een breuk van de ribben of een longembolie. In het geval van vrouwen kan ook het verdraaien van een ovariumcyste (gezwel van de eierstok) eileiderontsteking of een buiten baarmoederlijke zwangerschap de oorzaak zijn. Ontstekingen van de alvleesklier, darm of maag kunnen ook flankpijn geven. In sommige gevallen wordt een gescheurde levensslagader (geruptueerd aneurysma) gevonden.

Raadpleeg in elk geval uw huisarts bij flankpijn.

Bloed in sperma (hematospermie)

Bloed in het sperma is meestal een onschuldig verschijnsel. Het leidt echter vaak tot begrijpelijke maar onnodige schrikreacties. Vaak is er maar een kort moment van bloeding maar blijft het bloed lang in het sperma zichtbaar.
De kleur verandert langzaam van helder rood tot bruin, een roestachtige kleur. Uiteindelijk is het sperma weer normaal. Het kan echter maanden lang kleuren.

Oorzaak van bloed in sperma

De oorzaak bij mannen onder de 40 jaar is meestal een ontsteking van de prostaat, de bijbal of de zaadbal. Ook kan een ontsteking van de plasbuis door bijvoorbeeld een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) de oorzaak zijn voor bloed in het sperma.

Bij de meeste jonge mannen wordt ondanks onderzoek geen oorzaak gevonden. Als een patiënt ouder is dan 40 kan de oorzaak ook te maken hebben met prostaatkanker. Om dit uit te sluiten zal het nodig zijn om enig onderzoek te verrichten. Meestal is het genoeg om met een eenvoudige bloedtest, een PSA-bepaling, te volstaan.

Urodynamisch onderzoek

Het urodynamisch onderzoek wordt gedaan bij mensen die problemen hebben met plassen of die last hebben van ongewild urineverlies (incontinentie). Met een urodynamisch onderzoek kan de oorzaak van deze plasklachten achterhaald worden. Met dit onderzoek wordt gekeken naar het gedrag en functioneren van de blaas en of de sluitspieren goed werken.

Functioneren van de urineweg

De blaas heeft twee functies:
  • de urine zo lang mogelijk vasthouden
  • het uitplassen op het gewenste moment.
Als de blaas bijna vol zit voel je ‘aandrang’ om te gaan plassen. Gewoonlijk kunnen we het moment van plassen dan nog enige tijd uitstellen en worden we er later nog eens aan herinnerd. Als we vervolgens de blaas leeg plassen hoort dit soepel te gaan met een krachtige straal en zonder druppels. Na het plassen hoort de blaas leeg te zijn.
Bij het vullen en legen van de blaas ontstaat bepaalde druk. Deze druk verschilt in de blaas, de plasbuis of de buik. Het urodynamisch onderzoek kan deze druk meten met kleine druksensoren.
Het onderzoek geeft informatie over het functioneren van de urineweg.

Het urodynamisch onderzoek Urodynamisch onderzoek bij een man

Voor het urodynamisch onderzoek brengt de verpleegkundige een dun slangetje (katether) via de plasbuis in de blaas in. Tevens brengt deze een katether via de anus in de endeldarm. Zo kan de druk worden gemeten in de plasbuis, de blaas en de buik.
Drie elektrodeplakkers bij de anus registreren de activiteit van de bekkenbodemspier.
De verpleegkundige vult de blaas met een steriele wateroplossing en de apparatuur meet de druk in de blaas, buik en op de sluitspier. Het onderzoek duurt ongeveer een half uur.
 

Urodynamisch onderzoek

Het urodynamisch onderzoek wordt gedaan bij mensen die problemen hebben met plassen of die last hebben van ongewild urineverlies (incontinentie). Met een urodynamisch onderzoek kan de oorzaak van deze plasklachten achterhaald worden. Met dit onderzoek wordt gekeken naar het gedrag en functioneren van de blaas en of de sluitspieren goed werken.

Functioneren van de urineweg

De blaas heeft twee functies:
  • de urine zo lang mogelijk vasthouden
  • het uitplassen op het gewenste moment.
Als de blaas bijna vol zit voel je ‘aandrang’ om te gaan plassen. Gewoonlijk kunnen we het moment van plassen dan nog enige tijd uitstellen en worden we er later nog eens aan herinnerd. Als we vervolgens de blaas leeg plassen hoort dit soepel te gaan met een krachtige straal en zonder druppels. Na het plassen hoort de blaas leeg te zijn.
Bij het vullen en legen van de blaas ontstaat bepaalde druk. Deze druk verschilt in de blaas, de plasbuis of de buik. Het urodynamisch onderzoek kan deze druk meten met kleine druksensoren.
Het onderzoek geeft informatie over het functioneren van de urineweg.

Het urodynamisch onderzoek Urodynamisch onderzoek bij een man

Voor het urodynamisch onderzoek brengt de verpleegkundige een dun slangetje (katether) via de plasbuis in de blaas in. Tevens brengt deze een katether via de anus in de endeldarm. Zo kan de druk worden gemeten in de plasbuis, de blaas en de buik.
Drie elektrodeplakkers bij de anus registreren de activiteit van de bekkenbodemspier.
De verpleegkundige vult de blaas met een steriele wateroplossing en de apparatuur meet de druk in de blaas, buik en op de sluitspier. Het onderzoek duurt ongeveer een half uur.
 

Benigne prostaathyperplasie, BPH

De groei van het prostaat kent verschillende oorzaken waardoor plasklachten kunnen ontstaan. De urologen kunnen diverse onderzoeken doen naar de oorzaak van de plasklachten. Als deze worden veroorzaakt door de groei van het prostaat zijn er diverse behandelingen mogelijk.

De prostaat

De prostaat is een klier die prostaatvocht produceert voor de zaadcellen. De zaadcellen en het prostaatvocht vormen samen sperma. De prostaat bevindt zich aan de uitgang van de blaas, rondom het eerste stuk van de urinebuis.

Prostaatgroei

Naarmate de man ouder wordt neemt het volume van de prostaat toe. Het gewicht van een prostaat kan variëren van 10 tot 300 gram. De groei van de prostaat wordt beïnvloed door testosteron (mannelijk hormoon).

Blaasuitgangobstructie

De prostaat ligt om de urinebuis heen. Als de prostaat groeit kan deze de urinebuis dichtdrukken. Dit leidt tot een vernauwing of afsluiting van de blaasuitgang (obstructie). Hierdoor kan de urine moeilijk uit de blaas en ontstaan plasproblemen.
  • statische component

De groei van klierweefsel van de prostaat noemen we de onveranderlijke (statische) component van de afsluiting.
  • dynamische component

Ongeveer 40% van de prostaat bestaat uit (gladde) spiercellen die zich kunnen samentrekken. Door deze samentrekking kan ook een vernauwing in de plasbuis ontstaan. Dit is de ‘dynamische component’ van de afsluiting.

Deze samentrekking is niet voortdurend aan de orde en daarom treden de klachten m.b.t. tot het plassen niet constant op. Veel behandelingen van de blaasuitgangobstructie met medicijnen zorgen dat de spiercellen zich weer ontspannen om zo het plasprobleem te verminderen.

Plasklachten: LUTS (lower urinary tract symptoms)

LUTS vertegenwoordigt een groot aantal plasproblemen. De plasklachten die het meeste voorkomen bij een vergrote prostaat zijn:
  • een minder krachtige urinestraal
  • moeilijk kunnen beginnen met plassen
  • nadruppelen
  • urineverlies
  • aandrangklachten
  • zeer vaak moeten plassen
  • ’s nachts regelmatig moeten plassen
  • onderbroken straal Deze klachten wijzen niet altijd op prostaatproblemen.
Andere aandoeningen zoals een vernauwing elders in de plasbuis of blaasoveractiviteit kunnen deze klachten veroorzaken. Daarom is het van belang om bij deze klachten een volledig urologisch onderzoek te laten doen.

Hiervoor is ook een app ontwikkeld, zie informatie over de IPSS vragenlijst.

Onderzoeken naar een vergrote prostaat

Er zijn verschillende testen om te verhelderen of de plasklachten (LUTS) het gevolg zijn van een prostaatvergroting.
  • De uroloog luistert naar het verhaal van de patiënt en doet een lichamelijk onderzoek. Hierbij zal ook de prostaat worden onderzocht door via de anus de prostaat te bevoelen met de vinger.
  • Daarnaast helpt het om een symptoomscorelijst, de zogenaamde WHOPSS (world health organisation prostate symptom score) of IPSS (international Prostate Symptom score) in te vullen. Met het beantwoorden van de vragen krijgt de arts een indruk van de ernst van de symptomen. Hiervoor is ook een app ontwikkeld, zie informatie over de IPSS vragenlijst.
  • Het is noodzakelijk om een blaasontsteking uit te sluiten. Hiervoor wordt een urinemonster ingeleverd en onderzocht.
  • Bloedonderzoek zal het PSA (prostaatspecifiek antigeen) meten. De PSA-waarde geeft aanwijzingen over de aan- of afwezigheid van prostaatkanker. Door het bloed te onderzoeken kan ook de nierfunctie worden bepaald.
  • Op de polikliniek Urologie wordt een uroflowmetrie gedaan. Door in de flowmeter te plassen berekent deze de kracht van de urinestraal en de hoeveelheid urine die iemand uitplast.
  • Het is mogelijk om na de uroflowmetrie met een echografie te kijken hoeveel urine er in de blaas is achter gebleven. De hoeveelheid geeft een aanwijzing voor de mate van obstructie van de prostaat.

Mogelijke behandelingen bij vergrote prostaat met plasbuisvernauwing

Afwachten

Als de klachten niet direct aanleiding geven tot ingrijpen kan worden gekozen voor een afwachtende houding. Verschillende studies tonen aan dat zelfs indien symptomen duidelijk aanwezig zijn er niet automatisch sprake hoeft te zijn van verergering.

De behandeling met medicijnen

Alfablokker

Een van de redenen voor de plasproblemen is een vernauwing door samentrekking van de spierencellen in de prostaat (de alfa-1-adrenoreceptor gestuurde gladde spiercel). Het is mogelijk om de samentrekking van de spiercellen te blokkeren door middel van medicijnen, waardoor ze ontspannen en er meer ruimte ontstaat in de plasbuis. Hiervoor wordt een zogenaamde ‘alfablokker’ voorgeschreven.

Er zijn verschillende soorten. De meest gebruikte zijn de alfa-1-blokkers (tamsulosine, alfuzosine, doxazosine of terazosine).

Deze behandeling met een alfablokker geeft bij 30 tot 40% van de patiënten een verbetering van de klachten (bij een operatie is dit 80%). Na het starten met de alfablokker kan binnen 1 maand het maximale resultaat worden verwacht. Toch stopt 15 tot 30 % van alle mannen met deze medicijnen door het ontstaan van vervelende bijwerkingen:
  • Slapte van de penis (5%)
  • Duizeligheid (6%)
  • Hoofdpijn (2%)
  • Hinderlijke bloeddrukdaling (duizeligheid) bij snel opstaan (1%).
  • Retrograde ejaculatie (sperma gaat de blaas in bij klaarkomen) (8%)

5-alfa-reductaseremmers

Prostaatgroei wordt onder andere veroorzaakt door het mannelijke hormoon Testosteron. Het is mogelijk om de groei te beïnvloeden. In de prostaatcel wordt Testosteron omgezet in een werkzame stof (dihydrotestsoteron) die zorgt voor de groei van de prostaat.
Het medicijn ‘5-alfa-reductaseremmer’ verhindert het omzetten van Testosteron, waardoor de prostaat niet verder groeit of zelfs kleiner wordt. Uiteraard treedt dit effect pas na enige tijd op. (Alfa-reductaseremmers zijn bijvoorbeeld Proscar of Avodart).
Er zijn aanwijzingen dat de combinatie van een dergelijk medicijn met de eerder genoemde alfablokkers een elkaar versterkend effect hebben. Bijwerkingen komen nauwelijks voor.

Onderzoeken geven aan dat er soms erectiestoornissen(5%) kunnen optreden, net als libidoverlies (minder zin in sex) (5%).

Alternatieve behandeling met medicijnen

Anticholinergica

Een van de meest hinderlijke plasklachten die mannen ervaren is het vaak aandrang hebben om te plassen. Dit kan het gevolg zijn van blaasinstabiliteit door de vernauwing van de prostaat. Daardoor trekt de urineblaas samen zonder dat deze vol is. Dit geeft voortijdige aandrang die nauwelijks kan worden weerstaan. Dit symptoom is te behandelen met anticholinergica (o.a. oxybutynine, tolterodine) en maakt de blaasspier minder actief zodat deze niet telkens samentrekt.

Fytotherapie

Fytotherapie is een alternatieve geneeswijze welke gebruik maakt van de heilzame werking van planten of delen van planten. De werking van fytotherapie gaat de verschijnselen van de ziekte of kwaal tegen. Het is de oudste vorm van de geneeskunde. Veel patiënten zijn zelf al begonnen met het nemen van plantenextracten in pilvorm. Er zijn vele varianten verkrijgbaar (pygeum africanum, echinacea purpurea, serenoa repens, permixon etc).
Ongeveer 50% van alle pillen die genomen worden tegen klachten van de prostaat behoren tot fytotherapie. De meeste studies suggereren dat deze middelen weinig effect hebben.
Onlangs toonde een studie aan dat het effect van het middel ‘serenoa repens’ vergelijkbaar is met een 5-alfa-reductaseremmer.

Operatieve behandelingen van vergrote prostaat

TURP

De standaard operatie voor de behandeling van goedaardige prostaatvergroting is een TURP. Dit is een behandeling waarbij een gedeelte van de prostaat verwijderd wordt via de plasbuis. Deze operatie wordt zeer vaak uitgevoerd en is efficiënt en veilig.

Het verwijderen van een gedeelte van de prostaat gebeurt op de operatiekamer onder narcose of gedeeltelijke verdoving (ruggenprik). Via de plasbuis brengt de uroloog een buis in tot aan de prostaat. Door deze buis gaan een kleine camera met een lampje en een metalen lusje. Daarnaast vloeit er water doorheen. Het lusje wordt verhit waardoor het stukjes weefsel uit de prostaat kan snijden. De uroloog haalt zo het prostaatweefsel weg dat de plasbuis dichtdrukt. De prostaat wordt zo van binnenuit uitgehold. Op die manier wordt de sluitspier niet geraakt en ontstaat na de operatie geen incontinentie.
Het kapsel (bindweefselwand) van de prostaat wordt niet verwijderd. Het metalen lusje kan kleine bloedinkjes meteen dichtschroeien. De uroloog spoelt de blaas met een vloeistof zodat bloed- en weefselresten uit de blaas worden verwijderd.

Risico’s

Bij elke operatie is er een kleine kans op complicaties, zoals bloedingen en infecties. Na de operatie kunt u last krijgen van:
  • Retrograde ejaculatie: Na een prostaatoperatie verandert de zaadlozing. De kleine blaassluitspier die zich bevindt tussen de prostaat en blaas in, gaat bij een TURP verloren. Hierdoor zal bij een zaadlozing (een deel van) het sperma niet via de penis naar buiten komen, maar naar de blaas gaan. Het heeft geen gevolgen voor het gevoel dat bij een orgasme hoort. U kunt ook nog gewoon een erectie krijgen. Het verwekken van kinderen is echter niet meer mogelijk.
  • Nabloeding
  • Urineweginfectie
  • Aandrangsklachten (telkens het gevoel te moeten plassen) met in uitzonderlijke gevallen urineverlies. Bij 75% van de patiënten is er een verbetering van de klachten door deze behandeling.
Een TURP-behandeling gaat gepaard met bloedverlies en is daarom moeilijk uit te voeren bij patiënten die bloedverdunners slikken (Ascal, Acenocoumarol, Sintrommitis).

Folder

Er is een folder beschikbaar over de verwijdering van een gedeelte van de prostaat via de plasbuis (TURP).

Open prostatectomie, Hryntschak methode


Er zijn twee technieken die in Nederland worden toegepast bij een open prostatectomie. Bij de 'Hryntschak methode' wordt de prostaatvergroting via de blaas uitgepeld. Ook kennen we de 'Millin techniek' waarbij de uroloog door het prostaatkapsel het verdikte prostaatgedeelte verwijdert. 

In het Slingeland ziekenhuis wordt gebruik gemaakt van de Hryntschak methode.

De operatie gaat via een sneetje van 5 cm in de onderbuik. De blaas wordt geopend en met zijn vinger haalt de uroloog stukjes weg uit de prostaat. Hij pelt de prostaat als het ware uit. Het vergrote prostaatklierweefsel valt in de blaas en kan zo door de snee naar buiten worden gehaald. Omdat er wat bloedverlies zal zijn, plaatst de uroloog aan beide zijden van de uitholling in de prostaat een hechting. Deze hechtingen stoppen het bloedverlies grotendeels.
De operatie duurt 40 minuten. Na de operatie hebt u een katheter in de blaas via de plasbuis. De blaas wordt uitgespoeld via een continu spoelsysteem omdat er sprake kan zijn van een bloeding. Na de operatie zal er dus bloederige urine door de katheter stromen. Als na een of twee dagen de bloeding volledig is gestopt mag de katheter eruit en kunt u weer zelf plassen. De meeste mensen verlaten drie dagen na de ingreep het ziekenhuis. Thuis zal de blaas nog verder moeten genezen. Het kan soms nog 2-3 weken duren voor het plassen echt goed gaat.

Redenen

Redenen om wel een open prostaatoperatie uit te voeren:
  • Een zeer grote prostaat;
  • Een TURP behandeling is technisch niet mogelijk bij de patiënt;
  • Er zijn grote blaasstenen aanwezig. Redenen om geen open prostatectomie uit te voeren;
  • Kleine prostaat;
  • Littekenweefsel op de prostaat;
  • Prostaatkanker.
Zie ook: forumbericht over ervaring patiënt en het herstel na BPH-operatie

Complicaties

Mogelijke complicaties van een open prostaatoperatie:

Alternatieve behandelingen door middel van verhitting

Alle methoden zijn gebaseerd op het toedienen van hitte in de prostaat. Er zijn vele verschillende varianten.

TUNA (transurethral needle ablation of the prostate)

Via een katheter die in de prostaat wordt gebracht en waaraan een aantal kleine naalden zit, worden zogenaamde radiofrequente golven uitgezonden in de prostaat. Dit veroorzaakt hitte rondom de naalden. Als gevolg hiervan treedt necrose (afsterven van cellen) op. Deze dode cellen worden later gewoon uitgeplast. Hoewel deze methode daadwerkelijk voor ruimte zorgt in de prostaat, is maar een beperkte verbetering van de klachten mogelijk.
Mogelijke bijwerkingen zijn bloedingen, urineweginfectie en plasbuisvernauwingen.

TUMT (transurethral microwave thermotherapie)

De energie die wordt geleverd door een magnetron, kan via een katheter aan de prostaat worden doorgegeven. Deze katheter bevat tegelijkertijd een verkoelingssysteem zodat er geen verbranding is. De hitte zorgt voor het afsterven van cellen. Hierdoor krimpt de prostaat. Daarnaast worden de zenuwen die zorgen voor spiersamentrekking in de prostaat kapot gemaakt. Dit zorgt voor ontspanning in de spieren en zo neemt de obstructie af.
TUMT wordt aangeraden aan patiënten die veel risico lopen bij een operatie. Bij 55% van de patiënten ontstaat door deze behandeling een verbetering van de klachten.

HIFU (high intensity focused ultrasound)

Geluidsgolven kunnen hitte laten ontstaan in de prostaat. Dit gebeurt met een echokop, die via de anus wordt ingebracht tot vlak bij de prostaat. De geluidsgolven zorgen dat de temperatuur in de prostaat stijgt. Dit levert afsterving van cellen op waardoor de prostaat kleiner wordt. Deze therapie bevindt zich nog in de kinderschoenen.

TUVP (transurethral electrovaporization prostate)

Via een buis, die de uroloog inbrengt door de plasbuis, kan een camera tot in de prostaat worden gebracht. Zo wordt een sonde de prostaat ingeschoven. Deze sonde levert elektrische energie af in de prostaat. De cellen oververhitten en sterven hierdoor af en de prostaat wordt uitgehold waardoor meer ruimte ontstaat en de klachten verbeteren.

Laser prostatectomie

Laser prostatectomie is vergelijkbaar met TURP. In plaats van het verwijderen van het prostaatweefsel door een verhit lusje wordt het weefsel nu verwijderd door een laserstraaltje.

Plasklachten: LUTS

LUTS vertegenwoordigt een groot aantal plasproblemen. De plasklachten die het meeste voorkomen bij een vergrote prostaat zijn:
  • een minder krachtige urinestraal
  • moeilijk kunnen beginnen met plassen
  • nadruppelen
  • urineverlies
  • aandrangklachten
  • zeer vaak moeten plassen
  • ’s nachts regelmatig moeten plassen
  • onderbroken straal
Deze klachten wijzen niet altijd op prostaatproblemen. Andere aandoeningen zoals een vernauwing elders in de plasbuis of blaasoveractiviteit kunnen deze klachten veroorzaken. Daarom is het van belang om bij deze klachten een volledig urologisch onderzoek te laten doen.
Hiervoor is ook een app ontwikkeld, zie informatie over de IPSS vragenlijst.
Of zie de vragenlijst als PDF document om te printen.

Waarom zoeken mannen hulp voor hun plasklachten (LUTS)?

Veel mannen zien het moeilijk plassen als iets wat hoort bij ouderdom. Sterker nog, het wordt als normaal ervaren en vaak geaccepteerd. Vaak worden de plasklachten dan ook als erg storend ervaren, willen deze aanleiding geven tot het bezoeken van een arts.

Stelt u zich voor dat uw plasprobleem betekent dat u elk half uur even moet plassen. Voor een vertegenwoordiger die de hele dag in de auto zit is dit een groot probleem. Voor een boer die de hele dag in de vrije natuur werkt, duidelijk minder. De persoonlijke situatie is dan ook zeer bepalend voor het ontstaan van een hulpvraag.
Ook angst is vaak een reden om hulp te zoeken. Angst voor prostaatkanker of om helemaal niet meer te kunnen plassen.
Een derde reden om hulp te zoeken is het optreden van complicaties zoals urineweginfecties, pijn, blaasstenen etc.

De reden waarom iemand met plasklachten naar de dokter gaat bepaalt wat het doel is van de onderzoeken en behandeling. Dit kan het verbeteren van hinderlijke symptomen zijn, het voorkomen van verergering of van lange termijn complicaties. Maar ook geruststelling en het uitsluiten van ernstige ziekten of aandoeningen kan een doel zijn van het onderzoek.

Mictie-cystogram en Urethrografie

Mictie-cystogram

Een mictie-cystogram bestaat uit het maken van een serie röntgenfoto’s van de blaas voor, tijdens en na het plassen.


Met contrast gevulde nieren ,urineleiders en blaas

Door met een dun slangetje (katheter) via de plasbuis contrastvloeistof in te brengen, worden de blaas en de plasbuis zichtbaar gemaakt op röntgenfoto’s. Als de patiënt vervolgens plast is zichtbaar of de blaas volledig leeg is na het plassen. Ook is het mogelijk om te kijken of er urine terug vloeit via de urinewegen naar de nieren (reflux).

Door de contrastvloeistof worden de contouren van de plasbuis tijdens het plassen ook goed zichtbaar. Als er sprake is van een vernauwing (strictuur) in de plasbuisdan is dat te zien.

Urethrografie

Soms is het niet mogelijk om de blaas te vullen met contrastvloeistof. Dan is het wel mogelijk om de plasbuis tegen de stroom in te vullen met contrastvloestof. Dit heet een urethrografie, en deze geeft ook informatie over de aanwezigheid van vernauwingen in de plasbuis.

Folder

Meer informatie over het verloop van dit onderzoek leest u in de folder: Blaasonderzoek mictie-cystogram of Blaasonderzoek bij kinderen.

Mictie-cystogram en Urethrografie

Mictie-cystogram

Een mictie-cystogram bestaat uit het maken van een serie röntgenfoto’s van de blaas voor, tijdens en na het plassen.


Met contrast gevulde nieren ,urineleiders en blaas

Door met een dun slangetje (katheter) via de plasbuis contrastvloeistof in te brengen, worden de blaas en de plasbuis zichtbaar gemaakt op röntgenfoto’s. Als de patiënt vervolgens plast is zichtbaar of de blaas volledig leeg is na het plassen. Ook is het mogelijk om te kijken of er urine terug vloeit via de urinewegen naar de nieren (reflux).

Door de contrastvloeistof worden de contouren van de plasbuis tijdens het plassen ook goed zichtbaar. Als er sprake is van een vernauwing (strictuur) in de plasbuisdan is dat te zien.

Urethrografie

Soms is het niet mogelijk om de blaas te vullen met contrastvloeistof. Dan is het wel mogelijk om de plasbuis tegen de stroom in te vullen met contrastvloestof. Dit heet een urethrografie, en deze geeft ook informatie over de aanwezigheid van vernauwingen in de plasbuis.

Folder

Meer informatie over het verloop van dit onderzoek leest u in de folder: Blaasonderzoek mictie-cystogram of Blaasonderzoek bij kinderen.

Hematurie

Als er bloed in de urine zit (hematurie) is de urine bruin, roze of rood gekleurd. De kleur is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid bloed.
Het ontdekken van bloed in de urine kan angst op roepen. Er zijn vele oorzaken voor bloed in de urine, maar vaak wordt onderscheid gemaakt in twee soorten: Macroscopische en microscopische hematurie.
  • Als de urine rood kleurt en de patiënt dit zelf kan zien, wordt het macroscopische hematurie genoemd.
  • Als het bloed in de urine niet door de patiënt kan worden opgemerkt, maar in het laboratorium door urineonderzoek wordt aangetoond, spreken we over microscopische hematurie.

Oorzaken

De oorzaak van bloed in de urine zou een afwijking in de urinewegen kunnen zijn, zoals de blaas en de nieren. Ook kan er iets mis zijn met de prostaat bij de man. Ook leveraandoeningen, zoals hepatitis, kunnen de urine een oranje kleur geven. Hierbij is geen sprake van bloed in de urine.
Urine kan ook rood of bruin zijn door bepaalde voeding (bijvoorbeeld bietjes) of medicijnen.

Een klein aantal rode bloedcellen in de urine is normaal. Bij 40% van de gezonde mensen wordt af en toe microscopische hematurie waargenomen. Dit heeft overigens geen verdere gevolgen.
Forse inspanning zoals hardlopen, vrijen of menstruatie kan zorgen dat er bloed in de urine verschijnt. Ondanks dat kleine hoeveelheden bloed in de urine bij veel gezonde patiënten voorkomt, is het nog steeds noodzakelijk om een volledig urologisch onderzoek uit te voeren.

Bij ongeveer 50% van de mensen met waarneembaar bloed in de urine en bij 70% van de mensen met een microscopische hematurie wordt geen afwijking gevonden.

De oorzaak van de microscopische hematurie is bij zo’n 40% van de patiënten een nierafwijking. Deze afwijking leidt maar zelden tot een nierziekte.

Als er bloed in de urine wordt verloren moet worden nagedacht over de volgende oorzaken:

Reden voor onderzoek

De belangrijkste reden om de patiënt met bloed in de urine te onderzoeken is het uitsluiten van kanker van de urinewegen. Bij een microscopische hematurie wordt 5 tot 10% veroorzaakt door urologische kanker. In macroscopische hematurie is dit 20 tot 25%.

Onderzoeken

De belangrijkste onderzoeken die worden gedaan bij bloed in de urine zijn:

Uroflowmetrie

De uroflowmetrie is een onderzoek dat de kracht van de urinestraal en de hoeveelheid urine meet die iemand uitplast.

Veel urologische problemen hebben te maken met moeilijk kunnen plassen. Om beter inzicht te krijgen in de oorzaak van het plasprobleem moet een uroloog nauwkeurig kijken naar de manier van plassen, de hoeveelheid, de tijd en de kracht van het plassen.
De meeste patiënten vinden het niet fijn als de arts bekijkt hoe zij plassen en vaak kunnen ze ook niet goed plassen als er iemand toekijkt. Om toch de juiste gegevens te kunnen verzamelen gebeurt dit onderzoek met een plasmeter.

Plasmeter

De plasmeter is gewoon in het toilet gebouwd. De patiënt plast op het toilet in de meter.
De uroflowmeter meet de hoeveelheid urine en de tijd. Deze gegevens worden omgezet naar een grafiek waarin staat hoe krachtig de urinestraal was. De uroflowmeter kan ook afleiden hoe de vorm van de urinestraal was bij het plassen en zo kan de uroloog ook daarin dus eventuele afwijkingen ontdekken.

Meestal wordt na de uroflowmeting nog gekeken of de blaas goed is leeg geplast met een echografie van de blaas.

Uroflowmetrie

De uroflowmetrie is een onderzoek dat de kracht van de urinestraal en de hoeveelheid urine meet die iemand uitplast.

Veel urologische problemen hebben te maken met moeilijk kunnen plassen. Om beter inzicht te krijgen in de oorzaak van het plasprobleem moet een uroloog nauwkeurig kijken naar de manier van plassen, de hoeveelheid, de tijd en de kracht van het plassen.
De meeste patiënten vinden het niet fijn als de arts bekijkt hoe zij plassen en vaak kunnen ze ook niet goed plassen als er iemand toekijkt. Om toch de juiste gegevens te kunnen verzamelen gebeurt dit onderzoek met een plasmeter.

Plasmeter

De plasmeter is gewoon in het toilet gebouwd. De patiënt plast op het toilet in de meter.
De uroflowmeter meet de hoeveelheid urine en de tijd. Deze gegevens worden omgezet naar een grafiek waarin staat hoe krachtig de urinestraal was. De uroflowmeter kan ook afleiden hoe de vorm van de urinestraal was bij het plassen en zo kan de uroloog ook daarin dus eventuele afwijkingen ontdekken.

Meestal wordt na de uroflowmeting nog gekeken of de blaas goed is leeg geplast met een echografie van de blaas.

Kenniscentrum Urologie

Het kenniscentrum Urologie is een website die is gemaakt om u te informeren over urologische aandoeningen en de service die de urologen van het Slingeland Ziekenhuis u kunnen bieden. 
Dit kenniscentrum is een onderdeel van de website van het Slingeland Ziekenhuis waarop u alle informatie over het ziekenhuis en andere specialismen kunt vinden. De ziektebeelden zijn eenvoudig beschreven en proberen u een houvast te geven in de enorme hoeveelheid informatie die het internet biedt.
De polikliniek Urologie is bereikbaar via telefoonnummer: (0314) 32 95 72

U volgt  routenummer 100. in het ziekenhuis om bij de polikliniek Urologie te komen.

Blog

Voor het blog schrijven zorgprofessionals over hun ervaringen, nieuwe ontwikkelingen, statistieken en opvallende nieuwtjes. 

Laat uw waardering achter over onze urologen op ZorgkaartNederland.nl


Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Veiligheid van de patiënt

De veiligheid van onze patiënten is van groot belang. Ondanks dat patiëntenzorg nooit  helemaal zonder risico’s zal zijn, proberen deze risico’s tot een minimum te beperken. We zorgen voor een veilige omgeving en werken volgens vaste regels. Zo kunnen we leren van fouten uit het verleden en de veiligheid steeds verder verbeteren.

Patiëntveiligheid in onze zorgverlening

Patiëntveiligheid is een onderwerp waaraan in de Nederlandse zorg steeds meer aandacht wordt besteed. De manier waarop de veiligheid in de gezondheidszorg wordt verbeterd, is onder meer afgekeken van bedrijven met een hoge veiligheid en betrouwbaarheid zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrie. Deze bedrijfstakken hebben veel ervaring op het gebied van veiligheid. Ze werken volgens vaste regels op het gebied van veiligheid. Dit soort regels wordt in de zorg ook toegepast, bijvoorbeeld bij operaties en bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen aan patiënten.

De veiligheid in onze zorgverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
  • Goede samenwerking en onderlinge afstemming tussen medewerkers;
  • Het gebruik van standaard procedures;
  • Controleren van elkaars werk om fouten te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn; medicatiedoseringen die door collega’s extra worden gecontroleerd (dubbele check).
  • Regelmatige beoordeling van de zorg. Hierbij wordt gekeken naar de successen maar ook naar de problemen en complicaties.
  • Creëren van een veilige omgeving om in te werken. We streven ernaar dat het personeel het melden van fouten en het uitoefenen van kritiek als positief en normaal ervaart.
  • Regelmatig terugkerende trainingen over de veiligheid van patiënten voor alle werknemers.
Door op deze manier te werken kunnen we de kwaliteit en de veiligheid controleren, meten en telkens verbeteren. De zorg voor en veiligheid van onze patiënten heeft constant onze aandacht.
Er zijn ook speciale veiligheidstips gericht op ouderen.



U kunt ook zelf meehelpen aan veiligheid in de zorg!

Praktische tips voor patiënten op het gebied van veiligheid:

Bereid u goed voor op uw bezoek aan het ziekenhuis

Zet uw vragen op papier en bespreek deze. Vertel wat uw verwachtingen en wensen zijn. Vraag iemand mee te gaan. Twee horen en onthouden meer dan één. Herhaal belangrijke informatie om te controleren of u het begrepen heeft. Geef aan als u iets niet begrijpt of ergens over twijfelt. Om u goed te behandelen is het belangrijk dat uw zorgverlener alle informatie over uw gezondheidstoestand krijgt.

Neem uw actuele medicatieoverzicht mee naar het ziekenhuis

Schrijf op welke medicijnen u met of zonder recept gebruikt. Vraag uw apotheek om uw actuele medicatieoverzicht. Neem dit altijd mee. Meld bij alle zorgverleners steeds als u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of voedingsmiddelen. Vraag na of u voor de behandeling met bepaalde medicijnen moet stoppen (bijvoorbeeld bloedverdunners). Vraag ook na of u zo nodig antibiotica moet hebben.

Bedenk of alles duidelijk is en geef toestemming

U bent degene die beslist of de voorgestelde behandeling wordt ingezet en geeft hiervoor toestemming. Wilt u hierover eerst nadenken en nog niet meteen beslissen? Vraag uw zorgverlener dan bedenktijd. Spreek samen af hoe en wanneer u uw beslissing laat weten. Weet wie uw vaste aanspreekpunt is. Bedenk ook of alles thuis geregeld is voor na uw operatie.

Bespreek vooraf het verloop van uw operatie

Bespreek wat er voor, tijdens en na de operatie gebeurt. Bijvoorbeeld hoe lang de operatie duurt en welke complicaties kunnen optreden. Vraag hoe u zich moet voorbereiden, bijvoorbeeld of u nuchter moet zijn. Laat uw arts voor de operatie met een stift uw huid markeren waar u geopereerd wordt. Indien u antibiotica moet krijgen, moet u deze 15 tot 60 minuten voor de operatie krijgen. Vraag hier zo nodig naar.

Extra controlemomenten tijdens het operatieproces

Als extra controle stellen zorgverleners u op verschillende momenten dezelfde vragen. Ook vragen ze naar bijzonderheden zoals temperatuursverhoging, eventuele allergieën en of u voor de operatie heeft gegeten. Vlak voor uw operatie controleert het operatieteam nogmaals uw naam, geboortedatum en het te opereren lichaamsdeel. Vraag ernaar als dit niet gebeurt.

Meld onveilige of onhygiënische situaties

Meld het als er iets gebeurt wat niet de bedoeling is. Stel vragen als iets anders gaat dan u verwacht. Bijvoorbeeld als uw medicijnen er anders uit zien. Meld het als iets niet goed schoon is. In een ziekenhuis kan hygiëne van levensbelang zijn. Geef het aan als uw zorgverleners niet hygiënisch werken. Attendeer hen hierop. Zo helpt u mee aan een veilige en schone zorgomgeving!

Volg de instructies en adviezen goed op

Houd u aan de afspraken die u met de zorgverlener maakt over uw behandeling. Vraag wat u wel of niet mag doen. Laat het weten als u voor uw gevoel tegenstrijdige adviezen of informatie krijgt. Zorg dat u weet wanneer u voor controle terug moet komen en wanneer en bij wie u terecht kunt met vragen of problemen.

Er zijn veiligheidstips speciaal voor ouderen

Polikliniek Urologie

De polikliniek Urologie is bereikbaar via telefoonnummer: (0314) 32 95 72

Waar moet u zijn?

De polikliniek Urologie en de functieafdeling Urologie bevinden zich in het Slingeland Ziekenhuis op de begane grond. U volgt routenummer 100.

Afsprakenkaartje

Bij het bezoek aan de polikliniek heeft u een afsprakenkaartje voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 

Melden

Meldt u zich bij uw bezoek aan de polikliniek, eerst bij de secretaresse voordat u plaatsneemt in de wachtruimte. U wordt door de uroloog of de verpleegkundige opgehaald uit de wachtruimte.

Plasproef

Wanneer u voor een afspraak komt waarbij u een ‘plasproef’ moet doen, laat dit dan even weten aan de secretaresse.

Opleiding

Er kan een co-assistent aanwezig zijn tijdens uw bezoek aan de polikliniek Urologie. Dit is een arts in opleiding. Door mee te kijken en te luisteren leert de co-assistent hoe hij/zij later te werk zou kunnen gaan. Mocht u hier bezwaar tegen hebben dan vragen wij u dit bij de secretaresse of verpleegkundige te melden.

Samenwerking

Er bestaat een nauwe samenwerking met meerdere ziekenhuizen in de omgeving. Soms kan er aanleiding zijn voor verwijzing naar een academisch ziekenhuis. In dat geval zal de uroloog u doorverwijzen naar een academisch ziekenhuis in Nijmegen, Utrecht of Amsterdam. 
Als uw behandeling binnen het aandachtsgebied van een andere uroloog valt zal de secretaresse aan u vragen of u de behandeling wilt voortzetten bij die uroloog of dat u niet van uroloog wilt wisselen.

Wetenschappelijke projecten

Urologie is een jong specialisme dat volop in beweging is. Om met deze snelle ontwikkelingen mee te blijven gaan, doen de urologen mee aan wetenschappelijke projecten. Als uw ziektebeeld daar aanleiding toe geeft, is het mogelijk dat uw uroloog vraagt of u mee wilt doen aan een dergelijk project (bijvoorbeeld de Combat studie). Meer informatie over een eventuele deelname aan een wetenschappelijk project krijgt u van uw uroloog of van de nurse practitioner.

Polikliniek Urologie

De polikliniek Urologie is bereikbaar via telefoonnummer: (0314) 32 95 72

Waar moet u zijn?

De polikliniek Urologie en de functieafdeling Urologie bevinden zich in het Slingeland Ziekenhuis op de begane grond. U volgt routenummer 100.

Afsprakenkaartje

Bij het bezoek aan de polikliniek heeft u een afsprakenkaartje voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 

Melden

Meldt u zich bij uw bezoek aan de polikliniek, eerst bij de secretaresse voordat u plaatsneemt in de wachtruimte. U wordt door de uroloog of de verpleegkundige opgehaald uit de wachtruimte.

Plasproef

Wanneer u voor een afspraak komt waarbij u een ‘plasproef’ moet doen, laat dit dan even weten aan de secretaresse.

Opleiding

Er kan een co-assistent aanwezig zijn tijdens uw bezoek aan de polikliniek Urologie. Dit is een arts in opleiding. Door mee te kijken en te luisteren leert de co-assistent hoe hij/zij later te werk zou kunnen gaan. Mocht u hier bezwaar tegen hebben dan vragen wij u dit bij de secretaresse of verpleegkundige te melden.

Samenwerking

Er bestaat een nauwe samenwerking met meerdere ziekenhuizen in de omgeving. Soms kan er aanleiding zijn voor verwijzing naar een academisch ziekenhuis. In dat geval zal de uroloog u doorverwijzen naar een academisch ziekenhuis in Nijmegen, Utrecht of Amsterdam. 
Als uw behandeling binnen het aandachtsgebied van een andere uroloog valt zal de secretaresse aan u vragen of u de behandeling wilt voortzetten bij die uroloog of dat u niet van uroloog wilt wisselen.

Wetenschappelijke projecten

Urologie is een jong specialisme dat volop in beweging is. Om met deze snelle ontwikkelingen mee te blijven gaan, doen de urologen mee aan wetenschappelijke projecten. Als uw ziektebeeld daar aanleiding toe geeft, is het mogelijk dat uw uroloog vraagt of u mee wilt doen aan een dergelijk project (bijvoorbeeld de Combat studie). Meer informatie over een eventuele deelname aan een wetenschappelijk project krijgt u van uw uroloog of van de nurse practitioner.

Anatomie Urologie


Man

Anatomie van de urinewegen bij de man

1=urineblaas, 2=schaambeen, 3=penis, 4=zwellichaam, 5=eikel, 6=voorhuid, 7=urinebuis, 8=dikke darm, 9=endeldarm, 10=zaadblaas, 11=zaadleider, 12=prostaat, 13=Cowperse klier, 14=anus, 15=zaadleider, 16=bijbal, 17=teelbal (testis, zaadbal), 18=scrotum (balzak)
(bron: wikipedia)

Vrouw

Anatomie van de urinewegen bij de vrouw.

1=eileider, 2=fimbriae (pili), 3=blaas, 4=schaambeen, 5=G-spot, 6=urinebuis (plasbuis), 7=clitoris, 8= zwellichaam, 9=binnenste schaamlip, 10=buitenste schaamlip, 11=eierstok, 12=dikkedarm, 13=baarmoeder, 14=fornix, 15=baarmoederhals, 16=endeldarm, 17=vagina, 18=anus, 19=de klier van Bartholin (voorhofklier, slijmklier).
(bron: wikipedia)

Zie ook:

Bekkenbodem

De bekkenbodem is een spierlaag onder in het bekken, die de organen in de buik draagt. Deze organen zijn o.a. de blaas, baarmoeder en darmen. In de bekkenbodem zitten enkele openingen: de plasbuis, de anus en bij vrouwen de vagina-opening. De bekkenbodem zorgt tevens voor het openen en sluiten van de plasbuis, vagina (schede) en anus. Zo zorgt de bekkenbodem ervoor dat u kunt plassen en ontlasten, dat u niet ongewild urine of ontlasting verliest en u seks kunt hebben.
De bekkenbodemspieren werken nauw samen met de buik- en rugspieren en zijn belangrijk in het dagelijks bewegen, de toiletgang, bij seksualiteit en bij het tegengaan van rug- en bekkenpijn.

Anatomie van de vrouw (shutterstock)

Zie ook:

Urineblaas

De blaas vormt een onderdeel van de lagere urinewegen. De urine die door de nieren wordt geproduceerd, gaat via de urineleiders naar de blaas. Urine wordt in de blaas tijdelijk opgeslagen voordat we het uitplassen. Er kan gemiddeld zo’n halve liter urine in de blaas.
Als de blaas vol begint te raken stuurt deze een signaal via de zenuwen van het ruggenmerg naar de hersenen en voelen we de aandrang om te plassen.

Tussen het geven van dit signaal en de werkelijke noodzaak om de blaas te legen, zit nog voldoende tijd om naar het toilet te gaan. Tenslotte hebben we geleerd om op een sociaal acceptabel moment te plassen. Bij voorkeur op een toilet. Maar hoe langer u het plassen uitstelt, hoe groter de aandrang wordt. Deze kan zelfs pijnlijk zijn. Wanneer u zich blijft verzetten tegen het plassen, neemt het regelcentrum in ons ruggenmerg de zaak uiteindelijk over en kan het voorkomen dat de blaas automatisch leeg loopt. Het komt ook voor dat plassen onmogelijk wordt en de blaas overvol raakt en langzaam kleine beetjes naar buiten drukt.

Blaas van de man

Blaas van de man (bron Shutterstock)

Nieren

Ieder mens heeft normaal gesproken twee nieren. Nieren hebben een vorm die lijkt op een boon en zijn ongeveer zo groot als een vuist. Ze wegen zo’n 150 gram per stuk.

De nieren liggen in de buikholte, aan de achterkant van het lichaam ter hoogte van het middel, links en rechts van de ruggengraat.


Anatomische weergave van een nier

Taak van de nieren

Een nier bestaat uit kleine deeltjes die ‘nefronen’ heten. Elke nefron bestaat uit een nierfilter en een nierbuisje. Zo filteren de nefronen het bloed dat via de bloedvaten in de nieren komt. De nier verwijdert zo de ongewenste stoffen en stoffen die het lichaam niet meer kan gebruiken uit het bloed. De nieren zorgen ervoor dat een teveel aan water en afvalstoffen uit ons lichaam wordt afgevoerd. De nieren maken dus urine.

De urine gaat via de urineleiders van de nieren naar de blaas. De nieren zorgen en ook voor dat er voldoende vocht in het lichaam is en dat het te veel weer wordt uitgeplast. Verder maken de nieren ook hormonen aan. Bijvoorbeeld hormonen die zorgen voor de aanmaak van rode bloedcellen, het regelen van de bloeddruk en die zorgen voor de calciumopname.

Bijnieren

De bijnieren liggen als kleine orgaantjes bovenop de top van de nieren. Deze klieren produceren hormonen en bestaan uit de twee delen bijnierschors en bijniermerg.

Bijnierschorshormonen:

  • Aldosteron
    • Reguleert kalium en zoutgehalte
    • Reguleert de afscheiding van zout door de nieren
    • Speelt een rol bij koolhydraatstofwisseling
  • Cortison
    • Remt ontstekingen
    • Stimuleert de aanmaak en opslag van glucose
  • Geslachtshormonen
    • Vullen de zes hormonen aan die ofwel in de eierstokken (vrouw) of in de teelballen (man) gemaakt worden.

Bijniermerg-hormonen

  • Adrenaline
    • Zorgt dat het lichaam klaar is om in actie te komen.
  • Noradrenaline
    • Reguleert de bloeddruk door bloedvatvernauwing.

Plasbuis (urethra)

Plasbuis bij de manBlaas van de man met plasbuis die door de prostaat loopt.

De urethra (plasbuis of urinebuis) loopt van de blaas tot aan het uiterste puntje van de penis.
Deze buis begint als een opening in de blaas (de blaashals) van waar hij door de prostaat heen gaat. Hier wordt de plasbuis soms afgeklemd door de (groeiende) prostaatvergroting (BPH).

Onder de prostaat passeert de urethra de bekkenbodem. Hierin ligt de sluitspier (externe sphincter). Als deze sluitspier in de bekkenbodem wordt beschadigd dan ontstaat er urineverlies.
De plasbuis buigt vervolgens onder het schaambeen door en gaat deel uitmaken van de penis. Om de plasbuis vormt zich een sponsachtig lichaam dat het dikste is tussen de anus en het scrotum (balzak). Dit is tijdens een erectie goed voelbaar. Dit gedeelte van de plasbuis heet ‘bulbaire urethra’.
De plasbuis gaat nu aan de onderzijde van de penis lopen en heet hier de ‘peniele urethra’. De plasbuis gaat door de eikel (glanspenis) en verandert hier iets van vorm: de buis krijgt een iets ruimer tuitje waardoor de straal zijn vorm krijgt.
De plasbuis eindigt als meaturs op de top van de eikel.

Als de plasbuis onder de eikel of al eerder in de penis naar buiten komt heet dit Hypospadie.

Plasbuis bij de vrouw

Bij vrouwen is de urinebuis 2,5 tot 4 cm lang. Deze plasbuis loopt vanuit de blaas (blaashals) naar de vulva. De opening (het plasgaatje) bevindt zich in de vulva tussen de clitoris en de vagina-opening. De korte lengte van de urethra bij vrouwen zorgt er voor dat zij vatbaarder zijn voor besmettingen en infecties van de blaas en de urinestreek. Zo komt een blaasontsteking bij vrouwen vaker voor dan bij mannen.

De prostaat

De prostaat is een klier die prostaatvocht produceert voor de zaadcellen. De zaadcellen en het prostaatvocht vormen samen sperma. De prostaatklier wordt ook wel de ‘voorstanderklier’ genoemd. Eigenlijk is de prostaat niet één klier maar een aantal klieren samen binnen een kapsel (bindweefselwand).
De prostaat bevindt zich aan de uitgang van de blaas, rondom het eerste stuk van de urinebuis. Het gedeelte van de urinebuis dat
zich door de prostaat heen boort wordt ‘urethra prostatica’ genoemd. Deze begint bij de blaashals (binnenste sluitspier) en eindigt bij de plasbuissluitspier die onder de prostaat ligt.
In de urethra prostatica monden ook de kanaaltjes van de zaadblaasjes uit. Deze uitmonding heet het veru montanum (berg van de waarheid).

De prostaat bestaat uit verschillende zones. Direct rondom de urinebuis ligt de zogenaamde ‘transitie zone’. Deze zone van de prostaat groeit gedurende het leven onder invloed van het mannelijk hormoon (testosteron). De groei van deze zone is vaak verantwoordelijk voor plasklachten bij de ouder wordende man (zie prostaatgroei). De plasbuis kan worden dichtgedrukt waardoor de urine minder gemakkelijk door de buis kan stromen. Daardoor moet de blaas dan meer druk zetten maar de urinestraal verslapt en aandrang om vaak te plassen ontstaat. (zie: LUTS).

Blaas met prostaat


Functie van de prostaat


Door het prostaat heen lopen twee zaadleiders welke van de bijballen komen. Door de zaadleiders gaan de zaadcellen. Daaraan wordt wat vocht toegevoegd in de zaadblaasjes, waardoor de zaadcellen actief worden. In de prostaat wordt prostaatvocht toegevoegd, wat voedingsstoffen bevat voor de zaadcellen. Het is dan sperma geworden dat tijdens een zaadlozing (ejaculatie) via de plasbuis in de penis het lichaam verlaat.

De reden dat het sperma niet de verkeerde kant op gaat bij een zaadlozing (dus richting de blaas) komt door een klein afsluitspiertje. Dit spiertje ligt tussen de blaas en de prostaat in om de plasbuis heen. Tijdens een zaadlozing wordt het actief en sluit het de plasbuis af.

De urineleiders (ureters)

Urineleider (ureter)

De urineleider loopt van de nier (het nierbekken) naar de blaas. Omdat een mens twee nieren heeft, zijn er dus ook twee urineleiders.

De nieren zorgen ervoor dat een teveel aan water en afvalstoffen uit ons lichaam wordt afgevoerd. De urine die de nieren produceren wordt door de urineleiders naar de blaas gebracht.

Aan het einde van de urineleider zit een soort ventiel. Dit ventiel bij de toegang naar de blaas zorgt er voor dat de urine niet weer terug kan stromen naar de nier.

De urineleiders van een volwassene zijn ongeveer 25 tot 30 centimeter lang.
Urineleiders bij een vrouw

Balzak, zaadbal en zaadleider

Balzak (scrotum) en zaadballen (testikels)

De zaadballen worden ook wel teelballen of testikels genoemd. Ze maken deel uit van de mannelijke geslachtsorganen. De balzak is gemaakt van een laag huid met een laag spieren eronder. In de balzak (scrotum) bevinden zich twee gescheiden ruimtes waarin aan elke kant één zaadbal met een bijbal past. De zaadballen en bijballen bevinden zich eigenlijk buiten het lichaam in de balzak. Voor de productie van zaadcellen is het belangrijk dat de temperatuur in de balzak lager is dan de lichaamstemperatuur.

De zaadballen produceren mannelijke hormonen en zaad (sperma).

mannelijke geslachtsorganen (born: shutterstock)

Bijbal

Een man heeft dus twee zaadballen en twee bijballen. Zo'n bijbal (Latijn: epididymis) bestaat uit een wirwar van zeer kleine buisjes en ligt als een soort kapje op de zaadbal. De zaadcellen worden opgeslagen in de bijballen.

Zaadleider en zaadblaasjes

Vanuit de bijbal ontspringt de zaadleider (Latijn: vas deferens), die vervolgens naar de lies en met een grote bocht richting de prostaat gaat. De zaadleider verbindt de bijbal met de urinebuis. Achter de prostaat komt de zaadleider samen met de afvoer van zaadblaasjes. Zaadblaasjes zijn klieren die spermavocht produceren.

Hoewel de urinebuis ook urine loost, is er een klep die de uitstroom van sperma en urine regelt. Tijdens de ejaculatie stroomt het sperma door de urinebuis uit de penis.

Infographic over sperma:


Infographic sperma

Balzak, zaadbal en zaadleider

Balzak (scrotum) en zaadballen (testikels)

De zaadballen worden ook wel teelballen of testikels genoemd. Ze maken deel uit van de mannelijke geslachtsorganen. De balzak is gemaakt van een laag huid met een laag spieren eronder. In de balzak (scrotum) bevinden zich twee gescheiden ruimtes waarin aan elke kant één zaadbal met een bijbal past. De zaadballen en bijballen bevinden zich eigenlijk buiten het lichaam in de balzak. Voor de productie van zaadcellen is het belangrijk dat de temperatuur in de balzak lager is dan de lichaamstemperatuur.

De zaadballen produceren mannelijke hormonen en zaad (sperma).

mannelijke geslachtsorganen (born: shutterstock)

Bijbal

Een man heeft dus twee zaadballen en twee bijballen. Zo'n bijbal (Latijn: epididymis) bestaat uit een wirwar van zeer kleine buisjes en ligt als een soort kapje op de zaadbal. De zaadcellen worden opgeslagen in de bijballen.

Zaadleider en zaadblaasjes

Vanuit de bijbal ontspringt de zaadleider (Latijn: vas deferens), die vervolgens naar de lies en met een grote bocht richting de prostaat gaat. De zaadleider verbindt de bijbal met de urinebuis. Achter de prostaat komt de zaadleider samen met de afvoer van zaadblaasjes. Zaadblaasjes zijn klieren die spermavocht produceren.

Hoewel de urinebuis ook urine loost, is er een klep die de uitstroom van sperma en urine regelt. Tijdens de ejaculatie stroomt het sperma door de urinebuis uit de penis.

Infographic over sperma:


Infographic sperma

TURP

De standaard operatie voor de behandeling van goedaardige prostaatvergroting (benigne prostaathyperplasie, BPH) is een TURP. Dit is een behandeling waarbij een gedeelte van de prostaat verwijderd wordt via de plasbuis. Deze operatie wordt zeer vaak uitgevoerd en is efficiënt en veilig. Instrumenten voor een TURP-behandeling

Het verwijderen van een gedeelte van de prostaat gebeurt op de operatiekamer onder narcose of gedeeltelijke verdoving (ruggenprik).

Via de plasbuis brengt de uroloog een buis in tot aan de prostaat. Door deze buis gaan een kleine camera met een lampje en een metalen lusje. Daarnaast vloeit er water doorheen.
Het lusje wordt verhit waardoor het stukjes weefsel uit de prostaat kan snijden. De uroloog haalt zo het prostaatweefsel dat de plasbuis dichtdrukt weg.

De prostaat wordt van binnenuit uitgehold. Op die manier wordt de sluitspier niet geraakt en ontstaat na de operatie geen incontinentie.
Het kapsel en de buitenste rand van de prostaat wordt niet verwijderd. Deze operatie is dus niet geschikt voor het volledig verwijderen van de prostaat voor prostaatkanker. Het metalen lusje kan kleine bloedinkjes meteen dichtschroeien. De uroloog spoelt de blaas met een vloeistof zodat bloed- en weefselresten uit de blaas worden verwijderd.

Risico’s


Bij elke operatie is er een kleine kans op complicaties, zoals bloedingen en infecties.
Na de operatie kunt u last krijgen van:
  • Retrograde ejaculatie: na een prostaatoperatie verandert de zaadlozing. De kleine blaassluitspier die zich bevindt tussen de prostaat en blaas in, gaat bij een TURP verloren. Hierdoor zal bij een zaadlozing (een deel van) het sperma niet via de penis naar buiten komen, maar in de blaas terechtkomen. Het heeft geen gevolgen voor het gevoel dat bij een orgasme hoort. U kunt ook nog gewoon een erectie krijgen. Het verwekken van kinderen is echter niet meer mogelijk.
  • Nabloeding
  • Urineweginfectie
  • Aandrangsklachten (telkens het gevoel te moeten plassen) met in uitzonderlijke gevallen urineverlies
Bij 75% van de patiënten is er door deze behandeling een verbetering van de klachten.

Een TURP-behandeling gaat gepaard met bloedverlies en is daarom moeilijk uit te voeren bij patiënten die bloedverdunners slikken (Ascal, Acenocoumarol, Sintrommitis).

Folder

Er is een folder beschikbaar over de verwijdering van een gedeelte van de prostaat via de plasbuis (TURP).

Alternatieve behandelingen

Er zijn nog diverse andere behandelingen van een vergroot prostaat en de obstructie (zie: goedaardige prostaatvergroting > behandelingen).

  • Behandelen met medicijnen (Alfablokker of 5-alfa-reductaseremmer).
  • De operatieve methode 'open prostatectomie'.
  • Een aantal mogelijke behandelingen die gebaseerd zijn op het toedienen van hitte in de prostaat.

Besnijdenis

Bij een besnijdenis haalt de uroloog de voorhuid van de penis weg. Sommige mannen laten zich besnijden omdat het bij hun godsdienst of cultuur hoort of omdat zij het hygiënischer vinden. Bij anderen is het nodig vanwege een vernauwde voorhuid.




Soorten besnijdenis

  • Volledige besnijdenis (radicale circumcisie)
    De voorhuid wordt totaal verwijderd. Na de operatie is de eikel volledig bloot.
  • Gedeeltelijke besnijdenis (partiële circumcisie)
    In sommige gevallen is het mogelijk om een gedeelte van de voorhuid te behouden. Alleen de binnenzijde van de voorhuid wordt verwijderd. De buitenzijde wordt omgeklapt en vormt een nieuwe, maar half zo lange voorhuid. Het resultaat van de besnijdenis kan vanuit cosmetisch oogpunt tegenvallen omdat de voorhuid de eikel soms niet geheel bedekt. De gedeeltelijke besnijdenis leidt alleen tot een cosmetisch bevredigend resultaat als de oorspronkelijke voorhuid zeer veel lengte had.
  • Verwijdingsplastiek: inknippen van de vernauwde voorhuid
    Als er een klein vernauwend deel in de voorhuid bestaat kan dit worden ingeknipt. Er ontstaat een wond die zodanig wordt dicht gehecht dat er geen vernauwing meer ontstaat.
  • Sunnet of religieuze circumcisie
    Vele culturen en geloven hebben het gebruik om jongens op een bepaalde leeftijd te besnijden. Dit is meestal een volledige besnijdenis.

Gang van zaken

Alle operaties duren ongeveer 20 minuten en kunnen onder lokale verdoving worden uitgevoerd op de poliklinische operatiekamer van de poli Urologie. Alleen voor jonge kinderen wordt het een dagopname en is de operatie onder narcose.

Meer informatie over de gang van zaken bij een besnijdenis vindt u in de folder: Circumcisie bij volwassenen



Botulinetoxine A-therapie

Botulinetoxine A (ook wel botox) is een natuurlijk gif, een neurotoxine, dat gemaakt wordt door een bacterie (Clostridium botulinum). Botulinetoxine A blokkeert de zenuwfunctie en werkt als een soort spierontspanner.


Toepassing van Botulinetoxine

Botulinetoxine wordt voor veel verschillende aandoeningen gebruikt. De bekendste toepassing is de behandeling van rimpels in het gezicht. Maar Botulinetoxine wordt ook gebruikt bij patiënten met een zenuwafwijking in de spastische spieren. Daarnaast werkt Botulinetoxine effectief tegen overmatig zweten.

In de Urologie wordt Botulinetoxine A gebruikt om een overactieve blaas rustig te maken. De overactiviteit van de blaas kan vele oorzaken hebben, maar leidt altijd tot het gevoel vaak naar het toilet te moeten en soms tot ongewenst urineverlies.

Werking Botulinetoxine A

De behandeling van een overactieve blaas met Botulinetoxine A houdt in dat er een injectie gegeven wordt in de blaasspier. Als Botulinetoxine A in de blaasspier wordt gespoten dan werkt dit op de plek waar de zenuw aan de spier vastzit. De Botulinetoxine A hecht zich aan de zenuw en voorkomt hier dat de stof acetycholine overgedragen wordt aan de spier. Hierdoor kan de spier niet meer samentrekken. Deze spier vermindert in kracht en grootte.

Na een aantal maanden gaat de spier toch weer samentrekken. Dit komt doordat de zenuw een nieuwe uitloper maakt die de spier weer aanstuurt. De behandeling moet dan herhaald worden. De Botulinetoxine A die zich niet hecht aan een zenuw wordt binnen 24 uur door het lichaam afgebroken.

Wijze van toediening

De botoxobehandeling kan zowel op de operatiekamer als poliklinisch in een dagbehandeling plaatsvinden. Op de operatiekamer wordt onder narcose of na een ruggenprik in de blaas gekeken (cystoscopie). Bij de poliklinische behandeling wordt de patiënt plaatselijk verdoofd. De specialist bepaald welke behandelmethode wordt toegepast.
Via de scoop wordt een lange naald opgeschoven naar de blaas. Deze naald zal op 25 verschillende plaatsen in de blaasspier worden gestoken. Er wordt een verdunde botoxoplossing van 1 ml per prik achtergelaten.

Resultaat

Binnen 7 dagen worden de eerste effecten waargenomen. Maar het kan een maand duren voordat het volledige effect voelbaar is. Gemiddeld blijft het effect 6 tot 9 maanden aanwezig. Daarna neemt het langzaam af. Het is mogelijk om daarna een nieuwe Botulinetoxine A-injectie uit te voeren.

Bijwerkingen

  • Urineretentie. Als de behandeling t goed werkt kan de blaasspier zo veel kracht verliezen dat plassen onmogelijk wordt. Zelfcatheterisatie moet dan worden gestart.
  • Bloed in de urine (hematurie);
  • Urineweginfectie;
  • Algemene zwakte, moeilijkheden met slikken, dubbelzien.

Niet gebruiken

Botulinetoxine A mag niet worden gegeven als de patiënt lijdt aan myasthenia gravis (spierziekte) of hemofilie (bloedziekte). Ook zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven mogen zich niet met Botulinetoxine A laten behandelen.

Behandeling van nierstenen

Behandeling van nierstenen is niet altijd nodig. Als de steen geen pijn of infecties veroorzaakt en de nierfunctie er niet onder lijdt kan worden afgewacht. Tijdens periodieke controles houdt de uroloog in de gaten of de steen groeit. Het is beter om een groeiende steen te behandelen.

Klachten ten gevolge van nierstenen vragen om een snelle behandeling. Een vastzittende steen kan felle, krampachtige pijn veroorzaken. Dit wordt ook wel koliek genoemd. Daarnaast kan een vastzittende steen leiden tot een ernstige infectie. Vandaar dat nierstenen die gepaard gaan met koorts en algemeen ziek-zijn een snelle behandeling vereisen.

Als de niersteen geen acute klachten veroorzaakt kan rustig worden gekeken naar de meest geschikte behandeling. Als duidelijk is dat de steen verwijderd moet worden, gaat de uroloog bepalen welke techniek met de minste belasting voor de patiënt, het beste resultaat oplevert. Dit is afhankelijk van de soort steen (als dit bekend is) en waar de steen zich bevindt. De steen kan zich in de gehele urineweg bevinden: in de nier, in de urineleider of in de blaas.


Uitzendingen Graafschap TV:


Resultaten van de behandelingen

De behandeling van patiënten met nierstenen heeft in het Slingeland Ziekenhuis een belangrijke plaats. Acute behandelingen bij patiënten met niersteenkolieken komen regelmatig voor, waardoor de urologen veel ervaring hebben met deze behandelingen. Alle technieken en instrumenten zijn voorhanden. De urologen zijn ervaren in het gebruik hiervan.

De niersteenvergruizer functioneert naar volle tevredenheid. Door de samenwerking met de afdeling Nefrologie en Interne geneeskunde krijgen patiënten een multidisciplinair advies ter voorkoming van nieuwe stenen.

Omdat de vergruizer in eigen beheer is, is er eigenlijk geen wachttijd. Indien nodig kunnen patienten binnen 24 uur behandeld worden met de vergruizer.

Contact en informatie

Voor meer informatie over de behandelingen of om een afspraak te maken met een uroloog kunt u contact opnemen met de polikliniek Urologie in Doetinchem. Tel. (0314) 32 95 72.

Behandeling van nierstenen

Behandeling van nierstenen is niet altijd nodig. Als de steen geen pijn of infecties veroorzaakt en de nierfunctie er niet onder lijdt kan worden afgewacht. Tijdens periodieke controles houdt de uroloog in de gaten of de steen groeit. Het is beter om een groeiende steen te behandelen.

Klachten ten gevolge van nierstenen vragen om een snelle behandeling. Een vastzittende steen kan felle, krampachtige pijn veroorzaken. Dit wordt ook wel koliek genoemd. Daarnaast kan een vastzittende steen leiden tot een ernstige infectie. Vandaar dat nierstenen die gepaard gaan met koorts en algemeen ziek-zijn een snelle behandeling vereisen.

Als de niersteen geen acute klachten veroorzaakt kan rustig worden gekeken naar de meest geschikte behandeling. Als duidelijk is dat de steen verwijderd moet worden, gaat de uroloog bepalen welke techniek met de minste belasting voor de patiënt, het beste resultaat oplevert. Dit is afhankelijk van de soort steen (als dit bekend is) en waar de steen zich bevindt. De steen kan zich in de gehele urineweg bevinden: in de nier, in de urineleider of in de blaas.


Uitzendingen Graafschap TV:


Resultaten van de behandelingen

De behandeling van patiënten met nierstenen heeft in het Slingeland Ziekenhuis een belangrijke plaats. Acute behandelingen bij patiënten met niersteenkolieken komen regelmatig voor, waardoor de urologen veel ervaring hebben met deze behandelingen. Alle technieken en instrumenten zijn voorhanden. De urologen zijn ervaren in het gebruik hiervan.

De niersteenvergruizer functioneert naar volle tevredenheid. Door de samenwerking met de afdeling Nefrologie en Interne geneeskunde krijgen patiënten een multidisciplinair advies ter voorkoming van nieuwe stenen.

Omdat de vergruizer in eigen beheer is, is er eigenlijk geen wachttijd. Indien nodig kunnen patienten binnen 24 uur behandeld worden met de vergruizer.

Contact en informatie

Voor meer informatie over de behandelingen of om een afspraak te maken met een uroloog kunt u contact opnemen met de polikliniek Urologie in Doetinchem. Tel. (0314) 32 95 72.

Blaaskatheter

Een blaaskatheter is een dun buisje dat door medisch personeel in de blaas van de patiënt gebracht kan worden. Een blaaskatheter zorgt ervoor dat urine vanuit de blaas in een opvangzak stroomt. Het kan noodzakelijk zijn om een katheter aan te brengen na bijvoorbeeld een operatie of als er urine achterblijft in de blaas na het plassen (retentie).

Er zijn folders beschikbaar:
Omgaan met een katheter
Katheter verwijderen

Er zijn ook katheters die vanuit de nier in plaats van de blaas lopen:
dubbel J katheter
nefrostomiekatheter

Inbrengen van katheter via de plasbuis 

De urethrale katheter wordt via de plasbuis ingebracht. De verpleegkundige zal de uitgang van de urinebuis schoonmaken met natte gazen. Hierna wordt een verdovende gelei in de urinebuis gespoten. Dit kan een branderig gevoel geven De verpleegkundige trekt handschoenen aan en brengt de katheter via de urinebuis in de blaas. Dit kan gevoelig zijn.

Aan het uiteinde van de katheter zit een ballonnetje. Deze ballon zit na het inbrengen in de blaas. Via een ventiel wordt deze met water gevuld. De ballon voorkomt dat de katheter uit de blaas valt.

Blaaskatheter, vrouw en man (Bron shutterstock)

Inbrengen van katheter via de buikwand

De suprapubische katheter wordt onder plaatselijke verdoving ingebracht. De uroloog maakt een klein sneetje in de buik, net boven het schaambeen en brengt zo de katheter in de blaas. Er zit dan geen slangetje in de plasbuis. Het is dus nog mogelijk om via de normale weg te plassen.
Er zit een ventiel op het uiteinde van de katheter. Via dit ventiel kunt u na het plassen controleren of u de blaas nu wel goed leeg plast.

Opvangzak

Het is mogelijk om een opvangzak aan de katheter te bevestigen. Er zijn zakken voor de dag en voor de nacht. Dagzakken zijn de zogenoemde beenzakken. Dit zijn kleinere opvangzakken, welke met behulp van banden op het been bevestigd zijn. Nachtzakken zijn grotere zakken voor meer inhoud en met langere afvoerslangen eraan. Deze kunt u ’s avonds voor dat u naar bed gaat aanbrengen en dan naast uw bed hangen.

Drinken

Voor mensen met een katheter is het erg belangrijk om veel te drinken. Zij moeten proberen om twee liter vocht per dag tot zich te nemen. Dit vermindert blaaskrampen en verstoppingen van de katheter.

Neurostimulatie (PTNS)

Een groep van zenuwen onderaan de ruggengraat (de sacrale zenuwen) regelen de werking van en de controle over de blaas. De activiteit van de blaas kan veranderen door deze zenuwen te stimuleren met zachte elektrische pulsen (neurostimulatie). Het is een relatieve eenvoudige poliklinische behandeling van een overactieve blaas waarbij geen medische ingreep plaatsvindt.

Percutane Tibiale NeuroStimulatie (PTNS) is een manier om met zachte elektrische pulsen de zenuwen te stimuleren. De tibiale zenuw loopt van de bovenkant van de enkel door het been naar de groep van zenuwen onderaan de ruggengraat. Door de tibiale zenuw te stimuleren is het mogelijk om de zenuwen te beïnvloeden die verantwoordelijk zijn voor de controle van de blaas.

Wat is een PTNS behandeling?

Een kleine dunne naald wordt ingebracht vlakbij de tibiale zenuw boven de enkel en deze naald-elektrode wordt dan aangesloten op een stimulator die op batterijen werkt. De impulsen van de stimulator verplaatsen zich langs de zenuwbanen en helpen bij het trainen van de blaas, waardoor uw klachten minder worden.

Elke behandeling duurt 30 minuten. De patiënt krijgt eerst gedurende 12 weken 1 behandeling per week. Na de eerste 12 behandelingen bespreekt de arts de resultaten met de patiënt en bepaalt of de behandeling voortgezet wordt.
Als de behandeling wordt voortgezet dan zal de frequentie omlaag gaan naar maximaal 1 keer per twee weken (soms 1 keer per 4 weken).

Om een blijvend effect van deze behandeling te hebben kan de patiënt niet stoppen met de behandeling. Deze behandeling is niet genezend, maar helpt de klachten verminderen.

Omdat PTNS langzaam de signalen wijzigt die leiden tot controle over de blaas, zijn waarschijnlijk minstens 6 behandelingen nodig voor er een verandering in de symptomen is. Veel patiënten die PTNS gebruiken, ervaren een aanzienlijke verbetering van de controle over hun blaas.
De naaldelektrode is ingebracht in de enkel.

Botscan

Dit onderzoek vindt plaats op de afdeling Nucleaire Geneeskunde, route 64
Bij een botscan maakt een nucleair werker een aantal foto’s van uw botten. 
Voorafgaand is een radioactieve stof in een bloedvat van uw arm gespoten. Deze radioactieve stof wordt opgenomen in de botten.

De straling die uitgezonden wordt is op te vangen met een ‘gammacamera’ waardoor een beeld van het skelet ontstaat. Als er grotere botactiviteit is wordt meer straling opgevangen en ontstaan dus donkere plekken op de botfoto. Deze kunnen bijvoorbeeld duiden op uitzaaïngen van prostaatkanker. Ook oude breuken en slijtage zijn zichtbaar.

Werkwijze

Na het inspuiten van de radioactieve stof moet u wachten tot deze is opgenomen in het bot. Dat kan 2 tot 4 uur duren. Als de vloeistof is opgenomen in de botten kunnen de foto’s gemaakt worden. Soms is het nodig tijdens de injectie al enkele foto's te maken. Na de injectie moet u veel drinken. Ga ook regelmatig naar het toilet en plas uw blaas helemaal leeg.

U moet gedurende het onderzoek ongeveer een half uur stilliggen op de onderzoekstafel. U kunt na het onderzoek direct naar huis. De uitslag krijgt u van uw behandelend arts.

Andere namen voor botscan zijn skeletscintigrafie en botscintigrafie.

Lees ook de folder: Scintigrafie-onderzoeken.




Filmpje: Een scintigrafie onderzoek, wat kunt u verwachten?

Cystoscopie (cysto-urethroscopie)

Een scopie is een onderzoek waarbij de arts met een kleine camera met een lampje in een lichaamsholte kan kijken. De urologen kunnen de gehele urineweg op deze manier bekijken, zonder daarbij te snijden. Dit gaat tegen de urinestroom in.

Cystoscopie Cystoscoop, een kleine camera met een lampje

De arts verricht een cystoscopie als er afwijkingen worden vermoed in plasbuis, het prostaatgebied of de blaas. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij plasproblemen, bloedverlies via de urine of controle op blaaspoliepen.

Bij een cystoscopie (blaasspiegeling) kijkt de uroloog met behulp van een dunne holle kijkbuis met een camera (cystoscoop) in plasbuis, de prostaat en de blaas.

Het onderzoek vindt plaats op de polikliniek Urologie.
De uroloog brengt voor dit onderzoek eerst een verdovende gel aan in de plasbuis en brengt vervolgens de cystoscoop in via de plasbuis. De uroloog kan zo de binnenkant van de plasbuis inspecteren op onregelmatigheden. Vervolgens passeert de scoop de sluitspier (externe sphincter). Als deze spier ontspant passeert de scoop gemakkelijk.

De cystoscoop is met een slangetje verbonden aan een zak met steriel water. Via het slangetje en de cystoscoop brengt de arts water in de blaas. Hierdoor zet de blaas uit. U kunt het gevoel krijgen dat u moet plassen. De uroloog zorgt er echter voor dat de blaas niet te vol raakt.

Bekijken van de prostaat

Als de scoop de sluitspier is gepasseerd komt deze bij mannen in de prostaat. Hier is eerst het zaadheuveltje te zien, waar het sperma de plasbuis in komt bij een zaadlozing (ejaculatie). Vervolgens worden de twee of drie vergrote prostaatkwabben bekeken (indien de prostaat vergroot is). Via de blaashals komt de scoop vervolgens in de blaas. Bij mannen kan de uroloog ook zien of de blaasuitgang eventueel vernauwd is door een vergroting van de prostaat.

Bekijken van de urineblaas

Bij de vrouw komt de scoop na de plasbuis en het passeren van de sluitspier in de blaas terecht. Bij de man pas na het passeren van de prostaat. De blaas vult zich met water tijdens de scopie. Zo is de wand goed te zien. Blaasontstekingen, tumoren, blaasstenen en andere afwijkingen kunnen zo goed in beeld worden gebracht. Onder in de blaas bevinden zich twee kleine gaatjes. Dit zijn de uitgangen van de urineleiders die vanuit de nieren naar de blaas gaan.

Bekijken urineleiders tot in de nier

Het bekijken van de urineleiders gebeurt niet poliklinisch maar tijdens een nieuwe afspraak op de operatiekamer.

Omdat de urineleiders zeer gevoelig zijn is het niet aan te raden om de camera er doorheen te sturen zonder dat de patiënt verdoofd is. Verder moet hiervoor een zeer dunne scoop worden gebruikt. Deze scoop kan via de urineleider (ureter) langzaam naar boven worden geschoven tot in de nier. Omdat aan het einde van deze lange dunne scoop een bewegende punt zit, kan hiermee in de verschillende gangen van de nier worden rondgekeken. Met deze techniek kunnen nierstenen en stenen in de urineleider worden opgezocht om ze weg te laseren.

Voor volledige informatie over dit onderzoek is er een folder beschikbaar: Cystoscopie

De arts kijkt met de cystoscoop in de blaas van een man.

Echografie

De echograaf is een apparaat dat geluidsgolven, die wij niet kunnen horen (ultrageluid), het lichaam instuurt. Door de weerkaatsing van de geluidsgolven te meten, wordt het inwendige van uw lichaam (de zachte weefsels) in beeld gebracht op een computerscherm. Op deze wijze kan de arts meer informatie krijgen over de organen die hij wil onderzoeken.

De echoprobe is een instrument dat de geluidsgolven produceert en weer opvangt. Deze wordt op de huid gezet in een waterige gel. Het geluid wordt weggestuurd en weerkaatst tegen de organen. De opgevangen golven geven dan het beeld.

Meer informatie over de gang van zaken bij een echografie leest u in de folder: Echografie of Echografie bij kinderen
Echo van de blaas Bij een echografie van de blaas drukt de uroloog met de echo-probe op de onderbuik om de blaas in beeld te krijgen. Als er urine in de blaas zit kaatsen de geluidsgolven terug waardoor de blaasomvang in beeld wordt gebracht en gemeten. Een lege blaas geeft geen goed echobeeld. De echografie van de blaas wordt voornamelijk gebruikt om de blaaswand in beeld te brengen. Daarnaast is met de echografie goed te meten of na het plassen de blaas leeg is. Op deze manier kan de uroloog ook blaasstenen of een poliep in de blaas ontdekken. De echografie wordt ook gebruikt om een suprapubische (buik)katheter (slangetje door de buikwand naar de blaas) goed te plaatsen.

Echo van de nieren

Bij een echografie van de nieren drukt de uroloog met de echo-probe op de buik of de rug om de nieren in beeld te krijgen. Afwijkingen in de vorm en grootte van de nieren zijn zo goed te zien. Deze afwijkingen kunnen duiden op verminderd nierweefsel of een toename door bijvoorbeeld een niertumor.
Als er in de nier stenen zitten, zijn deze goed zichtbaar op de echografie. Ook een vergrootte nier wordt gemakkelijk herkend door de urine die in de nier opgesloten zit.
De echografie wordt ook gebruikt om een endoscopische operatie (sleutelgatoperatie) te kunnen doen. Met behulp van de echografie weet de arts waar hij door de buikwand moet gaan om bij de nier uit te komen. Op deze manier worden ook nierstenen verwijderd.

Echo van de prostaat

Via de anus en het rectum (endeldarm) kan de buisvormige echoprobe tot dicht bij de prostaat worden gebracht. Over het algemeen kunnen de prostaat en de zaadblaasjes dan ook gedetailleerd in beeld worden gebracht met een echografie. Zo is het mogelijk de prostaat nauwkeurig te meten en de inwendige vorm ervan te bekijken. Ook zijn zo eventuele afwijkingen in de prostaat te zien. Zo kan de arts zien of de prostaat vergroot is of stenen bevat. Met behulp van deze echografische weergave kunnen betrouwbare weefsel biopten uit de prostaat worden gehaald. Bij een biopsie worden met een holle naald een paar stukjes weefsel weggehaald. Deze stukjes weefsel geven inzicht in de aanwezigheid van prostaatkanker.

Meer informatie over de gang van zaken bij een echografie van de prostaat leest u in de folder: Echografie van de prostaat.
Echogafisch beeld van de prostaat:
Echografisch beeld van de prostaat
De onderste zwarte halve maan is de echoprobe die zich in de darm bevindt. De grijze bol daarboven is de prostaat. De grote zwarte ruimte links boven de prostaat is de met water gevulde blaas.

Echo van de plasbuis

Deze echografie van de plasbuis helpt bij het in kaart brengen van de lengte en uitgebreidheid van urethrale stricturen (vernauwingen van de plasbuis). De plasbuis kan goed in beeld worden gebracht, waardoor eventuele afwijkingen gemakkelijk worden opgespoord.

Echo van de testis (zaadbal) en epididymis (bijbal)

De zaadbal ligt zeer oppervlakkig onder de huid. Omdat er geen lucht of bot in de balzak (scrotum) aanwezig is, kan de echografie een testis zeer gemakkelijk in beeld brengen. Afwijkingen in de bal zijn dan ook snel op te sporen zoals bijvoorbeeld kwaadaardig tumorweefsel (zaadbalkanker).
Naast de zaadbal bevindt zich de bijbal. Deze is moeilijker in beeld te krijgen. Maar eventuele afwijkingen zijn wel goed te zien zoals sperma-ophopingen (spermatocele).

De bloedvoorziening van de zaadbal is door middel van een echografie zeer betrouwbaar weer te geven. Een plotselinge afsluiting van de bloedvoorziening van de bal zoals dit wordt gezien bij torsio testis (steeldraai van de bal) veroorzaakt afsterven van de bal. In geval van twijfel kan een echografisch onderzoek uitkomst bieden. In sommige gevallen komt er een hinderlijke uitzetting van de bloedvaten in de zaadbal voor. Een dergelijke spatader (varicocele) is met echografie zeer goed af te beelden.


PSA-waarde (ProstaatSpecifiek Antigeen)

PSA is een specifiek eiwit (enzym) dat wordt gemaakt in de klieren van de prostaat. Het is een 'glycoproteïne' en het is in 1970 ontdekt. PSA is ook bekent onder de naam humaan kallikreïne 3 (HK3).
De functie van PSA is om te zorgen dat het sperma vloeibaar is zodat de zaadcellen zich makkelijk kunnen bewegen. Het hoogste gehalte PSA komt voor in de zaadblaasjes en het is in grote hoeveelheden aanwezig in sperma. In de prostaat zelf is het PSA-gehalte veel lager. Vanuit het prostaat lekt er (via lekkanaaltjes in de prostaat) ook PSA naar het bloed. Daarom kan de PSA-waarde dus ook door een bloedonderzoek worden gemeten.

PSA-waarde bij prostaatkanker

Normaal gesproken zit er maar weinig PSA in uw bloed. Als er meer PSA in uw bloed zit dan normaal is, dan kan dat een teken zijn van prostaatkanker, maar het komt ook voor bij een goedaardige prostaatvergroting, een urineweginfectie of een prostaatontsteking. Daarom is er altijd aanvullend onderzoek nodig na een verhoogde PSA-waarde.

Kankercellen in de prostaat produceren ook PSA. Meestal bevinden de kankercellen zich op plaatsen in de prostaat waar ze makkelijk kunnen lekken via de lekkanaaltjes. Naarmate de prostaatkanker agressiever wordt lekt er relatief minder PSA naar de bloedbaan. Een hoge PSA-waarde bij de eerste diagnose betekent dus niet dat het om een heel agressieve vorm van kanker gaat, eerder omgekeerd, vooropgesteld dat de prostaatkanker zich nog geheel binnen de prostaat bevindt.

Normaal-waarde

De normale hoeveelheid PSA die wordt gevonden in het bloed is afhankelijk van verschillende factoren. Hierbij zijn de leeftijd, de grote van de prostaat en de aanwezigheid van prostaatkanker van belang. Bij het ouder worden neemt het lekken van PSA naar de bloedbaan in het algemeen toe.

Tabel: normaalwaarden van psa gerelateerd aan leeftijd

Tabel normaalwaarden psa gerelateerd aan leeftijd

Een echte normale waarde voor PSA bestaat niet. De PSA wordt gebruikt om aannemelijk te maken of er in de prostaat ook prostaatkanker aanwezig is. Naarmate het PSA lager is, is de kans op het bestaan van prostaatkanker ook lager. Het volgende tabelletje toont dit aan.

Tabel: Het voorkomen van prostaatkanker bij mannen met een PSA-waarde lager dan 4 ng/ml.









Een grotere lekkage of hogere productie van PSA in de prostaat komt tot uiting als een hogere PSA-waarde. De PSA-waarde is dan ook niet specifiek voor prostaatkanker. Hoewel PSA geen zekerheid geeft over de aanwezigeid van prostaatkanker, is het toch goed bruikbaar als 'tumormaker'. Het kan gerelateerd worden aan het voorkomen van een tumor.

Redenen voor PSA-onderzoek

  • Op verzoek van de patiënt (nadat deze uitgebreid is voorgelicht).
  • Plasklachten LUTS (lower urinary tract symptoms).
  • Afwijkingen bij onderzoeken van de prostaat.
  • Botpijn, voornamelijk in de rug.
  • Niet te verklaren verslechtering van de gezondheid, verminderde eetlust, gewichtafname en bleekheid.
  • Spontane trombo-embolie in het been (afsluiting bloedvat door bloedstolsel)
  • Om de ontwikkeling van prostaatkanker te volgen.

PSA verdubbelingstijd

De PSA verdubbelingstijd is de tijd die nodig is om een verdubbeling van de PSAwaarde in het bloed te veroorzaken. Deze waarde wordt gebruikt om aan te geven hoe snel de prostaatkanker groeit.
Prostaatkanker is een verzameling cellen. Cellen groeien door celdeling, de tijd die daar voor nodig is noemen we een 'delingscyclus'. Bij snelgroeiende cellen is de delingscyclus kort. Als een tumor heel langzaam groeit, is de delingscyclus lang.
De PSA verdubbelingstijd wordt gebruikt om de groeisnelheid van de cellen in beeld te brengen.
Sneldelende prostaatkanker vragen om een agressieve therapie. Bij langzaam groeiende prostaatkankers wordt vaak afgewacht.

PCA3-test

De PCA3 test is een test die een bepaald genetisch materiaal (RNA - het prostaatkanker antigeen 3) kan aantonen in de urine. Het gen, de PCA3, komt gemiddeld 60 tot 100 keer meer voor bij patiënten met prostaatkanker.
De test wordt uitgevoerd door urine te onderzoeken nadat de prostaat via de anus is gemasseerd. Hierdoor gaan kankercellen vanuit de prostaat naar de plasbuis. Direct hierna wordt de urine opgevangen en die wordt onderzocht in een laboratorium.
De test is nog relatief nieuw. Er wordt gezegd dat deze test op dit moment een resultaat haalt van rond de 70%. Dat wil zeggen dat van de 100 mannen die een positief PCA3 hebben er 30 uiteindelijk geen prostaatkanker hebben.Dat betekent dat de test nauwkeuriger is dan de bepaling van de PSA-waarde. Er moet echter nog meer ervaring worden opgedaan met deze test. De test is dan ook nog niet in alle klinieken beschikbaar.

Screening op prostaatkanker in bevolkingsonderzoek

Voor verschillende soorten kanker wordt er momenteel een bevolkingsonderzoek (screening) gedaan. Voor deze kankersoorten heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat de screening zorgt dat de mensen bij wie de kanker wordt ontdekt betere overlevingskansen, behandeling en kwaliteit van leven zullen hebben. Voor prostaatkanker is dit nog niet wetenschappelijk onderbouwd.
In Amerika wordt het screenen op prostaatkanker geadviseerd bij mannen ouder dan 50 jaar. Er is echter ook daar geen gestructureerd bevolkingsonderzoek.
Bij mannen die tot een risicogroep behoren (voorkomen van prostaatkanker in de familie, plasklachten, bloed in sperma) wordt geadviseerd om een PSA-test te laten doen.

De vraag om op 50 jarige leeftijd een screening voor prostaatkanker te doen is niet zonder gevaar. Hoewel het onderzoek naar PSA simpel is, kan hiermee de prostaatkanker niet worden vastgesteld. Indien het PSA verhoogd is, zal het nemen van een biopt (weefsel) van de prostaat moeten volgen. Dit onderzoek heeft ongeveer 1 % risico op ernstige infecties. Daarnaast is regelmatig sprake van bloeding en mildere infectie. Deze bijwerkingen moeten echter op de koop worden toegenomen indien er een daadwerkelijke reden is om actief te zoeken naar het bestaan van prostaatkanker.
Voordat echter, zonder duidelijke reden, wordt gekozen voor het doen van onderzoek naar het bestaan van prostaatkanker is het nodig enig begrip te hebben voor een ander risico. Op dit moment is de wetenschap nog niet in staat, om bij het vinden van prostaatkanker, het onderscheid te maken tussen een gevaarlijke prostaatkankersoort, die zonder behandeling zou leiden tot overlijden van de patiënt, en een ongevaarlijke prostaatkankersoort. De ongevaarlijke soort zou zonder behandeling onopgemerkt in het lichaam van de man aanwezig blijven tot deze op hoge leeftijd (aan een andere aandoening) overlijdt.
Indien prostaatkankerscreening leidt tot het nemen van weefselbiopten kan de prostaatkanker worden gevonden. Dit kan een onschuldige variant zijn. Omdat dit niet wordt herkend kan de arts voorstellen om een behandeling te starten. Deze behandeling is soms dus onnodig en kan leiden tot vervelende bijwerkingen. Dat is het gevaar van screening voor prostaatkanker.

Momenteel zijn er verschillende, grote wetenschappelijke onderzoeken bezig om deze moeilijke vraag op te lossen. De grootste hiervan is de ERSPC-studie die wordt georganiseerd vanuit Rotterdam. Deze studie probeert een antwoord te geven op de zin of onzin van screening voor prostaatkanker. Definitieve uitkomsten van deze studie worden in de nabije toekomst verwacht.

Huisatsenbulletin 2008 februari

  • Proef met avondspreekuren in het Slingeland Ziekenhuis
  • Opening nieuwe polikliniek plastische chirurgie
  • Zorgportaal: digitaal afspraken maken voor spreekuren
  • Nieuwe patiëntenfolder valkliniek
  • Géén casuïstiekbespreking palliatieve geneeskunde
  • Arts-assistenten
  • Benoeming klinisch chemicus
  • Apotheek
  • Diensten Cardiologen, Chirurgen, Internisten en Longartsen

Proef met avondspreekuren in het Slingeland Ziekenhuis

Een goede service voor de patiënten heeft in het Slingeland Ziekenhuis voortdurend de aandacht en waar mogelijk worden verdere verbeteringen aangebracht. Een nieuw initiatief is het houden van avondspreekuren. Vanaf 4 maart a.s. wordt hiermee een proef gedaan op elke dinsdagavond van 17.30 uur tot 20.30 uur. Patiënten kunnen hiervoor nu al een afspraak maken. Deze proef duurt tot 1 juli a.s. In juni 2008 zal de directie besluiten of vanaf 1 september 2008 definitief avondspreekuren worden ingevoerd. In de zomerperiode worden dus geen avondspreekuren gehouden; ook in de toekomst zal dit niet het geval zijn.De verwachting is dat avondspreekuren tegemoet zullen komen aan de behoefte van de patiënten en zullen bijdragen aan korte toegangstijden. De volgende specialismen doen in ieder geval mee aan de proef: cardiologie, klinische geriatrie, interne geneeskunde, kaakchirurgie, kindergeneeskunde, KNO, plastische chirurgie en urologie.Bij de meeste specialismen kunnen alle patiëntencategorieën terecht. De kaakchirurgen beperken zich echter nadrukkelijk tot poliklinische behandelingen (dus geen controles, geen spoed en geen implantaten). Om de patiënten een zo breed mogelijk pakket aan te bieden en daar waar mogelijk een one-stop-shop te realiseren, zijn de volgende ondersteunende afdelingen tijdens het avond­spreekuur eveneens geopend: laboratoria (prikposten), radiologie (buckykamer), preoperatief spreekuur, polikliniek cardiologie (ECG’s) en afsprakenbalie (ponsplaatjes).

Opening nieuwe polikliniek plastische chirurgie

De plastisch chirurgen, de heer P.P.G.M. Kouwenberg en J. Osinga, zijn trots op de nieuwe polikliniek plastische chirurgie. Ter gelegenheid van de opening van deze polikliniek willen zij belangstellenden uitnodigen voor een mini-symposium over de vele interessante mogelijkheden die de plastische chirurgie biedt.Het minisymposium zal gehouden worden op donderdag 27 maart 2008 in het auditorium van het Slingeland Ziekenhuis.

Programma

  • 17.00 uur Opening
  • 17.05 uur Plastische chirurgie: indicaties en therapiemogelijkheden
  • 17.15 uur Chirurgische therapie van huidtumoren
  • 17.25 uur Borstreconstructies
  • 17.35 uur Esthetische chirurgie
  • 17.45 uur Handchirurgie
  • 17.45 uur Sluiting.

Na afloop van het symposium wordt u uitgenodigd voor een bezichtiging van de nieuwe polikliniek in het souterrain van het ziekenhuis.

Op zaterdag 29 maart a.s. is er op de nieuwe polikliniek plastische chirurgie een Openmiddag. Patiënten en belangstellenden zijn dan welkom om een kijkje te komen nemen.

Röntgenonderzoek mammografie

Op de afdeling radiologie is geconstateerd dat er wel eens onduidelijkheid bestaat over het aanvragen van mammografie-onderzoeken voor patiënten die zwanger zijn of borstvoeding geven. Daarom worden de bijzonderheden nog even op een rij gezet.
  • 1e categorie.
    Bij een patiënt die zwanger is of borstvoeding geeft en een palpabele afwijking heeft, wordt primair een echografie-onderzoek gedaan eventueel gevolgd door een x-mammografie. Dit in verband met de hoge dichtheid van het borstweefsel.
  • 2e categorie.
    Bij een patiënt die zwanger is of borstvoeding geeft zonder palpabele afwijking of reguliere controle vanwege familiaire belasting, wordt pas een x-mammografie gedaan zes maanden na het stoppen met borstvoeding. Dit in verband met de hoge dichtheid van het borstweefsel.
Wilt u hiermee s.v.p. rekening houden bij uw aanvraag voor röntgenonderzoek.

Zorgportaal: digitaal afspraken maken voor spreekuren

De voorbereidingen voor de invoering van CS-Zorgportaal binnen het automatiserings­systeem van het ziekenhuis zijn in volle gang. Door middel van deze applicatie kunnen patiënten straks van huis uit via internet eenvoudig afspraken maken voor de poliklinische spreekuren van specialisten in het Slingeland Ziekenhuis. Ook kunnen zij deze afspraken dan zelf wijzigen of annuleren. De patiënten worden daarna per e-mail herinnerd aan de gemaakte afspraak. Het idee is dat het aantal patiënten dat niet verschijnt op het spreekuur hierdoor zal verminderen. In januari 2008 is een pilot met Zorgportaal gestart op de polikliniek orthopedie. Het is de bedoeling om na afloop van deze pilot de applicatie Zorgportaal geleidelijk op alle poliklinieken in te voeren.

Nieuwe patiëntenfolder valkliniek

De valkliniek van de vakgroep klinische geriatrie in het Slingeland Ziekenhuis biedt multidisciplinaire dagklinische diagnostiek (duur: circa een halve dag) voor patiënten van 65 jaar en ouder, die recent voor de eerste keer zonder duidelijke oorzaak of aanleiding zijn gevallen. Als er sprake is van specifieke oorzaken voor vallen, is behandeling en voorlichting als secundaire preventie uiteraard van groot belang. Naast diagnostiek, wordt daarom ook veel aandacht geschonken aan valpreventie. In dit verband wordt u graag nog eens gewezen op de valpreventiecursussen die inmiddels beschikbaar zijn via Medi-Fit Doetinchem en via fysiotherapiepraktijk Antonia Terborg. Hier krijgen ouderen in groepsvorm valpreventietraining met een cursorische opzet.Voor de patiëntenvoorlichting zijn via de valkliniek al langere tijd folders beschikbaar over “Orthostatische hypotensie” en “Postprandiale hypotensie”. Recent is hieraan de folder “Flauwvallen (syncope)” toegevoegd. Hierin krijgen patiënten met dit probleem uitleg over het ontstaan en de mogelijke oorzaken van syncope en worden adviezen ter preventie of vermindering van de klachten gegeven. De folder is uiteraard ook geschikt voor jongeren met syncope(neiging). Een exemplaar van deze nieuwe folder is ter informatie bij dit bulletin gevoegd. U kunt deze op de gebruikelijke wijze bestellen bij het centraal magazijn van het ziekenhuis, onder nummer 1235-okt 07. Uiteraard kunt u de folder ook inzien via de website van het ziekenhuis.

Géén casuïstiekbespreking palliatieve geneeskunde

In verband met de voorjaarsvakantie, wordt er in de maand februari 2008 géén casuïstiekbespreking palliatieve geneeskunde georganiseerd.

Arts-assistenten

Per 1 februari 2008 hebben de arts-assistenten mevrouw L. Fievez (tropenopleiding) en mevrouw E. de Jong (ICU) het ziekenhuis verlaten. Mevrouw J. Deurman is per die datum begonnen als arts-assistent voor de tropenopleiding.

De afgelopen maanden zijn er verschillende wisselingen geweest bij de arts-assistenten. Voor uw informatie volgt onderstaand een overzicht van de arts-assistenten die per 1 februari 2008 in het ziekenhuis werken.

Interne/cardiologie/longziektenHeelkunde
* mevr. M. Assink (interne)* mevr. A. Başoğlu
* mevr. D. Berendsen (interne)* de heer J. Beekhuis (tropenopleiding)
* de heer B. van Heumen (interne)* mevr. L. le Blanc
* mevr. D. Huis in ’t Veld (in opl. interne)* mevr. M. Bogchelman (HAIO)
* mevr. J. Kleinnijenhuis (in opleiding. interne)* mevr. J. Deurman (tropenopleiding)
* mevr. M. Kouwenberg (interne)* mevr. S. Dodemont
* mevr. E. Kuip (in opleiding interne)* de heer M. de Jong
* mevr. J. Semeleer (interne)* de heer R. Meester (tropenopleiding)
* de heer D. Smits (in opleiding interne)* de heer R. Vossenkaul
* de heer C. Smolders (in opleiding interne)
* mevr. M. Sonderen (in opl. interne)Plastische chirurgie
* mevr. L. Stikkelbroeck (in opleiding interne)* de heer R. Genders
AnesthesiologieUrologie
* de heer M. Crommentuyn* mevr. C. Peterson

Benoeming klinisch chemicus

De directie heeft op voordracht van de medische staf, de heer dr. M.P. (Martin) Schuijt benoemd tot klinisch chemicus. Hij is daarmee de opvolger van de heer T. van Buul, die het ziekenhuis al geruime tijd geleden heeft verlaten.De heer Schuijt begint zijn werkzaamheden in het Slingeland Ziekenhuis per 1 mei 2008. Hij heeft dan zijn opleiding tot klinisch chemicus in het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen afgerond. De heer Schuijt is binnen de klinische chemie extra geïnteresseerd in de endocrinologie en het optimaliseren van de (pre)analytische processtromen binnen en buiten het laboratorium.Hij heeft de studie scheikunde gevolgd aan de Universiteit van Utrecht en heeft daarna vier jaar in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam gewerkt als assistent in opleiding bij de afdelingen inwendige geneeskunde en farmacologie. In die tijd is hij gepromoveerd op het proefschrift “Tissue angiotensin II: A matter of location”. Vervolgens is hij begonnen aan de opleiding tot klinisch chemicus.

Apotheek

  • Leiding apotheek.
    Mevrouw F.C.A. Tabbers is sinds 1 januari 2008 professioneel hoofd apotheek. Zij heeft deze functie overgenomen van de heer H.J.W. van der Paauw, die werkzaam blijft als ziekenhuisapotheker. De heer J. van der Elsen is organisatorisch hoofd apotheek.
  • Laboratorium apotheek.
    Vanaf 1 februari 2008 is het klinisch farmaceutisch laboratorium (apotheek) organisatorisch en fysiek geïntegreerd in het klinisch chemisch en hematologisch laboratorium. De ziekenhuisapotheek blijft professioneel eindverantwoordelijk voor de bloedspiegelbepalingen en toxicologie.

Diensten cardiologen, chirurgen, internisten, en longartsen

Datum CardioloogChirurgInternistLongarts
Vrijdag 8 februari 2008TerpstraScharnMullerJansons
Zaterdag 9 februari 2008TerpstraV. EngelenburgMullerJansons
Zondag10 februari 2008TerpstraScharnMullerJansons
Maandag11 februari 2008DeppenbroekReijndersVan ArkelBosman
Dinsdag12 februari 2008TerpstraScharnEngbersenKluge
Woensdag13 februari 2008TerpstraVan der MeerMuddeJansons
Donderdag14 februari 2008Van HalV. EngelenburgMullerBosman
Vrijdag15 februari 2008DrostCechHuussenKluge
Zaterdag16 februari 2008DrostReijndersHuussenKluge
Zondag17 februari 2008DrostVan der MeerHuussenKluge
Maandag18 februari 2008Van HalCechVan ArkelJansons
Dinsdag19 februari 2008DrostScharnMuddeKluge
Woensdag20 februari 2008DrostSeegersVan ArkelJansons
Donderdag21 februari 2008JansenVan der MeerDe VriesBosman
Vrijdag22 februari 2008UitdehaagVan LammerenKleinBosman
Zaterdag23 februari 2008UitdehaagLemsonKleinBosman
Zondag24 februari 2008UitdehaagVan LammerenKleinBosman
Maandag25 februari 2008JansenV. EngelenburgEngbersenJansons
Dinsdag26 februari 2008DeppenbroekCechKleinBosman
Woensdag27 februari 2008UitdehaagVan LammerenDe VriesJansons
Donderdag28 februari 2008TerpstraReijndersEngbersenBosman
Vrijdag29 februari 2008DeppenbroekSeegersDe VriesJansons
Zaterdag 1 maart 2008DeppenbroekV. Engelenburg Jansons
Zondag 2 maart 2008Deppenbroek Jansons

Renografie

Een renografie (renogram) is een nucleair geneeskundig onderzoek. De arts kan naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek beoordelen hoe de nieren functioneren.
Bij dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van (licht) radioactieve stoffen. De radioactieve stof wordt ingespoten bij de patiënt.


Functie van de nieren

Een goed functionerende nier zal snel de radioactieve stof uit het bloed filteren en uitscheiden in de urine. De snelheid en efficiëntie waarmee de nier dit doet kan worden vastgelegd in een serie foto’s. Zo kan de nierfunctie van de rechter met de linker nier vergeleken worden. Ook kan verminderde afvoer van urine door een vernauwing of belemmering in de urineleider (obstructie) worden vastgelegd.

Zie folder: Scintigrafie-onderzoeken

CT-scan van de buik

De buikoverzichtsfoto is een röntgenfoto van de buik. Door middel van röntgenstralen worden foto’s gemaakt om een algemene indruk te krijgen van de organen in de buik. Op deze opnamen zijn kalkachtige structuren (botten) in de buik goed te zien, zoals de rug, het bekken en de onderste ribben. Ook verstoppingen van de darmen zijn er op te zien.
In de flanken (zijkant) naast de wervelkolom zitten de nieren. Deze zijn nauwelijks zichtbaar op een röntgenfoto. Maar als in de nieren nierstenen zitten die kalk bevatten zijn deze op een foto wel goed zichtbaar. Ook blaasstenen zijn op een buikoverzichtsfoto goed te zien. Als een steen zich door de urineleider naar beneden verplaatst, is dit op deze röntgenfoto’s te volgen.

Om een CT-scan te maken, ligt de patiënt op een tafel die in een soort ring wordt geschoven. In deze ring bevindt zich een ronddraaiende buis die röntgenstralen uitzendt. Met behulp van de computer kan zo de dwarsdoorsnede van het lichaam in beeld worden gebracht. Deze informatie wordt door de computer omgezet in verschillende afbeeldingen.

Gebruikelijk is om naar schijfjes “mens” te kijken. Deze kunnen dwars of over de lengte weergegeven zijn. Door meerdere 'schijfjes' op een rij weer te geven, ontstaat een drie dimensionaal beeld van de verschillende organen en hun verhoudingen. Verschillende afwijkingen kunnen hierop worden beoordeeld.

De Computer Tomografie (CT-scan) van de buik geeft onder andere een goede afbeelding van de urinewegen. Deze kan nog verder verbeteren door via een bloedvat in de arm contrastmiddel toe te dienen, wat zo in de nieren terecht komt. Zwellingen, stenen, vormafwijkingen, aangeboren afwijkingen en ander problemen zijn met de CT-scan goed zichtbaar.
Het is niet zo dat alle ziekten of symptomen door deze scan kunnen worden verklaard. Daarnaast is dit onderzoek belastend voor de patiënt. De patiënt wordt blootgesteld aan een grote hoeveelheid röntgenstraling en er is veel contrastmiddel nodig om een goede afbeelding te krijgen.

Een CT-scan biedt niet alleen informatie over de organen die de arts wil zien, maar biedt ook informatie over de andere organen. Deze worden namelijk ook vastgelegd. De uitkomsten van de CT-scan bieden de mogelijkheid om de afbeeldingen in allerlei richtingen weer te geven. Zo kan bijvoorbeeld een drie dimensionale weergave van de urineweg worden gecreëerd. Soms is dit een handige manier om diagnostiek en behandelingsmogelijkheden te verduidelijken.

Meer informatie over dit onderzoek leest u in de folder CT-scan.


Filmpje Een CT-scan, wat kunt u verwachten.

Intraveneus urogram (IVU)

Een intraveneus urogram is een techniek waarbij de urinewegen (nieren, urineleiders en blaas) worden gevuld met contrasthoudende urine. Hierdoor zijn de urinewegen op de röntgenfoto van de buik goed zichtbaar.

Via een infuus in de arm komt de contrastvloeistof in de bloedbaan terecht. De nieren filteren het bloed en zo wordt het contrastmiddel uit het bloed gehaald en komt het in de urine terecht. De nieren en de urine zijn hierdoor goed zichtbaar op de röntgenfoto. Op deze manier worden stenen, vormafwijkingen en tumoren van de urinewegen in beeld gebracht.


Bijwerkingen

Contrastvloeistof kan bijwerkingen hebben. Een klein percentage van de patiënten blijkt overgevoelig te zijn. Er kan een allergie tegen het contrastmiddel ontstaan. Wanneer dit bij u het geval is of als bij een eerder röntgenonderzoek is gebleken dat u overgevoelig bent voor contrastmiddelen, moet u dit melden. Dit middel mag dan niet meer worden toegediend.

Daarnaast is het filteren van het contrastmiddel uit het bloed belastend voor de nieren. Als de nierfunctie niet goed is moet dit worden vermeden omdat de nierfunctie hierdoor tijdelijk kan verminderen. Dit kan je voorkomen door veel water te drinken.

Meer informatie staat in de folder: ‘Voorzorgsmaatregelen bij radiologisch onderzoek met jodiumhoudend contrastmiddel’.

Urineonderzoek op sediment

Het urineonderzoek op sediment (microscopisch onderzoek) is een eenvoudig onderzoek om te zien of er bloedcellen of bacteriën in de urine zitten. Hierbij wordt de urine in een buis gecentrifugeerd waardoor alle deeltjes (sediment) naar de bodem van de buis gaan. Een kleine druppel van dit sediment wordt vervolgens onder de microscoop geanalyseerd op de aanwezigheid van bacteriën, rode en witte bloedcellen.


Op basis van de uitslag van dit onderzoek kan de uroloog beslissen of er verder urineonderzoek moet plaatsvinden.
Verder onderzoek zou bijvoorbeeld een onderzoek naar het soort bacteriën kunnen zijn (urine op kweek) of “cytologie” (onderzoek naar kwaadaardige cellen) kunnen zijn.

De uroloog kan ook besluiten dat een nier-, blaas- of prostaatonderzoek nodig is.
Het urineonderzoek wordt gedaan door het Klinisch Chemisch laboratorium van het ziekenhuis.
De patiënt moet voor dit onderzoek urine inleveren. Een sediment-onderzoek wordt gedaan met urine die maximaal 2 uur oud is.

Aangeboren kromme penis

In zeldzame gevallen worden mannen geboren met een verkromming van de penis. Bij de aangeboren kromstand gaat het meestal om een kromming van de eikel naar beneden. Dit wordt vaak pas ontdekt in de pubertijd wanneer interesse in seks ontstaat en vergelijking met andere stijve penissen mogelijk wordt. Ook de ontdekking dat penetratie niet mogelijk is kan een reden zijn om naar een arts te gaan.

Oorzaak

De kromming van de eikel wordt veroorzaakt door stug weefsel dat zich aan de onderkant (in stijve toestand aan de voorkant) van de penis rondom de plasbuis bevindt. Hierdoor gedraagt de plasbuis zich als de pees van een gespannen boog die de zwellichamen kromtrekt.
In uitzonderlijke gevallen ontstaat er een draaïng of scheefstand van de penis doordat een van beide zwellichamen in groei achterblijft en minder in grootte kan toenemen dan de andere zijde.

Behandeling

Deze kromstand kan alleen met een operatie worden gecorrigeerd. Hierbij wordt het stugge weefsel weggehaald en kan de penis weer recht zwellen. Soms is het nodig de zwellichamen iets in te korten, zodat ook een laatste kromming nog kan worden rechtgetrokken.

Erectiestoornissen

Impotentie betekent dat je als man geen stijve penis kunt krijgen. Het heeft weinig te maken met mannelijkheid, vruchtbaarheid of kunnen klaarkomen. Sinds de komst van Viagra is praten over erectiestoornissen en impotentie veel makkelijker geworden. Mannen realiseren zich steeds meer dat het geen ontwikkeling is die ze maar voor lief moeten nemen. En ook vrouwen sturen hun man vaker naar de dokter voor een oplossing. Met het openbreken van dit taboe werd al snel duidelijk dat impotentie een veel voorkomend probleem is.

Er is veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar erectieproblemen en impotentie. Zo is een beter inzicht in de oorzaken en behandelingen van erectieproblemen ontstaan. Duidelijk werd dat oudere mannen een reeks problemen ontwikkelen, waaronder erectiestoornissen, die allemaal te maken hebben met het mannelijk hormoon testosteron en het vaatstelsel (bloedvaten).

De erectie

Erecties zijn voornamelijk het gevolg van een goede doorbloeding van de penis. Het bloed moet er in voldoende mate in kunnen stromen. Als het bloed in de zwellichamen van de penis is gestroomd, moet het daar ook vastgehouden worden.

De afvoerende bloedvaten (venen) zijn in staat zich deels af te sluiten zodat het bloed in de penis blijft en een goede drukopbouw mogelijk is. Deze mechanismen worden gedeeltelijk geregeld door de zenuwen die naar de penis lopen (nervi erigendi).
Verminderde opwinding kan het ontstaan van een erectie sterk afremmen.
Een erectie is het gevolg van opwinding, wat een psychologische toestand is die wordt beïnvloed door hormonen.

Oorzaken erectiestoornis

Om een erectiestoornis te kunnen behandelen is het nodig de oorzaak van impotentie vast te stellen. Deze is vaak het gevolg van meerdere factoren:
  • Problemen die te maken hebben met het mannelijke hormoon testosteron ( zie ook laag testosterongehalte).
  • Problemen met het vaatstelsel in de penis: Vernauwingen van de bloedvaten, zoals we die zien bij rokers en patiënten met suikerziekte en een te hoog cholesterolgehalte, kunnen uiteindelijk ook leiden tot impotentie.
  • Aantasting van de zenuwen die langs het prostaat lopen (nervi erigendie). Deze zenuwen worden bij operaties in het bekken soms beschadigd. Ook zenuwziekten en suikerziekte (diabetes) kunnen deze zenuwen aantasten zodat impotentie ontstaat.
  • Verminderde opwinding door afleiding, ruzie, frustratie, slechte seksuele ervaringen trauma’s.

Seksuoloog

Vaak zijn psychische en relationele factoren een oorzaak voor een erectiestoornis. Denk aan faalangst nadat het een keer niet lukte. De seksuoloog kan deze problemen het beste behandelen.

Medicijnen PD5-remmers

Als de oorzaak van de erectiestoornis te maken heeft met het slecht vasthouden van het bloed in de zwellichamen, dan kunnen medicijnen als Viagra en andere PD5 remmers (Levitra, Cialis) worden voorgeschreven.
De PD5-remmers geven vaak een gunstig resultaat. Er zijn nagenoeg geen redenen waarom deze medicijnen niet gebruikt mogen worden. Alleen hartpatiënten die worden behandeld met medicijnen die nitraten bevatten wordt afgeraden om deze medicijnen te gebruiken.

De PD5-remmers creëren geen stijve penis. Ze verbeteren de erectie. Er is dus een normale opwinding nodig.
Als bijwerking wordt vaak een rood hoofd en soms hoofdpijn genoemd.

Injectie

Hardnekkige impotentie kan worden aangepakt met een injectie van papaverine / fentolamine in de zwellichamen.
Na een eerste injectie door de uroloog worden de effecten bekeken. Bij een goed resultaat leert de patiënt om zichzelf een injectie toe te dienen.

Vacuümpomp

Als andere therapieën niet werken is de vacuümpomp misschien een oplossing. Deze buis schuift over de penis en vervolgens wordt de lucht eruit gehaald (vacuüm). Hierdoor stroomt het bloed de penis in. Als dit tot een erectie leidt wordt de basis van de penis afgesloten door hier een elastische ring overheen te schuiven. Deze ring voorkomt dat het bloed uit de penis stroomt en de erectie verdwijnt.

Penisprothese

Ook is het mogelijk om een penisprothese aan te leggen. Hiervoor is een operatie van de penis noodzakelijk. Er worden dan twee buisjes in de zwellichamen van de penis gebracht. Hierbij zijn er twee mogelijkheden:
  • De ‘semi-rigide prothese’ is altijd stijf en kan alleen in stand variëren.
  • De opblaasbare prothese is de meest gebruikte. De twee buizen die in de zwellichamen zijn gebracht kunnen zich vullen met vloeistof. Ze zijn aangesloten op een reservoir dat in de buik wordt gelegd. In de balzak zit een pompje om vloeistof van de prothese naar het reservoir en weer terug te pompen. Zo wissel je van erectie naar slappe toestand en omgekeerd.

 

Blaaspijnsyndroom

Interstitiële cystitis (IC) is een zeldzame en pijnlijke vorm van chronische (langdurige) blaasontsteking (cystitis) die vooral bij vrouwen voorkomt (90% van de patiënten is vrouw).
Bij het blaaspijnsyndroom is de wand van de blaas geïrriteerd waardoor deze minder gemakkelijk oprekt en de capaciteit van de urineblaas afneemt. Daardoor treedt het pijnlijke ‘volle blaas gevoel’ sneller op.

Klachten

Kenmerkende klachten zijn:
  • vaak aandrang om te plassen;
  • vaak plassen;
  • pijn in de onderbuik.
Soms ontstaan de klachten ineens zonder duidelijke aanleiding, maar ze kunnen ook beginnen na een operatie (vooral na operaties aan de baarmoeder). IC wordt ook wel het pijnlijke blaas-syndroom genoemd.

Verschijnselen

Een blaas waarin zich langdurig een ontsteking in de blaaswand bevindt, is zeer gevoelig. Zowel het plassen als het ophouden van de plas doet pijn. Het pijnlijke gevoel van een volle blaas treedt steeds sneller op en de patiënt moet steeds vaker plassen. De pijn beperkt zich niet alleen tot de blaas, ook de plasbuis en de vagina of penis zijn pijnlijk. Er is sprake van een branderig gevel in het gebied rondom de geslachtsorganen, uitstralend naar de onderbuik, rug en soms ook de benen. Dit kan leiden tot het gebruik van veel pijnstillers door de patiënt.

Deze aandoening kan sociale en psychische problemen veroorzaken. Mensen met IC worden bijvoorbeeld vaak beheerst door de vraag waar ze naar het toilet kunnen als ze niet thuis zijn.

Oorzaak

De oorzaak van deze blaasaandoening is onduidelijk. De ontsteking in de blaaswand is zichtbaar maar hoe deze wordt veroorzaakt is onbekend. Bacteriën of virussen zijn het zeker niet. Er wordt gedacht aan een auto-immuun ontsteking. Normaal gesproken beschermt het afweersysteem het lichaam tegen bepaalde stoffen van buitenaf, zoals virussen. Bij een auto-immuunziekte keert het afweersysteem zich tegen het eigen lichaam.
Een andere theorie is een vorm van ‘post-traumatische reflexdystrofie’. Een relatief ongevaarlijke aandoening zoals een simpele blaasontsteking kan een proces van ontregeling in gang zetten waardoor er een langdurige of steeds terugkerende ontsteking in de blaaswand ontstaat.

Diagnose

De meeste patiënten hebben al antibiotica kuren gehad zonder effect, voordat er aan IC gedacht wordt. Het lichamelijk onderzoek door de arts levert meestal geen aanwijzingen op.
Als de arts op basis van uw klachten vermoedt dat u interstitiële cystitis hebt, kan dit met verschillende onderzoeken verder worden onderzocht. De onderzoeken kunnen ook uitsluiten dat het om een andere aandoening of ziekte zou gaan.

Onderzoeken

Bij vrouwen is een inwendig onderzoek nodig om te kijken of de klachten niet veroorzaakt worden door probleem met de vagina of urinebuis. Onderzoek bij zowel mannen als vrouwen toont meestal een hoge spanning van de sluitspieren aan.
Verder onderzoekt de arts de urine om een infectie door bacteriën of blaaskanker uit te sluiten.

Cystoscopie

Om de diagnose te bevestigen kan een cystoscopie gedaan worden (kijkonderzoek in de blaas). De typische roodheid van een ontsteking in de blaas is niet altijd te zien. Soms ziet de arts een zweer (Ulcus van Hunner) op de plaats waar het slijmvlies van de blaas kapot is.

Provocatietest blaas

Als aanvulling op de cystoscopie kan op de operatiekamer onder narcose een provocatietest worden gedaan. Hierbij wordt de blaas helemaal gevuld met vloeistof en zo enige tijd onder spanning gehouden. Door de blaas plotseling te laten leeglopen ontstaat bij IC een zogenaamde huilende blaas. Overal zijn dan kleine bloedingen zichtbaar.

Bioptie blaaswand

Soms besluit de arts om stukjes weefsels weg te nemen (biopt) uit de blaaswand om te onderzoeken. Zo stelt hij vast hoe ernstig de ontsteking is en kan hij eventuele andere blaasziekten uitsluiten en de diagnose IC bevestigen.

Mogelijke behandelingen

Deze aandoening is niet te genezen, maar er zijn wel behandelingen om de klachten te verminderen.

  • Medicijnen
    Pijnmedicatie en ontstekingsremmers. Door medicatie zal de blaas ontspannen en aandrang te verminderen.
  • PTNS – neurostimulatie
    Bij PTNS worden de zenuwen die naar de blaas lopen door middel van elektrische prikkels gestimuleerd waardoor de aandrang vaak afneemt.
  • Blaasspoelingen
    Blaasspoelingen remmen de ontstekingen en/of herstellen de suikerlaag (Glycosaminoglycanen, GAG-laag).
  • Laserbehandeling
    De pijnplekken en zweren (Hunnerse laesie) in de blaas kunnen behandeld worden met een laser: laserbehandeling Hunnerse laesie.
  • Botox-injecties
    Botox-injecties in het blaasslijmvlies. Dit gebeurt op de operatiekamer.
  • Operatie
    In sommige gevallen wanneer de blaas ernstig is beschadigd, de blaascapaciteit sterk verminderd is en er sprake is van veel pijn, kan een operatie nodig zijn. De blaas wordt dan verwijderd. De uroloog legt dan een urinestoma aan of er kan een nieuwe blaas worden gemaakt van een stuk van de darm.

Behandelteam

Na het stellen van de diagnose beoordeelt de uroloog welke de factoren een rol spelen bij de ontsteking om de klachten te verminderen. De uroloog werkt hierbij samen met een behandelteam:

  • De gespecialiseerde verpleegkundige zal de patiënt intensief begeleiden en adviseren. Zij neemt testen af, doet onderzoeken en verzorgt blaastrainingen en blaasspoelingen.
  • De diëtist ondersteunt bij de behandeling omdat veel voedingsmiddelen IC kunnen uitlokken of verergeren. Stoppen met roken en geen koffie meer drinken zijn vaak de eerste effectieve maatregelen.
  • Een bekkenfysiotherapeut behandelt en adviseert over de benodigde therapieën voor IC patiënten. Door de pijn in het bekkengebied treedt hoge spierspanning op in de bekkenbodem. Dit zorgt ervoor dat het openen en sluiten van de bekkenbodem moeizaam gaat en dit geeft dus problemen met vrijen, plassen en poepen.
  • De seksuoloog en/of psycholoog worden soms betrokken bij de behandeling, vanwege de sociale en psychische belasting van deze aandoening.
  • Een pijnspecialist kan behulpzaam zijn bij het bestrijden van de pijn. Naast de moderne behandeling met pijnmedicatie zijn er ook andere manieren van pijnbestrijding (zennuwblokkades, acupunctuur) mogelijk.

Meer informatie

Kijk ook eens op:

Nierbekkenontsteking

Pyelonefritis is een ontsteking van de nier in het nierbekken. Deze urineweginfectie wordt net als een blaasontsteking, voornamelijk door bacteriën veroorzaakt.
Een nierbekkenontsteking ontstaat meestal door een blaasontsteking. Vanuit de blaas gaan de bacteriën via de urineleiders naar de nieren. Zo komen ze in het nierbekken. Het nierbekken is een holte in de nier. Daar veroorzaken de bacteriën een ontsteking in het nierweefsel.
Het is ook mogelijk dat de bacterie in de nier komt via het bloed. Bijvoorbeeld als deze eerst een keelontsteking veroorzaakte en dan via het bloed in de nier terecht komt.

Zie ook: Urineweginfecties


Symptomen

De klachten van een nierbekkenontsteking lijken op die van een blaasontsteking; pijn bij het plassen, kleine beetjes plassen en steeds aandrang voelen. Deze klachten zijn niet altijd aanwezig. De patiënt heeft bijna altijd hoge koorts. Daarnaast heeft deze ook last van koude rillingen en pijn in de zij of rug. Er is vaak sprake van misselijkheid en braken. Meestal zijn deze klachten vooraf gegaan door een blaasontsteking.

Nierbekkenontsteking komt meestal maar in één nier voor. Zo’n 80 % van de nierbekkenontstekingen wordt veroorzaakt door de E. coli bacterie die normaal in de darm voorkomt.

Behandeling

Als de nierbekkenontsteking nog niet heeft geleid tot ernstige ziekte, kan deze thuis worden behandeld met antibiotica. Deze antibioticakuur duurt minimaal tien dagen, waarbij de volledige kuur moet worden afgemaakt.

Als er sprake is van hoge koorts en de patiënt erg ziek is, geldt het advies om de behandeling in het ziekenhuis te starten. Antibiotica worden dan toegediend via een infuus zodat dit direct in het bloed terecht komt. Het is dan noodzakelijk om extra onderzoek te verrichten. Zo kunnen eventuele andere oorzaken en aandoeningen uitgesloten worden, zoals nierstenen of een uitgezette nier waardoor de urine niet naar de blaas kan afvloeien.

Als de behandeling met antibiotica binnen drie dagen geen verbetering oplevert, is verder onderzoek noodzakelijk. Behandeling van een ernstige nierbekkenontsteking wordt nog ongeveer veertien dagen voortgezet. Het is niet ongebruikelijk om nog weken daarna klachten van vermoeidheid te ervaren.

Urineweginfecties

Een infectie van de urineweg ontstaat als er te veel bacteriën in de plasbuis en de blaas terechtkomen. Hierdoor raakt het slijmvlies van de urinebuis of de blaas ontstoken (lage urineweg infectie). Als de bacterie in grote hoeveelheden op of in de slijmvliezen groeit, ontstaat er een ontstekingsreactie om deze bacteriën weg te krijgen. De symptomen van een ontstekingsreactie zijn roodheid en zwelling, in dit geval van de slijmvliezen in de plasbuis of blaas.

Een nierbekkenontsteking (pyelonefritis) ontstaat meestal door een blaasontsteking. Vanuit de blaas gaan de bacteriën via de urineleiders naar de nieren. Ze komen zo in het nierbekken. Het nierbekken is een holte in de nier. Daar veroorzaken de bacteriën een ontsteking in het nierweefsel. Het is ook mogelijk dat de bacterie in de nier komt via het bloed.

blaas en nieren (bron shutterstock)

Klachten blaasontsteking

In het geval van een blaasontsteking (cystitis) kunnen de volgende symptomen optreden:
  • vaak plassen, meestal maar kleine beetjes;
  • aandrangklachten, u heeft steeds het gevoel dat u moet plassen, ook na het plassen;
  • pijn in de onderbuik;
  • branderig gevoel in de plasbuis bij plassen;
  • bloed in de urine;
  • troebele en vies ruikende urine;
  • urineverlies.

Klachten nierbekkenontsteking

De klachten van een nierbekkenontsteking (Pyelonefritis) zijn hetzelfde als bij een blaasontsteking. Maar de patiënt heeft vaak ook hoge koorts, last van koude rillingen en pijn in de zij of rug, misselijkheid en braken. Meestal zijn deze klachten vooraf gegaan door een blaasontsteking. Nierbekkenontsteking komt meestal maar in één nier voor.

Oorzaak

De meeste urineweginfecties zijn het gevolg van bacteriën die via de plasbuis in de blaas terecht komen. De bacteriën die normaal in de darmen aanwezig zijn (Escherichia coli of ook wel E.coli), gaan vanuit het anale gebied naar de plasbuis en zo naar de blaas.

De bacterie hecht zich aan de blaaswand en veroorzaakt zo een ontsteking. Dit komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Omdat vrouwen een veel kortere plasbuis hebben, kunnen op deze manier gemakkelijker bacteriën in de blaas terecht komen. Bovendien liggen de vagina en de urinebuis dichter bij de anus dan bij mannen het geval is.
Ook is op deze wijze een infectie van de nieren via de urineleiders mogelijk.

Als de blaas niet helemaal leeg geplast wordt en bacteriën zo meer kans krijgen zich te vermenigvuldigen zal er sneller een urineweginfectie optreden. De behandeling richt zich dan eerst op het restant van de urine in de blaas (blaasresidu). Komt de blaasontsteking telkens terug, dan kan dit duiden op een afwijking aan de nieren of de urinewegen. De uroloog zal dit onderzoeken.

Urine-onderzoek

Als de arts deze symptomen herkent zal hij proberen de diagnose te bevestigen door urine te onderzoeken. In het laboratorium wordt onderzocht welke bacteriën in de urine aanwezig zijn (urineonderzoek op sediment). Ook wordt er direct getest of de aangetroffen bacterie gevoelig is voor de behandeling met een antibioticum.

Behandeling

Een urineweginfectie kan thuis worden behandeld met het juiste antibioticum. Waarschijnlijk verdwijnen de klachten dan al snel. Het is belangrijk dat de medicijnenkuur wordt afmaakt, ook als de klachten al eerder zijn verdwenen. Te snel stoppen met een antibioticum vergroot de kans dat de ontsteking terugkomt.

Als er sprake is van hoge koorts en de patiënt erg ziek is, geldt het advies om de behandeling van een nierbekkenontsteking in het ziekenhuis te starten. Antibiotica wordt dan toegediend via een infuus zodat dit direct in het bloed terecht komt. Het is dan noodzakelijk om extra onderzoek te verrichten. Zo kunnen eventuele andere oorzaken en aandoeningen uitgesloten worden, zoals nierstenen of een uitgezette nier waardoor de urine niet naar de blaas kan stromen.
Als de behandeling met antibiotica binnen drie dagen geen verbetering oplevert, is verder onderzoek noodzakelijk. Behandeling van een ernstige nierbekkenontsteking wordt nog ongeveer veertien dagen voortgezet. Het is niet ongebruikelijk om nog weken daarna klachten van vermoeidheid te ervaren.

Terugkerende urineweginfectie

Terugkerende (recidiverende) urineweginfecties kunnen het gevolg zijn van:
  • een nieuwe infectie waarbij een nieuwe bacterie de oorzaak is.
  • een bacterie die ongevoelig is voor het gekozen antibioticum.
  • moeilijk te behandelen bacteriële nesten, zoals bij chronische prostaatontsteking of urinewegstenen. Als de ene infectie de andere opvolgt is het nodig de oorzaak te achterhalen. Dit kan een afwijking zijn in de anatomie of het functioneren van de urinewegen. Er wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van stenen of tumoren. Ook wordt bekeken of de blaas goed leeg is na het plassen.

Bacteriurie

Bacteriurie is de aanwezigheid van bacteriën in de urine. Deze horen hier niet. Normaal gesproken is de urine vrijwel steriel. Bacteriurie komt echter vaak voor. Het kan zijn dat er ziekteverschijnselen (symptomen) worden ervaren. Meestal zijn deze er niet (asymptomatisch). Bij asymptomatische bacteriurie is er geen ontstekingsreactie van de slijmvliezen van de urinewegen. Deze vorm van bacteriurie hoeft niet behandeld te worden (tenzij dit optreedt bij een zwangerschap). Het lichaam kan in normale situaties de bacteriën zelf opruimen.

Algemene factoren die de kans op bacteriurie verhogen:
  • vrouw zijn
  • hoge leeftijd (ouderen)
  • lage oestrogeen status (menopauze)
  • zwangerschap
  • diabetes mellitus
  • eerdere urineweginfecties
  • oudere patiënten opgenomen in een verpleeghuis
  • katheter
  • stenen in de urineweg
  • structurele afwijkingen aan de urineweg en afwijkend plasgedrag
  • vergrote prostaat (prostaatlijden)

Pyurie

Pyurie is de aanwezigheid van witte bloedcellen in de urine. Dit is een teken dat de slijmvliezen van de urineweg een ontstekingsreactie doormaken. Dit is meestal het gevolg van bacteriële invasie. Er is dan sprake van een urineweginfectie.

Er zijn echter een aantal andere ziektebeelden waarbij, zonder dat er bacteriën aanwezig zijn, toch pyurie wordt gevonden. Er moet dan worden gedacht aan tuberculose, blaasstenen of kwaadaardige aandoeningen van de urineweg.

Gecompliceerde en ongecompliceerde urineweginfecties

Urineweginfecties kunnen zowel ongecompliceerd als gecompliceerd zijn.

Ongecompliceerde urineweginfectie:

Een ongecompliceerde urineweginfectie is een infectie die optreedt bij een patiënt (meestal bij vrouwen) die in principe een normaal afweersysteem heeft en geen ziekte of afwijkingen van de urinewegen heeft. Deze urineweginfecties reageren zeer snel op een korte kuur met een antibioticum.

Gecompliceerde urineweginfectie:

Bij gecompliceerde urineweginfecties kan de urineweg niet volledig normaal functioneren of zijn er anatomische afwijkingen aan de urinewegen. Ook kan er sprake zijn van andere oorzaken waardoor er een verminderde weerstand is (zoals diabetes mellitus en stoornissen aan het immuunsysteem).

Gecompliceerde urineweginfecties zijn moeilijker te behandelen. Antibiotica moet langer worden ingenomen door de patiënt. Er is een grotere kans op een nieuwe urineweginfecties, zolang de onderliggende oorzaak niet is aangepakt.

E. coli bacterie

Meer dan 85% van alle urineweginfecties ontstaan door de E.coli bacterie. Dit is een nuttige darmbacterie die van nature voorkomt in de dikke darm en daar zorgt voor de afbraak van schadelijke micro-organismen. Buiten de darmen is de E.coli minder onschuldig.
Als de bacterie via de urinebuis in de blaas terecht komt, kan hij urineweginfecties veroorzaken. De E.coli bacterie heeft celwanden die bekleed zijn met uitsteeksels, ‘pili’ genaamd. Deze werken als een soort klittenband en hechten zich vast aan de blaas en de urinewegen. Omdat ze zich vasthechten, zijn ze moeilijk weg te spoelen met de urine. Doordat de bacteriën kunnen overleven in de diepere slijmvlieslagen van de blaas zijn ze zelfs in staat antibiotica te trotseren.

Naast de E.coli worden de volgende bacteriën veel aangetroffen bij een urineweginfectie: staphylococcus saprophyticus, enterococcus faecalis, proteus mirabilis en klebsiella.

Advies en behandeling bij terugkerende blaasontsteking

  • Veel drinken.
  • Cranberry’s. In de schil van deze vruchten bevindt zich looizuur. Dit heeft een beschermende werking op de urineweg tegen infecties van de E. coli bacterie.
  • Vermijden van zaaddodende pasta (ook in condooms en pessarium). Deze middelen verminderen de hoeveelheid lactobacillen (melkzuurbacteriën) in de vagina. Daarmee krijgt de E. coli bacterie de kans om te groeien.
  • Oestrogeen behandeling. Als in de menopauze het vrouwelijke hormoon Oestrogeen vermindert, wordt het slijmvlies van de vagina en de plasbuis slechter van kwaliteit. Dit heeft een negatief effect op de hoeveelheid lactobacillen (melkzuurbacteriën) en geeft dus de E. coli meer kans om te groeien.
  • Lage dosis (onderhoudstherapie) antibiotica. Een lage dosis wordt gedurende 3 tot 6 maanden gegeven om de urine vrij van bacteriën te houden. Gedurende deze periode kan de blaas herstellen en zijn afweermechanisme opnieuw opbouwen.
  • Antibiotica na het vrijen. Vrijen kan een risicofactor zijn voor het ontstaan van blaasontstekingen. Indien er een duidelijke oorzaak is met vrijen is het mogelijk om na de geslachtsgemeenschap een dosis antibioticum te nemen.
  • Zelfstart behandeling. Indien een vrouw goed voelt aankomen wanneer een blaasontsteking ontstaat, kan zij direct beginnen met veel drinken, cranberry’s en antibiotica. De blaasontsteking wordt dan in een vroeg stadium de kop ingedrukt. Het grote voordeel is dat de schade, die door een blaasontsteking aan de verschillende afweermechanismen wordt toegebracht, veel minder groot is.


Urineweginfecties

Een infectie van de urineweg ontstaat als er te veel bacteriën in de plasbuis en de blaas terechtkomen. Hierdoor raakt het slijmvlies van de urinebuis of de blaas ontstoken (lage urineweg infectie). Als de bacterie in grote hoeveelheden op of in de slijmvliezen groeit, ontstaat er een ontstekingsreactie om deze bacteriën weg te krijgen. De symptomen van een ontstekingsreactie zijn roodheid en zwelling, in dit geval van de slijmvliezen in de plasbuis of blaas.

Een nierbekkenontsteking (pyelonefritis) ontstaat meestal door een blaasontsteking. Vanuit de blaas gaan de bacteriën via de urineleiders naar de nieren. Ze komen zo in het nierbekken. Het nierbekken is een holte in de nier. Daar veroorzaken de bacteriën een ontsteking in het nierweefsel. Het is ook mogelijk dat de bacterie in de nier komt via het bloed.

blaas en nieren (bron shutterstock)

Klachten blaasontsteking

In het geval van een blaasontsteking (cystitis) kunnen de volgende symptomen optreden:
  • vaak plassen, meestal maar kleine beetjes;
  • aandrangklachten, u heeft steeds het gevoel dat u moet plassen, ook na het plassen;
  • pijn in de onderbuik;
  • branderig gevoel in de plasbuis bij plassen;
  • bloed in de urine;
  • troebele en vies ruikende urine;
  • urineverlies.

Klachten nierbekkenontsteking

De klachten van een nierbekkenontsteking (Pyelonefritis) zijn hetzelfde als bij een blaasontsteking. Maar de patiënt heeft vaak ook hoge koorts, last van koude rillingen en pijn in de zij of rug, misselijkheid en braken. Meestal zijn deze klachten vooraf gegaan door een blaasontsteking. Nierbekkenontsteking komt meestal maar in één nier voor.

Oorzaak

De meeste urineweginfecties zijn het gevolg van bacteriën die via de plasbuis in de blaas terecht komen. De bacteriën die normaal in de darmen aanwezig zijn (Escherichia coli of ook wel E.coli), gaan vanuit het anale gebied naar de plasbuis en zo naar de blaas.

De bacterie hecht zich aan de blaaswand en veroorzaakt zo een ontsteking. Dit komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Omdat vrouwen een veel kortere plasbuis hebben, kunnen op deze manier gemakkelijker bacteriën in de blaas terecht komen. Bovendien liggen de vagina en de urinebuis dichter bij de anus dan bij mannen het geval is.
Ook is op deze wijze een infectie van de nieren via de urineleiders mogelijk.

Als de blaas niet helemaal leeg geplast wordt en bacteriën zo meer kans krijgen zich te vermenigvuldigen zal er sneller een urineweginfectie optreden. De behandeling richt zich dan eerst op het restant van de urine in de blaas (blaasresidu). Komt de blaasontsteking telkens terug, dan kan dit duiden op een afwijking aan de nieren of de urinewegen. De uroloog zal dit onderzoeken.

Urine-onderzoek

Als de arts deze symptomen herkent zal hij proberen de diagnose te bevestigen door urine te onderzoeken. In het laboratorium wordt onderzocht welke bacteriën in de urine aanwezig zijn (urineonderzoek op sediment). Ook wordt er direct getest of de aangetroffen bacterie gevoelig is voor de behandeling met een antibioticum.

Behandeling

Een urineweginfectie kan thuis worden behandeld met het juiste antibioticum. Waarschijnlijk verdwijnen de klachten dan al snel. Het is belangrijk dat de medicijnenkuur wordt afmaakt, ook als de klachten al eerder zijn verdwenen. Te snel stoppen met een antibioticum vergroot de kans dat de ontsteking terugkomt.

Als er sprake is van hoge koorts en de patiënt erg ziek is, geldt het advies om de behandeling van een nierbekkenontsteking in het ziekenhuis te starten. Antibiotica wordt dan toegediend via een infuus zodat dit direct in het bloed terecht komt. Het is dan noodzakelijk om extra onderzoek te verrichten. Zo kunnen eventuele andere oorzaken en aandoeningen uitgesloten worden, zoals nierstenen of een uitgezette nier waardoor de urine niet naar de blaas kan stromen.
Als de behandeling met antibiotica binnen drie dagen geen verbetering oplevert, is verder onderzoek noodzakelijk. Behandeling van een ernstige nierbekkenontsteking wordt nog ongeveer veertien dagen voortgezet. Het is niet ongebruikelijk om nog weken daarna klachten van vermoeidheid te ervaren.

Terugkerende urineweginfectie

Terugkerende (recidiverende) urineweginfecties kunnen het gevolg zijn van:
  • een nieuwe infectie waarbij een nieuwe bacterie de oorzaak is.
  • een bacterie die ongevoelig is voor het gekozen antibioticum.
  • moeilijk te behandelen bacteriële nesten, zoals bij chronische prostaatontsteking of urinewegstenen. Als de ene infectie de andere opvolgt is het nodig de oorzaak te achterhalen. Dit kan een afwijking zijn in de anatomie of het functioneren van de urinewegen. Er wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van stenen of tumoren. Ook wordt bekeken of de blaas goed leeg is na het plassen.

Bacteriurie

Bacteriurie is de aanwezigheid van bacteriën in de urine. Deze horen hier niet. Normaal gesproken is de urine vrijwel steriel. Bacteriurie komt echter vaak voor. Het kan zijn dat er ziekteverschijnselen (symptomen) worden ervaren. Meestal zijn deze er niet (asymptomatisch). Bij asymptomatische bacteriurie is er geen ontstekingsreactie van de slijmvliezen van de urinewegen. Deze vorm van bacteriurie hoeft niet behandeld te worden (tenzij dit optreedt bij een zwangerschap). Het lichaam kan in normale situaties de bacteriën zelf opruimen.

Algemene factoren die de kans op bacteriurie verhogen:
  • vrouw zijn
  • hoge leeftijd (ouderen)
  • lage oestrogeen status (menopauze)
  • zwangerschap
  • diabetes mellitus
  • eerdere urineweginfecties
  • oudere patiënten opgenomen in een verpleeghuis
  • katheter
  • stenen in de urineweg
  • structurele afwijkingen aan de urineweg en afwijkend plasgedrag
  • vergrote prostaat (prostaatlijden)

Pyurie

Pyurie is de aanwezigheid van witte bloedcellen in de urine. Dit is een teken dat de slijmvliezen van de urineweg een ontstekingsreactie doormaken. Dit is meestal het gevolg van bacteriële invasie. Er is dan sprake van een urineweginfectie.

Er zijn echter een aantal andere ziektebeelden waarbij, zonder dat er bacteriën aanwezig zijn, toch pyurie wordt gevonden. Er moet dan worden gedacht aan tuberculose, blaasstenen of kwaadaardige aandoeningen van de urineweg.

Gecompliceerde en ongecompliceerde urineweginfecties

Urineweginfecties kunnen zowel ongecompliceerd als gecompliceerd zijn.

Ongecompliceerde urineweginfectie:

Een ongecompliceerde urineweginfectie is een infectie die optreedt bij een patiënt (meestal bij vrouwen) die in principe een normaal afweersysteem heeft en geen ziekte of afwijkingen van de urinewegen heeft. Deze urineweginfecties reageren zeer snel op een korte kuur met een antibioticum.

Gecompliceerde urineweginfectie:

Bij gecompliceerde urineweginfecties kan de urineweg niet volledig normaal functioneren of zijn er anatomische afwijkingen aan de urinewegen. Ook kan er sprake zijn van andere oorzaken waardoor er een verminderde weerstand is (zoals diabetes mellitus en stoornissen aan het immuunsysteem).

Gecompliceerde urineweginfecties zijn moeilijker te behandelen. Antibiotica moet langer worden ingenomen door de patiënt. Er is een grotere kans op een nieuwe urineweginfecties, zolang de onderliggende oorzaak niet is aangepakt.

E. coli bacterie

Meer dan 85% van alle urineweginfecties ontstaan door de E.coli bacterie. Dit is een nuttige darmbacterie die van nature voorkomt in de dikke darm en daar zorgt voor de afbraak van schadelijke micro-organismen. Buiten de darmen is de E.coli minder onschuldig.
Als de bacterie via de urinebuis in de blaas terecht komt, kan hij urineweginfecties veroorzaken. De E.coli bacterie heeft celwanden die bekleed zijn met uitsteeksels, ‘pili’ genaamd. Deze werken als een soort klittenband en hechten zich vast aan de blaas en de urinewegen. Omdat ze zich vasthechten, zijn ze moeilijk weg te spoelen met de urine. Doordat de bacteriën kunnen overleven in de diepere slijmvlieslagen van de blaas zijn ze zelfs in staat antibiotica te trotseren.

Naast de E.coli worden de volgende bacteriën veel aangetroffen bij een urineweginfectie: staphylococcus saprophyticus, enterococcus faecalis, proteus mirabilis en klebsiella.

Advies en behandeling bij terugkerende blaasontsteking

  • Veel drinken.
  • Cranberry’s. In de schil van deze vruchten bevindt zich looizuur. Dit heeft een beschermende werking op de urineweg tegen infecties van de E. coli bacterie.
  • Vermijden van zaaddodende pasta (ook in condooms en pessarium). Deze middelen verminderen de hoeveelheid lactobacillen (melkzuurbacteriën) in de vagina. Daarmee krijgt de E. coli bacterie de kans om te groeien.
  • Oestrogeen behandeling. Als in de menopauze het vrouwelijke hormoon Oestrogeen vermindert, wordt het slijmvlies van de vagina en de plasbuis slechter van kwaliteit. Dit heeft een negatief effect op de hoeveelheid lactobacillen (melkzuurbacteriën) en geeft dus de E. coli meer kans om te groeien.
  • Lage dosis (onderhoudstherapie) antibiotica. Een lage dosis wordt gedurende 3 tot 6 maanden gegeven om de urine vrij van bacteriën te houden. Gedurende deze periode kan de blaas herstellen en zijn afweermechanisme opnieuw opbouwen.
  • Antibiotica na het vrijen. Vrijen kan een risicofactor zijn voor het ontstaan van blaasontstekingen. Indien er een duidelijke oorzaak is met vrijen is het mogelijk om na de geslachtsgemeenschap een dosis antibioticum te nemen.
  • Zelfstart behandeling. Indien een vrouw goed voelt aankomen wanneer een blaasontsteking ontstaat, kan zij direct beginnen met veel drinken, cranberry’s en antibiotica. De blaasontsteking wordt dan in een vroeg stadium de kop ingedrukt. Het grote voordeel is dat de schade, die door een blaasontsteking aan de verschillende afweermechanismen wordt toegebracht, veel minder groot is.


Nierstenen

Wat zijn nierstenen?

In de urinewegen kunnen zich nierstenen vormen. De afvalstoffen in de urine kristalliseren en vormen een steen. Waarom dit gebeurt, is niet helemaal duidelijk. Wel is bekend dat urineweginfecties dit proces bevorderen.

Samenstelling van een steenniersteen

De belangrijkste oorzaak van nierstenen is dat er een te hoog gehalte van bepaalde zouten in de urine zit. Deze zouten komen bij ieder mens voor maar als de urine teveel van deze zouten bevat, kunnen deze in het nierbekken neerslaan in de vorm van kristallen. Deze kristallen vormen dan uiteindelijk de nierstenen.
Het overgrote deel van alle stenen (zo'n 80%) zijn stenen die voornamelijk bestaan uit calcium. De overige 20% bestaat uit stenen van urinezuur of zijn zogenaamde infectiestenen. Deze laatste categorie stenen komt vooral voor bij vrouwen en bevatten bacteriën die de groei versnellen waardoor ze tot nierontstekingen kunnen leiden.
Zeer zeldzaam zijn de cystinestenen die bestaan uit een aminozuur. Deze komen alleen voor bij mensen met de genetische afwijking 'cystinurie'.


Klachten

Een niersteen ontstaat meestal bovenin de nier. Als de steen losraakt, voert deze met de urinestroom mee naar beneden totdat deze wordt uitgeplast. Klachten door nierstenen ontstaan meestal als ze onderweg naar de blaas vast komen te zitten. Een vastzittende steen kan een felle krampachtige pijn veroorzaken. Dit kan gepaard gaan met bewegingsdrang (niet stil kunnen zitten) en misselijkheid. Dit wordt ook wel koliekpijn of (flank)pijn genoemd.
Als er ook sprake is van koorts dan is het waarschijnlijk dat er een sprake is van een (ernstige) infectie door de vastzittende steen. Daarom worden patiënten met nierstenen die ook koorts en algemene ziekte verschijnselen hebben snel behandeld.

Behandeling

De meeste patiënten met koliekpijn komen via de huisarts op de Spoedeisende hulp terecht. Als eerste zal dan een urinecontrole plaats vinden en een röntgenfoto van de buik worden gemaakt. De behandeling zal bestaan uit het bestrijden van de pijn en de eventuele koorts. Als een patiënt al pijnvrij is op de Spoedeisende hulp zal de behandeling op een later tijdstip op de polikliniek plaatsvinden.
Het behandelen van nierstenen is niet altijd nodig. Als de steen geen pijn of infecties veroorzaakt en de nierfunctie er niet onder lijdt, kan rustig worden afgewacht. Tijdens regelmatige controles houdt de uroloog in de gaten of de steen groeit. Een steen die groeit zal wel worden behandeld om schade aan de nier te voorkomen.
Als een niersteen geen acute klachten veroorzaakt kan rustig met de patiënt bekeken worden welke behandeling het meest geschikt is. Als duidelijk is dat de steen verwijderd moet worden, gaat de uroloog bepalen welke techniek met de minste belasting voor de patiënt, de beste resultaten oplevert. Dit is afhankelijk van de soort steen en waar de steen zich bevindt. De steen kan zich in de gehele urineweg bevinden: in de nier, in de urineleider of in de blaas. Zie ook: blaasstenen.
Na verwijdering van de steen wordt onderzocht wat de samenstelling is van de steen. Bij jonge mensen en mensen dDubbel J katheterie voor de tweede keer een steen hebben zal de internist-nefroloog een uitgebreid onderzoek uitvoeren.

Acute behandeling bij koliekpijn

Als een steen zorgt dat de nier de urine niet meer kwijt kan, is er vaak sprake van een steen in de urineleider (verbinding tussen de nier en de blaas). Als dit het geval is, ontstaat vaak koorts en is de patiënt erg ziek. De behandeling bestaat dan uit een opname in het ziekenhuis en het toedienen van antibiotica via een infuus. Als dit de koorts en het zieke gevoel niet laat verdwijnen dan wordt een stent (buisje) ingebracht in de urineleider, ook wel een dubbel J katheter of een nefrostomiekatheter.

Dubbel J katheter

Bij het aanbrengen van een inwendig dubbel-J-katheter plaatst de uroloog een buisje in de urineleider, door middel van een cystoscopie, zodanig dat het ene uiteinde in het nierbekken ligt en het andere uiteinde in de blaas. Dit buisje is niet zichtbaar. Het buisje kan wel plas- of pijnklachten geven. Bij de behandeling van de steen door middel van een ureterorenoscopie blijft het ‘dubbel J kathether' achter in het lichaam.

NefrostomiekatheterNefrostomiekatheter bij patiënte

Bij een nefrostomie katheter wordt via de flank van het lichaam een buisje aangebracht in het nierbekken en is via een verlengstukje aan een (been)zakje verbonden. Het slangetje komt dus naar buiten. Om te voorkomen dat het buisje uit de nier losraakt, hangt het katheter met een krulletje vast in de nier of wordt dit met een hechting aan de huid vastgezet.
In de acute fase zal niets gedaan worden aan de steen. Dit gebeurt later, eerst moet de patiënt zich niet meer ziek voelen en de nier zich herstellen.

Zie ook: Nierstenen verwijderen



  

Niet-ingedaalde zaadbal

Bij jongetjes ontwikkelen de zaadballen (testikels of testes) zich voor de geboorte in hun buik. Normaal gesproken dalen de zaadballen een paar weken voor de geboorte via de lies in de balzak. Dit proces heet indalen.

Soms gaat er iets mis met de indaling. Eén of beide zaadballen blijven dan in de buik of in de lies zitten. Dat kan gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid op volwassen leeftijd. Het gebeurt ook dat een zaadbal die wel was ingedaald weer uit de balzak schiet.
Direct na de geboorte van een jongen kijkt de arts of kraamvrouw naar zijn zaadballen, om vast te stellen of de testes (zaadballen) aanwezig zijn bij het kind. Het kan zijn dat een of beide testes omhoog schieten en later aanleiding zijn voor verder onderzoek. De arts van het consultatiebureau zal hier ook naar kijken.
 

Beschermende reflex

Er bestaat bij jongens op jonge leeftijd nog een beschermende reflex waarbij de cremaster-spier die rondom de zaadbal ligt, de bal terug de buik in trekt. Bij onderzoek van het scrotum (balzak) kan deze beschermende reflex optreden en kan de zaadbal zich terugtrekken.

Cryptorchisme: Verborgen zaadballen

De beide zaadballen dienen direct na de geboorte in het scrotum (de balzak) aanwezig te zijn en daar te blijven. Als de zaadbal niet wordt gevonden bij het onderzoek, volgt een verwijzing naar de uroloog voor de diagnose cryptorchisme (verborgen testis). Dit komt voor bij 3 tot 5% van alle jongens, waarbij 15% dit aan beide zijden heeft.

Bij de meeste jongens dalen de zaadballen in het eerste levensjaar nog spontaan in. Slechts 1% heeft op éénjarige leeftijd nog steeds een verborgen testikel. Het is mogelijk dat de zaadbal wel te voelen is. Bij 80% van de jongetjes met een testikel die niet is ingedaald kan de arts deze voelen. Als de zaadbal niet te voelen is, betekent dit dat de zaadbal in de buikholte zit of dat deze werkelijk afwezig is. Het grootste deel van deze zaadballen wordt gevonden tijdens een echografie of een operatie.

Vormen van verborgen zaadballen

De retractiële testis (pendel bal)

Dit is een zich terugtrekkende zaadbal door de beschermende reflex. De zaadbal is meestal voelbaar en de arts kan deze proberen met een strijkende handbeweging voorzichtig in de balzak te brengen. Deze testes functioneren normaal en er is geen verdere behandeling nodig. Dit fenomeen verdwijnt in de puberteit.

De ectopische testis (verkeerd ingedaald)

Dit is een zaadbal die de verkeerde weg heeft gekozen tijdens het indalen. Een dergelijke bal functioneert meestal normaal. Een operatie is nodig om de bal in het scrotum vast te zetten.

De onvolledig ingedaalde testis

De zaadbal komt tijdens het indalen steeds lager te liggen. De bal wordt tevens naar beneden getrokken door het gubernaculum. Dit is een streng die de onderkant van het scrotum met de onderkant van de zaadbal verbindt. De niet ingedaalde testis kan zich in de buikholte bevinden (abdominaal), in het lieskanaal zitten (inguinaal) of hoog in de balzak (prescrotaal). Als dit proces van indalen niet afgerond wordt, ligt de bal dus te hoog (hoogstand). Om dit te herstellen is een operatie noodzakelijk.

De afwezige testis

Waarschijnlijk is nog tijdens de zwangerschap de zaadbal om zijn as gedraaid waardoor de bloedvaten zijn afgeklemd. Hierdoor kreeg de testikel geen zuurstof meer en stierf deze af. Deze diagnose stelt de arts pas na een operatie. Aan het uiteinde van de zaadleiders en bloedvaten wordt dan geen of een beetje restweefsel gevonden.

Redenen om te behandelen

  • Vruchtbaarheid

Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat er schade aan de zaadproducerende cellen ontstaat na het eerste levensjaar bij de niet ingedaalde testis. Sinds enige tijd wordt geadviseerd om de zaadbal op 1 jarige leeftijd te laten vastzetten. Waarschijnlijk zal dit de vruchtbaarheid in gunstige zin beïnvloeden.

  • Cosmetisch

Jongens horen in het scrotum twee testikels te hebben.
  • Kans op zaadbalkanker

Een niet-ingedaalde testikel geeft een verhoogde kans op zaadbalkanker (1 op 2500). De normale kans op zaadbalkanker is 1 op 100.000. Een operatie verlaagt de kans op zaadbalkanker niet.

Onderzoek

De uroloog doet onderzoek om te kunnen bepalen waar de zaadbal zich bevindt. Soms kan een kijkoperatie (laparoscopie) hierbij uitkomst bieden. De zaadbal blijkt dan vaak in de buik te liggen. Afhankelijk van de kwaliteit van de zaadbal wordt bekeken of een behandeling mogelijk is.

Operatie (Orchidopexie)

Vaak krijgt een jongetje een medische ingreep als de zaadballen na het eerste levensjaar nog niet zijn ingedaald. De operatie (orchidopexie) vindt tussen 12 en 18 maanden plaats. Vóór het eerste jaar is het risico van narcose nog te groot en ná de 18e maand begint de verlatingsangst bij een kind.

De operatie vindt plaats door een sneetje in de lies te maken. Hier wordt de zaadleider opgezocht. Via de opening in de lies wordt de zaadbal opgezocht en vrijgemaakt. Ook de bloedvaten en de zaadleider van de zaadbal maakt de uroloog los van de omliggende weefsels. Hierdoor ontstaat over het algemeen voldoende ruimte om de zaadbal naar de balzak te brengen. De zaadbal wordt losgemaakt, in de balzak gebracht en vastgezet. Meestal is de zaadbal voldoende los te maken en is vastzetten in het scrotum geen probleem. Soms echter zijn de bloedvaten te kort en kan de testikel niet helemaal tot beneden worden gebracht.
Na de operatie wordt een beetje verdoving in de wond achtergelaten zodat het kind na de operatie geen pijn voelt.

Ontsteking en verlittekening van de eikel en voorhuid

“Lichen Sclerosus et Atroficans” is een huidaandoening van de eikel en voorhuid waarbij door ontsteking roodheid en pijn ontstaan. Het genezingsproces ontaardt in het ontstaan van littekens (verlittekening). De huid en het oppervlak van de eikel worden hierdoor stug.
Zie ook: folder Lichen Sclerosus (dermatologie)

Klachten

De symptomen van een ontsteking en verlittekening van de eikel zijn:
  • een pijnlijke erectie
  • blokkering van de urinestroom
  • pijn en problemen bij het naar achteren trekken van de voorhuid.
Er ontstaat vaak een vernauwing van de voorhuid waardoor de eikel niet meer zichtbaar is. Door verklevingen kan de voorhuid niet meer over de eikel schuiven. Een erectie zet spanning op de huid waardoor er weer kleine kloofjes ontstaan. Als deze kloofjes genezen, dan vormen ze opnieuw littekens. En zo verergert de aandoening.

Lichen Sclerosus heeft geen verband met kanker van de penis.

Behandeling

Behandeling bestaat uit opbrengen van corticosteroidzalf (hormoonzalf). Als dit niet het gewenste effect oplevert is een besnijdenis het beste.

Overactieve blaas

Een overactieve blaas is een blaas waar u geen controle meer over heeft. De samentrekkingen van de blaasspier (detrusor) zijn te sterk en vinden te vaak plaats en zijn dus uit balans. Dit kan vervelende gevolgen hebben in het dagelijks leven.

Symptomen

Eén of meer kenmerken van een overactieve blaas zijn:
  • Het niet meer kunnen ophouden van uw plas als u aandrang voelt.
  • Heel vaak moeten plassen (meer dan acht keer per dag en meer dan één keer per nacht).
  • Vaak een sterke aandrang voelen om te plassen.
De overactieve blaas komt bij 10% van de volwassenen voor. Zowel mannen als vrouwen kunnen last hebben van een overactieve blaas.

Oorzaak

Vaak is er geen duidelijke oorzaak te vinden voor een overactieve blaas.
Een overactieve blaas kan veroorzaakt worden door:
  • Bekkenbodem-problemen. Het te vaak aanspannen van de bekkenbodem kan de oorzaak zijn voor een overactieve blaas.
  • Afwijkingen in de blaas, zoals prostaataandoeningen, blaasontstekingen, blaasstenen en blaastumoren.
  • Medicijnen. Soms is de overactieve blaas een bijwerking van plaspillen of antidepressiva.
  • Beschadigingen of een aandoening van de zenuwen, zoals bijvoorbeeld bij MS, een dwarslaesie, Alzheimer of Parkinson.
  • Bestraling.
  • Overmatig gebruik van alcohol, cafeïnehoudende dranken, nicotine of drugs kunnen de blaas sterk prikkelen. Ook stress kan een rol spelen.

Behandeling

Er zijn meedere behandelingen mogelijk. Als de oorzaak van de overactieve blaas bekend is, dan richt de behandeling zich daar op.

Fysiotherapie

De arts kan u verwijzen naar een bekkenfysiotherapeut. Deze kan u speciale oefeningen geven en helpen bij de blaastraining. Hierdoor krijgt u geleidelijk weer meer controle over de blaas.

Medicijnen

Meestal hebben patiënten baat bij het gebruik van medicijnen (anticholinergica: dridase, toviaz, vesicare, detrusitol). Deze medicijnen kunnen echter vervelende bijwerkingen hebben. Dit is voor veel patiënten een reden om ze niet meer in te nemen. Het is dan mogelijk om een ander medicijn te proberen.

Neurostimulatie

Door stimulatie van de zenuw in het been met elektrische prikkelingen kan de verstoorde blaasfunctie herstellen. De blaas trekt zo minder samen.
Zie: PTNS neurostimulatie

Botox

Een andere mogelijkheid is een behandeling met Botox.

Huisarsenbulletin 2010- november

Onderwerpen:

  • ZorgDomein
  • MRSA
  • Strategisch beleid Slingeland Ziekenhuis
  • Ontwikkeling organisatie ziekenhuis
  • Slingeland scoort goed in vergelijkingsonderzoeken
  • Verlenging samenwerking Oogzorgnetwerk
  • Zorg voor ouderen en welzijn Netwerk West-Achterhoek (Zowel NWA)
  • Klinische conferentie
  • Pilot afdeling N0 veiligheidshesjes tijdens medicatieronde
  • Eén loket voor afgifte van materialen laboratoria
  • "Verwijsgids palliatieve zorg
  • Perspublicatie

ZorgDomein

De huisarts ontvangt een edifactbericht als een patiënt na een verwijzing via ZorgDomein geen afspraak heeft gemaakt (bij verkorte toegangstijd na twee weken, bij reguliere verwijzing na vijf maanden).Het Slingeland Ziekenhuis doet momenteel een onderzoek naar het verwijzen van patiënten via ZorgDomein door 1e lijns verloskundigen en tandartsen. Daarbij is gebleken dat huisartsen ook incidenteel edifactberichten ontvangen als een patiënt door een verloskundige of tandarts is verwezen, maar geen afspraak heeft gemaakt. Dit is niet wenselijk. Er wordt gezocht naar een oplossing hiervoor.

MRSA

Op afdeling N1 in het Slingeland Ziekenhuis is helaas MRSA geconstateerd. Inmiddels is contactonderzoek gedaan onder ontslagen en poliklinische patiënten. Hierbij zijn enkele nieuwe MRSA-positieve patiënten opgespoord. Op grond daarvan is besloten om het contactonderzoek uit te breiden naar een groep van ongeveer 50 patiënten. Omdat de afname van kweken tijdens de eerdere procedure voorspoedig is verlopen, hopen wij voor het afnemen van kweken bij deze nieuwe groep patiënten nogmaals een beroep op de huisartsen te mogen doen. De patiënten ontvangen een brief van het ziekenhuis met informatie en de vraag een kweek bij de eigen huisarts te laten afnemen. Een aantal huisartsen is persoonlijk benaderd omdat de desbetreffende patiënt, in verband met de hoge leeftijd, waarschijnlijk niet in staat zal zijn zelfstandig actie te ondernemen.De uitbraak van MRSA betekent intern in het ziekenhuis dat bijzondere richtlijnen van kracht zijn. De directie drukt alle medewerkers en bezoekers op het hart zich aan deze regels te houden. Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht, dan kunt u contact opnemen met de afdeling hygiëne & infectiepreventie van het ziekenhuis, telefoon 0314-329494.

Strategisch beleid Slingeland Ziekenhuis

Het afgelopen jaar heeft onze organisatie het strategisch beleid opnieuw bepaald. In de wetenschap dat de wereld van de zorg onzeker is en in hoog tempo verandert, is de koers uitgezet om het aanbod van medisch specialistische zorg in onze regio te verbeteren en in te spelen op de demografische ontwikkeling.Met genoegen wordt de huisartsen het definitieve strategisch beleidsplan 2010-2015 van het Slingeland Ziekenhuis aangeboden. U treft dit aan als bijlage bij de papieren versie van dit bulletin.
Als belangrijke stakeholder van ons ziekenhuis hebben de huisartsen tijdens het Beleids Overleg Huisartsen Zorg een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het beleidsplan, waarvoor hartelijk dank wordt gezegd. Hopelijk zult u zich herkennen in het toekomst­perspectief dat in dit plan wordt geschetst.
Mocht u naar aanleiding van het beleidsplan nog vragen of suggesties hebben, dan kunt u contact opnemen met Geert Huisman, algemeen directeur.

Ontwikkeling organisatie ziekenhuis

Een belangrijke conclusie uit het strategisch beleidsplan is, dat herziening van de huidige leidinggevende structuur nodig is om de ambities voor de toekomst te kunnen waarmaken. Hiervoor is een meer resultaat- en marktgerichte organisatie nodig. De afgelopen maanden heeft een ontwerpteam, bestaande uit de directie en leden van het stafbestuur, nagedacht over de vraag op welke wijze de organisatie dan moet worden ingericht. Het resultaat is het “Beslisdocument: Een ondernemend en marktgericht Slingeland Ziekenhuis”. Dit document is voor advies voorgelegd aan de ondernemingsraad, de medische staf en de cliëntenraad. De plannen voor de ontwikkeling van onze organisatie zullen in 2011 gevolgen gaan hebben voor onderdelen van de leidinggevende structuur, onder andere in de zorgclusters.

Slingeland scoort goed in vergelijkingsonderzoeken

Weekblad Elsevier heeft in samenwerking met onderzoeksbureau SiRM de openbare informatie van ziekenhuizen vergeleken op patiëntveiligheid, nauwkeurige zorg, wachttijden en transparantie. Het Slingeland Ziekenhuis scoort in dit onderzoek erg goed met een maximale score op medische zorg, veiligheid en korte wachttijden. Ook op de andere onderdelen scoort ons ziekenhuis goed en staat daarmee op plaats 7 in de ranglijst van Elsevier.Inmiddels is er een nieuwe “sterrengids voor de zorg”: Dr. Yep verschenen. In de jaargids 2011 staat het Slingeland Ziekenhuis landelijk de derde plaats. De bijzonderheden van dit onderzoek kunt u vinden op de website www.dr-yep.nl.

Verlenging samenwerking Oogzorgnetwerk

Het Slingeland Ziekenhuis heeft de samenwerking met Het Oogzorgnetwerk, een initiatief van Het Oogziekenhuis Rotterdam, met vijf jaar verlengd. Ons ziekenhuis was in 2007 de eerste franchisepartner van Het Oogzorgnetwerk in Oost Nederland. Inmiddels bestaat het Oogzorgnetwerk uit twaalf ziekenhuizen die met elkaar samenwerken en kennis delen op het gebied van oogheelkunde en worden ondersteund door een service-organisatie. Sinds de aansluiting bij het netwerk heeft de afdeling oogheelkunde veel activiteiten ontplooid om de organisatie en logistiek verder te verbeteren en de contacten met de huisartsen en de optiekwinkels nieuwe impulsen te geven. De afdeling is heel trots op het succesvolle project om in samenwerking met huisartsen screeningsactiviteiten uit te voeren. Bij een proef zijn ruim 500 patiënten van huisartsen gescreend door een optometrist van het Slingeland Ziekenhuis. Deze activiteit krijgt dit najaar een vervolg. Ook wordt in samenwerking met Het Oogzorgnetwerk vorm gegeven aan een gastvrijheidsproject en aan OpticienZorg.Met vragen naar aanleiding van dit bericht kunt u terecht bij Ans Lammers, hoofd oogheelkunde: a.lammers@slingeland.nl.

Zorg voor ouderen en welzijn Netwerk West-Achterhoek (Zowel NWA)

De afgelopen maanden hebben Carla Schölzel, klinisch geriater, Hans Fleur, hoofd neurologie/geriatrie en Stefan Zielhuis, verpleegkundige, hard gewerkt aan de oprichting van een netwerk voor kwetsbare ouderen in de regio West-Achterhoek. De provincie Gelderland heeft hiervoor een subsidie verstrekt die is aangevuld door het Slingeland Ziekenhuis.

Dit netwerk wordt op dinsdagmiddag 9 november a.s. officieel gepresenteerd tijdens een informatieve en feestelijke bijeenkomst in Hotel Villa Ruimzicht te Doetinchem. Er worden voordrachten gegeven door Carla Schölzel, projectleider Zowel NWA,prof.dr. Marcel Olde Rikkert, projectleider Zowel NN (het vergelijkbare netwerk in de regio Nijmegen), Pauline Saltet, programma-adviseur “Thuisgeven in Gelderland” van de provincie Gelderland en Otwin van Dijk, wethouder gemeente Doetinchem die de rol van de gemeente zal toelichten.
Aansluitend wordt de nieuwe website die als communicatie­middel gaat dienen voor de doelgroep en voor alle partners van het netwerk geopend door de wethouder.
Tenslotte presenteren alle betrokken instellingen via een poster hun werkzaamheden, knelpunten en plannen voor kwetsbare ouderen.

Het doel van Zowel NWA is het realiseren van samenwerking tussen alle welzijn- en zorgaanbieders die betrokken zijn bij kwetsbare ouderen in de regio West-Achterhoek in een gestructureerd netwerk, om welzijn en zorg van de doelgroep te optimaliseren. Uitgangspunten zijn behoud van kwaliteit van leven, preventie en zolang mogelijk, met behoud van eigen regie, zelfstandig wonen in de bekende woon- en sociale omgeving.

Hiertoe zal te zijner tijd een samenwerkingsconvenant tussen alle partijen worden getekend en wordt een officiële Ketenregiegroep Kwetsbare Ouderen West-Achterhoek opgericht, als onderdeel van de transmurale samenwerking. Daarna worden in overleg met de betrokkenen praktische en haalbare projecten gestart, zoals ondersteuning bij screening van kwetsbare ouderen in de eerste lijn. Hierbij wordt samengewerkt met en gebruik gemaakt van bijvoorbeeld screeningsinstrumenten van Zowel NN. Ook zijn (preventieve) projecten in samenwerking met Agora Academische werkplaats mogelijk, bijvoorbeeld op het gebied van eenzaamheid.

Het adres van de website is: www.zowelnwa.nl

Klinische conferentie

Denkt u aan de klinische conferentie op woensdag 17 november 2010 om 17.00 uur in het auditorium van het Slingeland Ziekenhuis? Het onderwerp is dit keer: “Allergie, actie en reactie”. Het is een interactief symposium.U kunt zich aanmelden op het e-mail adres: klincon@slingeland.nl of telefonisch bij Saskia de Ree, telefoon 0314-329167.

Voor deelnemende huisartsen geldt de accreditatieregeling.

Pilot afdeling N0 veiligheidshesjes tijdens medicatieronde

Verpleegkundigen worden tijdens de medicatieronde vaak gestoord door patiënten, bezoekers, artsen en collega’s. Hierdoor kunnen zij niet geconcentreerd de medicatie uitzetten en verstrekken aan de patiënt. Daarom is op afdeling N0 een pilot van drie maanden gestart met het dragen van veiligheidshesjes. De verpleegkundige die medicatie gaat uitdelen draagt op dat moment een geel veiligheids­hesje met op de achterkant de tekst: medicatie niet storen! De verpleegkundige mag op dat moment dan niet worden gestoord.

Eén loket voor afgifte van materialen laboratoria

Vanaf 12 oktober 2010 is er voor de laboratoria (MML en KCHL) één loket voor de ontvangst van materialen. Dit betekent dat de materialen voor microbiologisch onderzoek moeten worden afgegeven bij het innameloket op het KCHL. Buiten kantooruren (na 16.30 uur en in het weekend) kunnen de materialen voor microbiologisch onderzoek worden geplaatst in de gebruikelijke kast bij MML. Urines en feces voor klinisch chemisch onderzoek moeten worden geplaatst in de kast op het KCHL volgens al bestaande afspraak. Poliklinische patiënten kunnen de materialen voor de laboratoria afgeven bij de balie van laboratorium afname.

"Verwijsgids palliatieve zorg

Het netwerk palliatieve zorg West-Achterhoek heeft in 2007 een verwijsgids voor (professionele) hulpverleners uitgebracht. Het netwerk wil hiermee voorzien in de informatiebehoefte van hulpverleners die in hun werk te maken hebben met de organisatie van zorg voor palliatieve patiënten, cliënten en bewoners. De verwijsgids is in 2010 bijgewerkt en opnieuw uitgebracht. U treft een exemplaar aan als bijlage bij de papieren versie van dit bulletin.

Perspublicatie

In dagblad De Gelderlander heeft een artikel gestaan over een uitlating van de directie van het ziekenhuis in Winterswijk over één ziekenhuis voor de Achterhoek in de toekomst. U kunt in dit artikel ook de reactie hierop van het Slingeland Ziekenhuis lezen. De directie is erg voor samenwerking met het ziekenhuis in Winterswijk en dit is ook een belangrijk speerpunt in het strategisch beleid. Maar een nieuw ziekenhuis op één locatie is voor de nabije toekomst niet realistisch. Een kopie van deze publicatie is voor uw informatie bij de papieren versie van dit bulletin gevoegd.

De ziekte van Peyronie

Van de ziekte van Peyronie (induratio penis plastica) is sprake als de penis bij het stijf worden krom trekt. Dit is een aandoening die niet is aangeboren, maar op latere leeftijd ontstaat (meestal na de 40). De normale lichte kromming omhoog van de penis valt hier niet onder en ook niet de congenitale peniele curvatuur (aangeboren kromme penis).

De kromstand van de penis kan ineens opvallen tijdens een erectie. De kromstand ontstaat langzaam en kan zeer ernstige vervormingen veroorzaken. Dit kan pijnlijk zijn. Meestal is er ook bij een penis in slappe toestand een verharde bindweefsel streng te voelen. Uiteindelijk kan het zelfs door de kromming onmogelijk worden om geslachtsgemeenschap te hebben.

Lang niet iedereen met deze aandoening zal hiervoor een arts raadplegen. Soms omdat de klachten minimaal zijn en soms speelt schaamtegevoel een rol. Dit is jammer want deze vervelende ziekte is meestal te verhelpen.

Oorzaak van kromming

Kromstand door de ziekte van Peyronie komt bij ongeveer 0,4% tot 9% van de mannelijke bevolking voor. Er bestaan verschillende theorieën over het ontstaan van de kromming, waarbij de meest geaccepteerde verklaring is dat er littekenweefsel ontstaat door veelvuldige kleine verwondingen aan de wand van de zwellichamen. De verkromming ontstaat doordag het weefsel ontsteekt en er na verloop van tijd harde, verlittekende of verkalkte plekken ontstaan: plaque.

Een erectie is het gevolg van het vollopen van de beide zwellichamen in de penis met bloed. De penis wordt dan stijf. Deze zwellichamen hebben een zeer stevige wand van bindweefsel nodig. In de zwellichamen kan een hoge druk ontstaan als er bloed in stroomt. Bindweefsel is stevig en rekbaar want de penis moet groter kunnen worden.
De bindweefselwand kan door onbekende oorzaak gaan verkalken. Dit kan een pijnlijk proces zijn. De verkalking vermindert de elasticiteit van de wand van de zwellichamen zodat deze minder groei toelaat. Als dit aan één zijde gebeurt, buigt de penis om deze verkalking heen en wordt dus krom.

Verloop van de ziekte

Het natuurlijke verloop van de ziekte van Peyronie varieert. Bij 30 tot 50% van de patiënten verergert de verkromming, terwijl bij 47 tot 67% van de patiënten de ziekte zich stabiliseert. Bij 3 tot 13% vindt spontaan een verbetering plaats. Als zich eenmaal plaque heeft gevormd is dit echter zeer onwaarschijnlijk. Het duurt gemiddeld zo'n 12 maanden na het ontstaan van de ziekte voordat de kromstand zich stabiliseert en niet meer verergert. Bij 90% van de patiënten is dan ook de pijn verdwenen.

Plaque

Het verkalkte stuk bindweefsel heet een ‘plaque’. Een plaque kan gedurende een jaar groeien en daarna verandert deze niet meer. De kromstand blijft dan stabiel. Er kunnen in de zwellichamen meerdere plaques ontstaan. Elke plaque veroorzaakt een kromming in een bepaalde richting. Samen bepalen die de vorm van de penis tijdens de erectie.

Symptomen

Bij de ziekte van La Peyronie zijn niet alleen de afwijkende vorm en het uiterlijk van de penis kenmerkend. Het is voornamelijk de verminderde functie die ertoe leidt dat mensen hulp zoeken. Als vrijen onmogelijk wordt of pijn veroorzaakt bij de partner is behandeling gewenst. Ook kan kromstand lijden tot erectiestoornissen met een psychische oorzaak. Andere klachten kunnen gevoelsvermindering in de eikel of pijn bij een erectie zijn.

We zien vaak dat bij patiënten met deze ziekte ook bindweefselverkalking voorkomen in de hand. Dit heet de ziekte van Dupuytren. Dit is te herkennen aan het niet kunnen strekken van de vingers waarbij vaak een vinger naar binnen kromt. Ook in de voetzool komt dit voor. Dan heet het de ziekte van Ledderhosen.

Eerste consult

Tijdens een eerste gesprek met de patiënt probeert de arts inzicht te krijgen in de problemen en welke geschiedenis hieraan vooraf is gegaan. Daarbij wordt ingegaan op eventuele pijn, afwijkingen die voelbaar zijn in de penis, of de kromstand meetbaar is, wat de lengte en stjifheid is tijdens een erectie. Een korte ziektegeschiedenis en pijn tijdens een erectie kunnen erop duiden dat de ziekte nog actief is en zich niet in de gestabiliseerde fase bevindt. Als de pijn is verdwenen en de kromstand ongeveer drie maanden gelijk is gebleven, is de ziekte stabiel en kan de kromming eventueel gecorrigeerd worden met een operatie.
De uroloog kan de patiënt vragen om een serie foto's te maken van de penis in erectie om de kromstand te evalueren.

Behandeling

Als het verkalkte stuk bindweefsel nog groeit is de vraag of de verkalking tegen gehouden kan worden. Er zijn veel verschillende therapieën. Geen van deze methoden hebben bewezen effect. Tot op heden is de overtuiging van de urologen dat wachten tot de groei van de verkalking gestopt is, het beste is. Daarna kan de kromming operatief worden gecorrigeerd.
Ook met medicijnen wordt soms geprobeerd om patiënten in een vroeg stadium van de ziekte te behandelen, de effectieviteit van deze behandelingen zijn niet wetenschappelijk aangetoond.

Operatieve correctie

Er zijn verschillende manieren om de kromstand te corrigeren.

Plaatsen hechtingen bij kleine kromming

Deze correctie werkt alleen als de kromming niet erg groot is. Het is een eenvoudige correctie. Tegenover de plaats van het verkalkte bindweefsel, de plaque, worden hechtingen geplaatst. Hierdoor kan de bindweefselwand ook aan deze kant niet meer rekken. Het verlies aan elasticiteit zit nu aan beide zijden waardoor de kromming wordt opgeheven. De penis verliest hierdoor in erectie iets aan lengte. De hechtingen zijn voelbaar onder de huid maar geven zelden problemen.

Verwijderen plaque

Als de kromming erger is of het te verwachten lengte verlies is onacceptabel dan is er een andere methode. De plaque kan dan uit de wand van het zwellichaam worden gesneden. Er zit dan natuurlijk een gat in het zwellichaam en dat zal moeten worden gedicht. Kunstmatig ontwikkeld materiaal wordt in de juiste vorm geknipt en in het gat gehecht. Dit materiaal heeft enige elasticiteit. Hierdoor verdwijnt de kromming bij een erectie. Het nieuwe stukje wand is onder de huid verstopt. Het is wel voelbaar maar dit geeft zelden klachten.

Complicaties

De operaties zijn over het algemeen veilig. Maar het resultaat is niet volledig te voorspellen. De penis wordt niet altijd kaarsrecht en het goed functioneren van de penis is ook belangrijk. De erectie moet daarbij behouden blijven.
Een vervelende complicatie is een nabloeding, maar deze zijn goed te behandelen.
Het is mogelijk dat het gevoel in de eikel vermindert. Dit gaat meestal na een paar maanden over.

Behandeling in het Slingeland Ziekenhuis

In het Slingeland Ziekenhuis worden bovenstaande operaties uitgevoerd. Voor en na de operatie heeft de patiënt contact met de seksuoloog. De operatieduur is afhankelijk van de gekozen methode en meestal is twee tot drie dagen opname voldoende.

Aanvullende informatie

Voor aanvullende informatie lees ook het artikel van Erich Taubert over de ziekte van de la Peyronie (2012).




Huisarsenbulletin 2010- december

Onderwerpen:

  • 24 en 31 december 2010
  • Benoeming kinderarts
  • Website met informatie over chemotherapie in het Slingeland Ziekenhuis
  • Nieuwe serie “Gezonde Zorg” op Graafschap TV
  • Symposium Kwetsbare ouderen; ónze zorg!
  • Nieuwe bewegwijzering
  • Slingeland op 2e plaats in ranglijst ziekenhuiswebsites
  • Publicaties uit de Gelderlander
  • Kunstexposities december 2010 en januari 2011

24 en 31 december 2010

Op vrijdag 24 december en vrijdag 31 december a.s. zijn de poliklinieken in het Slingeland Ziekenhuis vanaf 16.00 uur niet meer telefonisch bereikbaar. Op deze dagen gaat de weekenddienst in het ziekenhuis al in om 16.00 uur (in plaats van 17.00 uur).

Benoeming kinderarts

De vakgroep kindergeneeskunde wordt per 1 april 2011 uitgebreid met de heer J.M. Pijning De directie heeft hem op voordracht van de medische staf in deze functie benoemd.Arjan Pijning heeft geneeskunde gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen en is daarna opgeleid tot kinderarts in het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit Brussel.

De perifere stage heeft hij gevolgd in het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft. Arjan Pijning is nu als kinderarts werkzaam in het Vlietland Ziekenhuis in Vlaardingen/Schiedam.

Website met informatie over chemotherapie in het Slingeland Ziekenhuis

Patiënten die in het Slingeland Ziekenhuis chemotherapie ondergaan, ontvangen een speciale map met veel informatie over chemotherapie in het algemeen, welke specifieke chemotherapie de patiënt krijgt, behandelschema, mogelijke bijwerkingen en wat te doen als een bijwerking optreedt.Zorgverleners die geïnteresseerd zijn in deze patiënteninformatie kunnen dit vinden op een speciale website: www.ikcnet.nl/sib. SIB staat voor “Samenstellen Informatie over Bijwerkingen”. Op de website is per soort chemotherapie informatie vermeld over het behandelschema, mogelijke bijwerkingen en adviezen hierbij. In het scherm linksboven bij behandelplannen “maak uw keuze” kiest u “ziekenhuisbehandelplan” en vervolgens kiest u Slingeland Ziekenhuis. Klik dan de specifieke chemotherapie waarover u meer wilt weten aan en u krijgt het behandelschema te zien. Bovenaan deze bladzijde kunt u doorklikken naar de specifieke bijwerkingen.Met de patiënten die chemotherapie krijgen, is de afspraak gemaakt zij bij klachten, problemen en/of vragen 24 uur per dag contact op kunnen nemen met de behandelend arts, verpleegafdeling of oncologisch verpleegkundig spreekuur in het ziekenhuis.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht of andere vragen, dan kunt u zich wenden tot Els Meuleman, nurse practitioner oncologie/haematologie, telefoon 0314-329735, seinnummer 7722, of via e-mail e.meuleman@slingeland.nl.

Nieuwe serie “Gezonde Zorg” op Graafschap TV

In 2011 start een nieuwe serie “Gezonde Zorg” op Graafschap TV. In samenwerking met andere zorginstellingen wordt wekelijks een ander zorgthema uitgebreid belicht. De komende maanden kunt u dus weer regelmatig een camerateam van Graafschap TV in het ziekenhuis tegenkomen. Het programma wordt vanaf 19 januari 2011 elke woensdagavond uitgezonden, aansluitend aan de nieuwsberichten van 20.00 uur.

Symposium Kwetsbare ouderen; ónze zorg!

Donderdag 27 januari 2011 van 16.30 uur tot 19.00 uur in het auditorium van het Slingeland Ziekenhuis.Een ziekenhuisopname is voor kwetsbare oudere patiënten risicovol vanwege hun verhoogde kans op complicaties, zoals een infectie, ondervoeding, delirium, decubitus, bijwerking van medicatie of een val. Veel van deze complicaties hebben functionele en/of cognitieve achteruitgang van de oudere patiënt tot gevolg. Bij een grote groep ouderen die opgenomen is in het ziekenhuis, ontstaat onherstelbaar functieverlies als gevolg van deze complicaties tijdens opname: de literatuur meldt percentages van 30% tot 60%.Functieverlies betekent dat mensen na een ziekenhuisopname blijvend minder goed in staat zijn om zelfstandig activiteiten te verrichten, waaronder:
  • Activiteiten van het dagelijkse leven (ADL), zoals zich wassen en aankleden, en zich in huis verplaatsen.
  • Instrumentele activiteiten van het dagelijkse leven (IADL), zoals koken, het huishouden en boodschappen doen.
  • Dit leidt in het dagelijkse leven tot een grotere afhankelijkheid, waardoor de zelf­redzaamheid en het zelfstandig wonen worden bedreigd.

  • Het voorkomen van complicaties draagt bij aan een spoedig herstel van de acute ziekte en aan behoud van onafhankelijkheid. Dit is van groot belang voor het welzijn en de kwaliteit van leven van de patiënt en voor zijn maatschappelijke omgeving.
  • Het is mogelijk om deze complicaties te voorkomen en hiermee het functioneren en de overlevingskansen van kwetsbare patiënten te vergroten door:
  • Het vroegtijdig identificeren van aanwezige risico’s.
  • Het inzetten van een combinatie van preventieve acties.
  • Het leveren van op ouderen afgestemde kwalitatief hoge (basis)zorg gedurende de gehele opname (Inouye 2000).
Ziekenhuisbreed gaat aandacht worden besteed aan de vier grootste geriatrische problemen die worden geassocieerd met functieverlies, te weten delirium, vallen, ondervoeding en fysieke beperkingen. Het symposium is de start hiervan.Het symposium is bedoeld voor huisartsen, medisch specialisten, specialisten ouderen­geneeskunde, arts-assistenten, afdelingshoofden, verpleegkundigen, nurse practitioners, paramedici en iedereen die geïnteresseerd is in de zorg voor kwetsbare ouderen.

U kunt zich aanmelden bij Saskia de Ree, PR-functionaris, telefoon 0314-329167 of via e-mail s.de.ree@slingeland.nl.

Nieuwe bewegwijzering

Op maandag 13 december a.s. wordt in het ziekenhuis een nieuw bewegwijzeringsysteem in gebruik genomen. Het is de bedoeling dat patiënten en bezoekers dan beter en makkelijker hun bestemming kunnen vinden.Alle poliklinieken krijgen routenummers en dat betekent dat de huidige wachtkamer­nummers vervallen. De eerste week is er een vrijwilliger die patiënten en bezoekers helpt bij het vinden van de juiste route.

Een overzicht van de routenummers is geplaatst op de website van het ziekenhuis.

Slingeland op 2e plaats in ranglijst ziekenhuiswebsites

Het Slingeland Ziekenhuis staat op de tweede plaats in de Zorgwebmonitor, een landelijk onderzoek naar de website-prestaties van 92 ziekenhuizen in Nederland. De Zorgweb­monitor beoordeelt sinds 2009 drie keer per jaar de websites en aan de hand van thema’s worden punten gegeven. Het Slingeland Ziekenhuis scoort erg goed op het onderkennen van verschillende doelgroepen, op technische prestaties, transparantie, kwaliteit en veiligheid en het centraal stellen van de patiënt. Bovendien is het puntenaantal op het vlak van e-zorg en e-dienstverlening flink gestegen. Het Kenniscentrum Urologie met het blog en het forum, is hiervan een goed voorbeeld.

Publicaties uit de Gelderlander

Wegener Media, uitgever van dagblad de Gelderlander, heeft laten weten dat het niet toegestaan is om zonder licentieovereenkomst artikelen uit de Gelderlander op de website te plaatsen of mee te sturen met het Huisartsenbulletin. Aangezien de kosten voor het afsluiten van een licentieovereenkomst op jaarbasis meer dan € 8.000,-- zijn, ziet het ziekenhuis voortaan af van het meezenden of publiceren van artikelen uit de Gelderlander.

Kunstexposities december 2010 en januari 2011

Onder de titel “Met sieraden, bloemen en warme kleuren de winter door” zijn in het Slingeland Ziekenhuis de volgende exposities ingericht.
  • Edith Elshof-Stevens: schilderijen in de gang naar het personeelsrestaurant.
    Haar werk kenmerkt zich door veel kleur, bloemrijke figuren in combinatie met bijzondere driedimensionale toepassingen en technieken.
  • Ina Bijvank: schilderijen op de begane grond van de polikliniek.
    De natuur die in Bronkhorst haar achtertuin was en haar werk bij kwekerij Oudolf in Hummelo waar ze vele jaren met planten heeft gewerkt, zijn nog steeds een grote inspiratie. Vandaar dat bloemen de boventoon voeren in haar over het algemeen kleurrijke schilderijen.
  • Edelsmeden van de Gruitpoort: in de vitrines in de hal.
    Cursisten van Coen Mulder presenteren hun sieraden van zilver en diverse andere materialen. Eigenzinnige ontwerpen met prachtige vormen worden afgewisseld door meer traditionele vormgeving en stijl.
DIRECTIE, MEDISCHE STAF EN MEDEWERKERS VAN HET SLINGELAND ZIEKENHUIS WENSEN U EN UW FAMILIE ALVAST PRETTIGE FEESTDAGEN EN EEN GEZOND 2011.

Prostaatontsteking

Prostatitis is een aandoening die moeilijk herkenbaar is en bij 2% tot 10% van alle mannen voor komt. Patiënten met chronische prostaatontsteking komen vaak bij een dokter. De aandoening is moeilijk behandelbaar en zorgt voor veel pijn en problemen.

Er zijn twee vormen van prostatitis: acute prostatitis en chronische prostatitis.
De prostaat kan ontstoken raken door een bacterie, maar vaak is de oorzaak van de ontsteking niet duidelijk. Slechts 10% van de prostaatontstekingen is bacterieel en reageert op behandeling met antibiotica. Bij de groep patiënten met chronische bacteriële prostaatontsteking is meestal ook sprake van een steeds terugkerende urineweginfectie.

Verschijnselen van prostatitis

De klachten van een ontsteking van de prostaat variëren sterk. Het belangrijkste verschijnsel is pijn, hoewel de pijn sterk wisselt en ook tijden afwezig kan zijn. De pijn wordt gevoeld in de onderbuik en in het gebied van de blaas en straalt uit naar de rug en de liezen. Ook kan het zijn dat de penis en de balzak pijnlijk zijn en een branderige pijn gevoeld wordt in het gebied tussen de balzak en de anus (perineum). Dit maakt zitten pijnlijk. Autorijden met een prostaatontsteking veroorzaakt dan ook veel last.

Ook plasklachten behoren tot de verschijnselen van prostatitis: meer aandrang om te plassen, vaker plassen en de plas niet lang op kunnen houden. Daarnaast kan het plassen branderig aanvoelen. Soms is de urinestraal zeer dun of kan plassen volledig onmogelijk zijn en aanleiding geven tot urineretentie (de blaas kan niet helemaal geleegd worden).
Koorts en koude rillingen zijn mogelijke verschijnselen bij een acute bacteriële prostaatontsteking. Soms moet een katheter geplaatst worden om de blaas te legen.

Alle andere vormen van prostatitis zijn een chronisch pijnsyndroomen geven zelden aanleiding tot direct ingrijpen.

Behandelingen

  • Antibiotica: wanneer bacteriën de oorzaak zijn van een prostatitis, werken antibiotica meestal goed. Bij chronische prostatitis moet langere tijd antibiotica geslikt worden.
  • Alpha Blockers zorgen ervoor dat de blaashals ontspant waardoor men gemakkelijker en onder minder druk kan plassen.
  • Pijnstillers: onmisbaar in de perioden waarin de pijn erg aanwezig is.
  • Botox injecties: Botuline Toxine (Botox) biedt de mogelijkheid om de zenuwen in de prostaat tijdelijk uit te schakelen. Naar deze behandeling wordt nog volop onderzoek gedaan.
  • Bekkenbodem fysiotherapie geeft structurele verbetering van spieren rondom de blaasuitgang en de prostaat.

Paraphimosis

de afgeknelde voorhuid zwelt op en vormt een kraag rondom de eikel.Paraphimosis is een pijnlijke en acute aandoening waarbij de voorhuid vast komt te zitten achter de rand van de eikel en niet meer over de eikel heen kan schuiven. Meestal wordt dit veroorzaakt door een vernauwing in de voorhuid die afklemt tijdens een erectie. Omdat in deze toestand vocht ophoopt in de afgeknelde voorhuid, zwelt deze op en vormt zo een kraag rondom de rand van de eikel.

Paraphimosis is ook wel bekend als ‘Spaanse kraag’ omdat het lijkt op de kraag die de Spaanse edelen vroeger droegen.
Deze aandoening is zeer pijnlijk en vraagt om een directe oplossing.

Behandeling

De behandeling van paraphimosis bestaat uit het terugduwen van de voorhuid over de rand van de eikel. Meestal kan de uroloog dit na verdoving gemakkelijk doen. Door neusspray aan te brengen op de voorhuid, kan de zwelling wat verminderen. Zo is de voorhuid gemakkelijker terug te duwen.

Soms is het noodzakelijk om een operatie uit te voeren om de voorhuid te bevrijden. Meestal ontaardt dit in een volledige besnijdenis.

Zie ook: vernauwde voorhuid (phimosis)

Vernauwde voorhuid

Een te nauwe voorhuid betekent dat de voorhuid niet over de eikel kan schuiven.

Rijpingsproces van de voorhuid

Als een kind nog klein is, is het normaal dat de voorhuid niet van de eikel af te schuiven is. Deze zitten nog aan elkaar verkleeft. Soms zitten hier wit/geel doorschijnende bultjes tussen. Dit zijn afgestoten huidcellen, ze komen vanzelf vrij en zijn niet schadelijk.
Gedurende de eerste levensjaren heeft het kind ook erecties. Hierdoor wordt langzaam aan de voorhuid getrokken zodat deze loskomt van de eikel (rijpingsproces van de voorhuid). Bij sommige kinderen komt de voorhuid moeilijk los van de eikel als gevolg van een vernauwing van de voorhuid. Dit is meestal een rijpingsachterstand die in de eerste vijf jaar wordt ingehaald. De voorhuid rekt langzaam op en kan later probleemloos over de eikel worden geschoven.

Als het oprekken van de voorhuid uiteindelijk niet optreedt, is ingrijpen gewenst. Dit oprekken kan worden bevorderd door een hormoon-houdende zalf op de eikel te smeren. Uiteindelijk kan een operatie (besnijdenis) noodzakelijk zijn.

Vormen

Een te nauwe voorhuid kan het gevolg zijn van een ziekte of het niet genoeg oprekken (verminderde rijping). Dit is een aangeboren vernauwing. Als het gaat om een zieke voorhuid, zit er een soort ring in de voorhuid die de huid als een elastiekje om de eikel afknelt. Dit kan pijnlijk zijn en zelfs aanleiding geven tot een Paraphimosis (Spaanse kraag). De voorhuid is dan achter de rand van de eikel vast komen te zitten en zwelt zeer fors op. Een besnijdenis of het doorknippen van het zogenaamde elastiekje (verwijdingsplastiek) is een oplossing.

De voorhuid kan ook ontstoken zijn geweest waardoor er een vernauwing is ontstaan; De ontsteking geneest met littekenvorming en kloven die vervolgens opnieuw als litteken genezen. Dit proces geeft vernauwing van de voorhuid. Alleen een volledige besnijdenis levert hier een oplossing.

Klachten

Een te nauwe voorhuid bij pubers en volwassenen geeft kans op ontsteking van de eikel. Ook kan dit pijnlijk zijn bij een erectie en geslachtsgemeenschap.

Operaties

Alle operaties aan de voorhuid duren ongeveer 20 minuten en kunnen onder lokale verdoving worden uitgevoerd op de poliklinische operatiekamer. Alleen voor jonge kinderen is het een dagopname en is de operatie onder volledige narcose.

Plasbuisvernauwing

blaas en plasbuis tijdens het plassen vastgelegd met een röngenfotoEen plasbuisvernauwing wordt ook wel urethrastrictuur genoemd (plasbuis = urethra). Dit ontstaat door beschadiging van het slijmvlies waarmee de plasbuis is bedekt. Dit kan op allerlei manieren gebeuren. Bijvoorbeeld doordat u als kind op de stang van de fiets bent gevallen. Zo kan er een beschadiging aan het slijmvlies ontstaan. Hierdoor kan vervolgens op latere leeftijd littekenweefsel ontstaan, waardoor de plasbuis vernauwt en een zogenaamde "strictuur" vormt.
Andere oorzaken van vernauwingen van de plasbuis zijn het plaatsen van een katheter voor een operatie, geslachtsziekten, ontstekingen aan de penis of een prostaatoperatie.

De plasbuisvernauwing begint meestal als kleine ringetjes en kan langzaam verergeren en daarmee de plasbuis zelfs volledig blokkeren en dit geeft plasproblemen. Vaak is de oorzaak niet bekend.

Polikliniek

De behandeling van plasbuisvernauwing is een speciaal aandachtsgebied binnen de polikliniek Urologie van het Slingeland Ziekenhuis. Ook van buiten de regio van het ziekenhuis komen patiënten speciaal voor het herstellen van de plasbuisvernauwingen naar deze polikliniek. Het aantal bezoeken dat een patiënt aan het Slingeland Ziekenhuis moet brengen, wordt daarbij zo laag mogelijk gehouden.

Problemen

Veel urologische aandoeningen uiten zich als plasproblemen. Is de normale afvoer van urine verstoord, dan geeft dit klachten. Deze klachten kunnen zijn:

  • een slechte urinestraal;
  • te vaak plassen;
  • vervelende aandrang om te plassen;
  • nadruppelen;
  • blaasontstekingen;
  • problemen met erectie en klaarkomen.

De gevolgen van een strictuur

Een strictuur geeft een verhoogde weerstand in de plasbuis. Naarmate de strictuur verergert neemt de weerstand toe. Urine kan er dus minder gemakkelijk langs. Om toch een goede urinestraal te houden gaat de blaas harder samentrekken. Dit geeft pijnklachten. Door de dagelijkse training van de blaas groeit de blaasspier. Deze doet letterlijk aan bodybuilding. Na jaren wordt deze dikker en ontstaan er uitstulpingen. Hierin blijft urine achter zodat er een verhoogd risico op blaasontstekingen ontstaat. Uiteindelijk functioneert de blaas niet meer en wordt plassen onmogelijk. Het is dus noodzakelijk om een strictuur tijdig te behandelen.

Eerste polikliniekbezoek

Al tijdens het eerste bezoek wordt de patiënt na onderzoek volledig geïnformeerd over de vernauwing en de behandelmogelijkheden.
Er volgt een gesprek over de klachten, de mogelijke oorzaak van de vernauwing, eerdere behandelingen en de algehele gezondheid. Daarna wordt direct het vervolgonderzoek (urethro-cystoscopie en röntgenonderzoek) uitgevoerd.

De diagnose

De uroloog zoekt uit wat de oorzaak van de klachten is. De oorzaak kan gelegen zijn in de blaas, de prostaat of de plasbuis.

Gaat het om een vernauwing van de plasbuis, dan is het noodzakelijk om te bepalen waar de zogenaamde strictuur zit en hoe uitgebreid deze is. Hiervoor zijn drie verschillende onderzoeken van toepassing, die allemaal plaatsvinden op de polikliniek Urologie.
Na de onderzoeken is de evaluatie van de vernauwing afgerond. De verschillende behandelmogelijkheden worden uitgebreid besproken met de patiënt. Als een keuze voor een bepaalde behandeling is gemaakt wordt een operatiedatum bepaald. Daarna vindt nog een bezoek aan het pr -operatiefspreekuur plaats bij de anesthesioloog.

Plastest (Uroflow onderzoek)

Bij dit onderzoek (uroflowmetrie) plast u in een metertje. Zo is te meten hoe krachtig uw urinestraal is.

Onderzoeken van de strictuur

  • Urethro-cystoscopie Röntgenfoto van een strictuur

Bij de cystoscopie krijgt u een plaatselijke verdoving. De uroloog schuift vervolgens een heel klein slangetje met daarin een camera (cystoscoop) in de plasbuis (urethra). Deze camera is verbonden met een monitor. De gehele binnenzijde van de plasbuis wordt gefotografeerd. De uroloog kan de vernauwing zo bekijken en de lengte en plaats van de strictuur bepalen.
  • Het röntgenonderzoek (retrograad urethrogram)

De uroloog legt een zeer klein slangetje in het begin van de plasbuis. Door dit slangetje wordt contrastvloeistof in de plasbuis gespoten, zodat de binnenzijde van de buis gevuld is. Met röntgenapparatuur wordt een foto gemaakt zodat de buis als een zwarte streep in beeld komt. De strictuur is als een vernauwing te zien.

Behandelmogelijkheden

Er zijn meerdere behandelmogelijkheden voor een vernauwing in de plasbuis. De behandeling is afhankelijk van de plaats, lengte en de oorzaak van de strictuur. Het doel van de behandeling is om de strictuur op te heffen en ervoor te zorgen dat er niet opnieuw een strictuur ontstaat. Dit valt niet mee aangezien een strictuur littekenweefsel is. Na een behandeling ontstaat altijd opnieuw littekenweefsel. De uroloog probeert ervoor te zorgen dat nieuw littekenvorming zo beperkt mogelijk blijft zodat niet opnieuw een strictuur ontstaat.

Elke plasbuisvernauwing is anders. Een volledig onderzoek is nodig om tot een goed behandeladvies te komen. Het is belangrijk om van tevoren alle mogelijke opties te bespreken. Zo bent u optimaal geïnformeerd over de mogelijke behandelingen en te verwachten resultaten. De vernauwing wordt opgerekt d.m.v. staafjesEen vernauwing kan worden opgerekt of ingesneden, het succespercentage van deze ingrepen ligt echter laag. Alleen een korte strictuur in een specifiek stukje van de plasbuis (het bulbaire deel van de plasbuis) komt hiervoor in aanmerking. Alle andere vernauwingen moeten hersteld worden, deze behandeling heet een urethraplastiek.
  • Oprekken van de vernauwing (Dilatatie)

De uroloog verdooft uw plasbuis. Vervolgens wordt de vernauwing langzaam opgerekt met behulp van in dikte toenemende staafjes. Deze behandeling dient herhaald te worden. In sommige gevallen leert de patiënten om zelf de plasbuis op te rekken, ook wel ‘Clean Intermittant Self Catheterisation’ genoemd.
  • Insnijden van de vernauwing (Sachse interne urethrotomie)

Deze operatie vindt plaats onder narcose of met een ruggenprik. De uroloog brengt via de plasbuis een buisje tot voor de vernauwing in. In dit buisje zit een camera en een mesje (of laser). Het mesje schuift uit het buisje en snijdt de vernauwing in. Hierdoor wordt de plasbuis weer wijder. De vernauwing wordt dan gepasseerd en de uroloog brengt een katheter aan in de plasbuis. De uroloog voert deze ingreep vaak uit. Bij een deel van de patiënten levert dit uitstekende resultaten op. Het voordeel is dat de ingreep weinig belastend en snel is. Een nadeel is dat er in 50 tot 70% van de gevallen opnieuw een vernauwing ontstaat welke dan meestal nog uitgebreider is. Een tweede poging om de vernauwing definitief op te lossen met deze behandeling, leidt in 90% van de gevallen tot een teleurstelling.

Herstellen van de plasbuis (Urethraplastiek)foto van de plasbuis met contrast: de gehele urethra is veranderd in een nauw kralensnoer

Urethraplastiek is een verzamelnaam voor verschillende operaties waarbij de plasbuisvernauwing wordt verholpen. In tegenstelling tot de hierboven genoemde methoden waarbij de vernauwing vanuit de plasbuis wordt benaderd, opent de uroloog bij deze operatie de huid en maakt de plasbuis geheel vrij.

Anastomotische urethraplastiek (uitsnijden strictuur)

Een mogelijke techniek is het wegsnijden van de vernauwing in het het bulbaire deel van de plasbuis en de twee uiteinden weer netjes aan elkaar te zetten. Dit kan omdat de urethra enigszins elastisch is en een S-bocht maakt, die na de operatie wat vlakker wordt. Het resultaat is het beste als de vernauwing kort is en littekenweefsel volledig verwijderd kan worden. De te verwijderen strictuur is dan niet langer dan 4 à 5 centimeter. De gehele strictuur moet worden verwijderd want als er littekenweefsel blijft zitten, vormt zich zonder pardon een nieuwe vernauwing. Het verwijderen van een langere strictuur zou een te korte urethra opleveren waarvan de uiteinden niet meer aan elkaar gezet kunnen worden.
De bedoeling is dat het litteken dat gepaard gaat met de genezing van deze wond geen nieuwe plasbuisvernauwing veroorzaakt.
Het succespercentage van deze anastomose is ongeveer 90%.
De uroloog moet voor deze operatie een snee maken tussen de anus en de balzak. De huid heeft hier zichtbaar een lijntje lopen. Na het openen van de huid en het onderliggende vet, bereikt de uroloog de spier die de urethra bedekt. Deze spier is verantwoordelijk voor het naar buiten persen van sperma tijdens het klaarkomen (ejaculatie). Deze spier wordt ingesneden en opengeklapt en later weer netjes over de plasbuis aangebracht en gesloten.
Om de plasbuis ligt ook het corpus spongiosum, een buisvormig zwellichaam. Dit sponsachtig weefsel wordt ook geopend om bij de plasbuis te kunnen. Om de exacte plaats van de vernauwing te bepalen voert de uroloog een katheter op tot deze vastloopt tegen de strictuur. De punt van de katheter is voelbaar voor de uroloog en geeft aan waar de urethra doorgesneden moet worden. Vanaf dat punt verwijderd de uroloog de gehele vernauwing. De beide uiteinden van de plasbuis worden ontdaan van alle littekenweefsel zodat mooi soepel en elastisch weefsel overblijft. De openingen worden wat ruimer gemaakt en vervolgens weer aan elkaar gezet. Er is een katheter in de plasbuis welke door de anastomose (nieuwe aansluiting) loopt, zodat dit goed kan genezen. De katheter wordt na twee weken verwijderd, de naad is dan waterdicht.

Reconstructieve techniek bij lange vernauwing of vernauwing uiteinde plasbuis

Als de vernauwing te lang is of aan het uiteinde van de plasbuis zit, is wegsnijden van een stuk plasbuis onmogelijk. Het aan elkaar zetten van de uiteinden lukt dan niet of levert een verkorting van de penis op. Dit kan onder meer leiden tot kromstand bij erectie. Er wordt dan voor gekozen om de plasbuis over de lengte te openen. De vernauwing bestaat uit littekenweefsel maar dit verwijderd de uroloog niet. Na het openklappen van het vernauwde gedeelte van de plasbuis is het nodig om extra weefsel aan te brengen om de plasbuis ruimer te maken en zo de vernauwing op te heffen. Het nieuwe weefsel wordt ook wel een 'graft' genoemd. Het slijmvlies dat hiervoor wordt gebruikt is afkomstig uit de mondholte. De urologen in Doetinchem gebruiken hiervoor een stukje slijmvlies dat onder de tong zit. Dit kan gemakkelijk worden verwijderd zonder dat de functie van de tong wordt aangetast. Bovendien geneest de wond in de mond zeer snel.
Dit stukje slijmvlies zet de uroloog in de plasbuis. De buitenzijde van het tong-slijmvlies is bestand tegen allerlei invloeden van buitenaf zoals zuren en chemische structuren. Dit komt aan de binnenzijde van de urethra omdat het in contact komt met passerende urine. De buitenzijde groeit door nieuwe bloedvaatjes vast in het omliggende weefsel en houdt zo de plasbuis open. De uroloog legt een katheter door de plasbuis tot in de blaas.
Meestal kan de patiënt de dag na de operatie al naar huis. De katheter blijft nog twee tot drie weken in de plasbuis. Zolang de katheter nog is ingebracht adviseren we de patiënt antibiotica te gebruiken.
Na ongeveer twee tot drie weken is de wond geheeld. De patiënt komt dan naar de polikliniek Urologie waar we opnieuw een röntgenonderzoek doen. Hij krijgt contrastvloeistof in de plasbuis gespoten en er wordt een röntgenfoto gemaakt van de plasbuis. Als er geen lekkage is wordt de katheter verwijderd en kunt u weer zelf plassen.
De eerstvolgende contole op de polikliniek is na drie maanden. Na een jaar wordt nog eens een cystoscopie gemaakt waarbij de urethraplastiek kan worden bekeken. Als na deze laatste controle nog plasproblemen ontstaan is het verstandig contact op te nemen met de uroloog.

Opnieuw problemen

Helaas is ook bij deze 'open' urehtra-reconstructies geen honderd procent succes verzekerd. Soms ontstaat een nieuwe strictuur. Dit kan een flinterdun vliesje zijn dat zich vormt op de hoekjes het ingebrachte slijmvlies. Een keer oprekken of insnijden is voldoende om dit probleem op te lossen.
Er kan ook sprake zijn van vernieuwd littekenweefsel. Afhankelijk van de ernst en de hardnekkigheid, is dan een nieuwe open operatie nodig. Hierna krijgt 80 tot 90% van deze patiënten geen problemen meer.

Zie ook:


Plasbuisvernauwing

blaas en plasbuis tijdens het plassen vastgelegd met een röngenfotoEen plasbuisvernauwing wordt ook wel urethrastrictuur genoemd (plasbuis = urethra). Dit ontstaat door beschadiging van het slijmvlies waarmee de plasbuis is bedekt. Dit kan op allerlei manieren gebeuren. Bijvoorbeeld doordat u als kind op de stang van de fiets bent gevallen. Zo kan er een beschadiging aan het slijmvlies ontstaan. Hierdoor kan vervolgens op latere leeftijd littekenweefsel ontstaan, waardoor de plasbuis vernauwt en een zogenaamde "strictuur" vormt.
Andere oorzaken van vernauwingen van de plasbuis zijn het plaatsen van een katheter voor een operatie, geslachtsziekten, ontstekingen aan de penis of een prostaatoperatie.

De plasbuisvernauwing begint meestal als kleine ringetjes en kan langzaam verergeren en daarmee de plasbuis zelfs volledig blokkeren en dit geeft plasproblemen. Vaak is de oorzaak niet bekend.

Polikliniek

De behandeling van plasbuisvernauwing is een speciaal aandachtsgebied binnen de polikliniek Urologie van het Slingeland Ziekenhuis. Ook van buiten de regio van het ziekenhuis komen patiënten speciaal voor het herstellen van de plasbuisvernauwingen naar deze polikliniek. Het aantal bezoeken dat een patiënt aan het Slingeland Ziekenhuis moet brengen, wordt daarbij zo laag mogelijk gehouden.

Problemen

Veel urologische aandoeningen uiten zich als plasproblemen. Is de normale afvoer van urine verstoord, dan geeft dit klachten. Deze klachten kunnen zijn:

  • een slechte urinestraal;
  • te vaak plassen;
  • vervelende aandrang om te plassen;
  • nadruppelen;
  • blaasontstekingen;
  • problemen met erectie en klaarkomen.

De gevolgen van een strictuur

Een strictuur geeft een verhoogde weerstand in de plasbuis. Naarmate de strictuur verergert neemt de weerstand toe. Urine kan er dus minder gemakkelijk langs. Om toch een goede urinestraal te houden gaat de blaas harder samentrekken. Dit geeft pijnklachten. Door de dagelijkse training van de blaas groeit de blaasspier. Deze doet letterlijk aan bodybuilding. Na jaren wordt deze dikker en ontstaan er uitstulpingen. Hierin blijft urine achter zodat er een verhoogd risico op blaasontstekingen ontstaat. Uiteindelijk functioneert de blaas niet meer en wordt plassen onmogelijk. Het is dus noodzakelijk om een strictuur tijdig te behandelen.

Eerste polikliniekbezoek

Al tijdens het eerste bezoek wordt de patiënt na onderzoek volledig geïnformeerd over de vernauwing en de behandelmogelijkheden.
Er volgt een gesprek over de klachten, de mogelijke oorzaak van de vernauwing, eerdere behandelingen en de algehele gezondheid. Daarna wordt direct het vervolgonderzoek (urethro-cystoscopie en röntgenonderzoek) uitgevoerd.

De diagnose

De uroloog zoekt uit wat de oorzaak van de klachten is. De oorzaak kan gelegen zijn in de blaas, de prostaat of de plasbuis.

Gaat het om een vernauwing van de plasbuis, dan is het noodzakelijk om te bepalen waar de zogenaamde strictuur zit en hoe uitgebreid deze is. Hiervoor zijn drie verschillende onderzoeken van toepassing, die allemaal plaatsvinden op de polikliniek Urologie.
Na de onderzoeken is de evaluatie van de vernauwing afgerond. De verschillende behandelmogelijkheden worden uitgebreid besproken met de patiënt. Als een keuze voor een bepaalde behandeling is gemaakt wordt een operatiedatum bepaald. Daarna vindt nog een bezoek aan het pr -operatiefspreekuur plaats bij de anesthesioloog.

Plastest (Uroflow onderzoek)

Bij dit onderzoek (uroflowmetrie) plast u in een metertje. Zo is te meten hoe krachtig uw urinestraal is.

Onderzoeken van de strictuur

  • Urethro-cystoscopie Röntgenfoto van een strictuur

Bij de cystoscopie krijgt u een plaatselijke verdoving. De uroloog schuift vervolgens een heel klein slangetje met daarin een camera (cystoscoop) in de plasbuis (urethra). Deze camera is verbonden met een monitor. De gehele binnenzijde van de plasbuis wordt gefotografeerd. De uroloog kan de vernauwing zo bekijken en de lengte en plaats van de strictuur bepalen.
  • Het röntgenonderzoek (retrograad urethrogram)

De uroloog legt een zeer klein slangetje in het begin van de plasbuis. Door dit slangetje wordt contrastvloeistof in de plasbuis gespoten, zodat de binnenzijde van de buis gevuld is. Met röntgenapparatuur wordt een foto gemaakt zodat de buis als een zwarte streep in beeld komt. De strictuur is als een vernauwing te zien.

Behandelmogelijkheden

Er zijn meerdere behandelmogelijkheden voor een vernauwing in de plasbuis. De behandeling is afhankelijk van de plaats, lengte en de oorzaak van de strictuur. Het doel van de behandeling is om de strictuur op te heffen en ervoor te zorgen dat er niet opnieuw een strictuur ontstaat. Dit valt niet mee aangezien een strictuur littekenweefsel is. Na een behandeling ontstaat altijd opnieuw littekenweefsel. De uroloog probeert ervoor te zorgen dat nieuw littekenvorming zo beperkt mogelijk blijft zodat niet opnieuw een strictuur ontstaat.

Elke plasbuisvernauwing is anders. Een volledig onderzoek is nodig om tot een goed behandeladvies te komen. Het is belangrijk om van tevoren alle mogelijke opties te bespreken. Zo bent u optimaal geïnformeerd over de mogelijke behandelingen en te verwachten resultaten. De vernauwing wordt opgerekt d.m.v. staafjesEen vernauwing kan worden opgerekt of ingesneden, het succespercentage van deze ingrepen ligt echter laag. Alleen een korte strictuur in een specifiek stukje van de plasbuis (het bulbaire deel van de plasbuis) komt hiervoor in aanmerking. Alle andere vernauwingen moeten hersteld worden, deze behandeling heet een urethraplastiek.
  • Oprekken van de vernauwing (Dilatatie)

De uroloog verdooft uw plasbuis. Vervolgens wordt de vernauwing langzaam opgerekt met behulp van in dikte toenemende staafjes. Deze behandeling dient herhaald te worden. In sommige gevallen leert de patiënten om zelf de plasbuis op te rekken, ook wel ‘Clean Intermittant Self Catheterisation’ genoemd.
  • Insnijden van de vernauwing (Sachse interne urethrotomie)

Deze operatie vindt plaats onder narcose of met een ruggenprik. De uroloog brengt via de plasbuis een buisje tot voor de vernauwing in. In dit buisje zit een camera en een mesje (of laser). Het mesje schuift uit het buisje en snijdt de vernauwing in. Hierdoor wordt de plasbuis weer wijder. De vernauwing wordt dan gepasseerd en de uroloog brengt een katheter aan in de plasbuis. De uroloog voert deze ingreep vaak uit. Bij een deel van de patiënten levert dit uitstekende resultaten op. Het voordeel is dat de ingreep weinig belastend en snel is. Een nadeel is dat er in 50 tot 70% van de gevallen opnieuw een vernauwing ontstaat welke dan meestal nog uitgebreider is. Een tweede poging om de vernauwing definitief op te lossen met deze behandeling, leidt in 90% van de gevallen tot een teleurstelling.

Herstellen van de plasbuis (Urethraplastiek)foto van de plasbuis met contrast: de gehele urethra is veranderd in een nauw kralensnoer

Urethraplastiek is een verzamelnaam voor verschillende operaties waarbij de plasbuisvernauwing wordt verholpen. In tegenstelling tot de hierboven genoemde methoden waarbij de vernauwing vanuit de plasbuis wordt benaderd, opent de uroloog bij deze operatie de huid en maakt de plasbuis geheel vrij.

Anastomotische urethraplastiek (uitsnijden strictuur)

Een mogelijke techniek is het wegsnijden van de vernauwing in het het bulbaire deel van de plasbuis en de twee uiteinden weer netjes aan elkaar te zetten. Dit kan omdat de urethra enigszins elastisch is en een S-bocht maakt, die na de operatie wat vlakker wordt. Het resultaat is het beste als de vernauwing kort is en littekenweefsel volledig verwijderd kan worden. De te verwijderen strictuur is dan niet langer dan 4 à 5 centimeter. De gehele strictuur moet worden verwijderd want als er littekenweefsel blijft zitten, vormt zich zonder pardon een nieuwe vernauwing. Het verwijderen van een langere strictuur zou een te korte urethra opleveren waarvan de uiteinden niet meer aan elkaar gezet kunnen worden.
De bedoeling is dat het litteken dat gepaard gaat met de genezing van deze wond geen nieuwe plasbuisvernauwing veroorzaakt.
Het succespercentage van deze anastomose is ongeveer 90%.
De uroloog moet voor deze operatie een snee maken tussen de anus en de balzak. De huid heeft hier zichtbaar een lijntje lopen. Na het openen van de huid en het onderliggende vet, bereikt de uroloog de spier die de urethra bedekt. Deze spier is verantwoordelijk voor het naar buiten persen van sperma tijdens het klaarkomen (ejaculatie). Deze spier wordt ingesneden en opengeklapt en later weer netjes over de plasbuis aangebracht en gesloten.
Om de plasbuis ligt ook het corpus spongiosum, een buisvormig zwellichaam. Dit sponsachtig weefsel wordt ook geopend om bij de plasbuis te kunnen. Om de exacte plaats van de vernauwing te bepalen voert de uroloog een katheter op tot deze vastloopt tegen de strictuur. De punt van de katheter is voelbaar voor de uroloog en geeft aan waar de urethra doorgesneden moet worden. Vanaf dat punt verwijderd de uroloog de gehele vernauwing. De beide uiteinden van de plasbuis worden ontdaan van alle littekenweefsel zodat mooi soepel en elastisch weefsel overblijft. De openingen worden wat ruimer gemaakt en vervolgens weer aan elkaar gezet. Er is een katheter in de plasbuis welke door de anastomose (nieuwe aansluiting) loopt, zodat dit goed kan genezen. De katheter wordt na twee weken verwijderd, de naad is dan waterdicht.

Reconstructieve techniek bij lange vernauwing of vernauwing uiteinde plasbuis

Als de vernauwing te lang is of aan het uiteinde van de plasbuis zit, is wegsnijden van een stuk plasbuis onmogelijk. Het aan elkaar zetten van de uiteinden lukt dan niet of levert een verkorting van de penis op. Dit kan onder meer leiden tot kromstand bij erectie. Er wordt dan voor gekozen om de plasbuis over de lengte te openen. De vernauwing bestaat uit littekenweefsel maar dit verwijderd de uroloog niet. Na het openklappen van het vernauwde gedeelte van de plasbuis is het nodig om extra weefsel aan te brengen om de plasbuis ruimer te maken en zo de vernauwing op te heffen. Het nieuwe weefsel wordt ook wel een 'graft' genoemd. Het slijmvlies dat hiervoor wordt gebruikt is afkomstig uit de mondholte. De urologen in Doetinchem gebruiken hiervoor een stukje slijmvlies dat onder de tong zit. Dit kan gemakkelijk worden verwijderd zonder dat de functie van de tong wordt aangetast. Bovendien geneest de wond in de mond zeer snel.
Dit stukje slijmvlies zet de uroloog in de plasbuis. De buitenzijde van het tong-slijmvlies is bestand tegen allerlei invloeden van buitenaf zoals zuren en chemische structuren. Dit komt aan de binnenzijde van de urethra omdat het in contact komt met passerende urine. De buitenzijde groeit door nieuwe bloedvaatjes vast in het omliggende weefsel en houdt zo de plasbuis open. De uroloog legt een katheter door de plasbuis tot in de blaas.
Meestal kan de patiënt de dag na de operatie al naar huis. De katheter blijft nog twee tot drie weken in de plasbuis. Zolang de katheter nog is ingebracht adviseren we de patiënt antibiotica te gebruiken.
Na ongeveer twee tot drie weken is de wond geheeld. De patiënt komt dan naar de polikliniek Urologie waar we opnieuw een röntgenonderzoek doen. Hij krijgt contrastvloeistof in de plasbuis gespoten en er wordt een röntgenfoto gemaakt van de plasbuis. Als er geen lekkage is wordt de katheter verwijderd en kunt u weer zelf plassen.
De eerstvolgende contole op de polikliniek is na drie maanden. Na een jaar wordt nog eens een cystoscopie gemaakt waarbij de urethraplastiek kan worden bekeken. Als na deze laatste controle nog plasproblemen ontstaan is het verstandig contact op te nemen met de uroloog.

Opnieuw problemen

Helaas is ook bij deze 'open' urehtra-reconstructies geen honderd procent succes verzekerd. Soms ontstaat een nieuwe strictuur. Dit kan een flinterdun vliesje zijn dat zich vormt op de hoekjes het ingebrachte slijmvlies. Een keer oprekken of insnijden is voldoende om dit probleem op te lossen.
Er kan ook sprake zijn van vernieuwd littekenweefsel. Afhankelijk van de ernst en de hardnekkigheid, is dan een nieuwe open operatie nodig. Hierna krijgt 80 tot 90% van deze patiënten geen problemen meer.

Zie ook:


Vasovasostomie: hersteloperatie na sterilisatie

Mannen die in het verleden zich hebben laten steriliseren, kunnen dit middels een vasovasostomie ongedaan laten maken. Sterilisatie is een veel gebruikte methode voor anticonceptie, waarbij het uitgangspunt was dat deze onomkeerbaar en dus definitief zou zijn. 

VasoVaso kliniek
De urologen van de Vasovaso kliniek kunnen de sterilisate bij veel mannen weer ongedaan maken. De uiteinden van de doorgeknipte zaadleiders worden dan opnieuw aan elkaar gezet (vasovasostomie). 
   

  Bekijk onze vernieuwde uitgebreide website Vasovasokliniek.nl


Op deze website vindt u informatie over:
  • De behandeling
  • De specialisten
  • De kans van slagen
  • De resultaten
  • De kosten
  • Veel gestelde vragen
  • Contactmogelijkheden

Bereikbaarheid

De Vasovaso-kliniek is bereikbaar op telefoonnummer (0314) 32 96 99. Op werkdagen van 08.30 uur tot 17.00 uur en op dinsdagavond van 17.00 tot 20.30 uur. Bel gerust voor meer informatie.

Wat is de beste tijd om te bellen?

Heeft u vragen over deze operatie? U kunt ons het beste op dinsdagavond bellen tussen 17.00 en 19.00 uur. 

Resultaat

Gemiddeld is de kans op een succesvolle operatie zo’n 85%. Een geslaagde operatie leidt bij ongeveer 50% van de koppels tot een zwangerschap. De kans op succes is afhankelijk van de methode van sterilisatie, de duur tussen de sterilisatie en de hersteloperatie, de toestand van het zaad en de genezing van de opnieuw aan elkaar gezette uiteinden van de zaadleider.

Operatiemethode

Na het openen van het scrotum (balzak) worden de zaadleiders opgezocht. Beide uiteinden worden vrijgemaakt en doorgesneden. De bijbal wordt 'gemasseerd' om te zien of er zaad door dit uiteinde van de zaadleider naar buiten komt. Dit is het moment waarop het uiteindelijke succes van de operatie kan worden ingeschat. Als er geen zaad passeert moet de zaadleider worden ingekort tot er zaad naar buiten komt. Het succespercentage van de operatie daalt hierdoor sterk. Het andere uiteinde van de zaadleider wordt ontdaan van het littekenweefsel. Er wordt water door de zaadleider gespoten om te zien of de doorgang vrij is. Als dit lukt kunnen de beide uiteinden aan elkaar worden gezet.

Folder

In de folder 'hersteloperatie na sterilisatie' (pdf) staat uitgebreide informatie over het intakegesprek met de uroloog, de voorbereiding op de operatie, de operatiemethode, adviezen voor na de operatie en de mogelijke risico's.

Kosten en vergoeding

Houd er rekening mee dat deze behandeling niet onder de basiszorgverzekering valt en dus in principe niet wordt vergoed. Het kan zijn dat u een aanvullende zorgverzekering hebt die de kosten (gedeeltelijk) vergoedt. U bent als patiënt zelf verantwoordelijk om na te gaan of uw behandeling (gedeeltelijk) wordt vergoed.
Meer informatie vindt u op de website www.vasovasokliniek.nl.

Zie ook: 

 Specialisten in de Vasovasostomie: uitzending Focuz TV
Youtube video vasovasostomie in Slingeland

Vasovasostomie: hersteloperatie na sterilisatie

Mannen die in het verleden zich hebben laten steriliseren, kunnen dit middels een vasovasostomie ongedaan laten maken. Sterilisatie is een veel gebruikte methode voor anticonceptie, waarbij het uitgangspunt was dat deze onomkeerbaar en dus definitief zou zijn. 

VasoVaso kliniek
De urologen van de Vasovaso kliniek kunnen de sterilisate bij veel mannen weer ongedaan maken. De uiteinden van de doorgeknipte zaadleiders worden dan opnieuw aan elkaar gezet (vasovasostomie). 
   

  Bekijk onze vernieuwde uitgebreide website Vasovasokliniek.nl


Op deze website vindt u informatie over:
  • De behandeling
  • De specialisten
  • De kans van slagen
  • De resultaten
  • De kosten
  • Veel gestelde vragen
  • Contactmogelijkheden

Bereikbaarheid

De Vasovaso-kliniek is bereikbaar op telefoonnummer (0314) 32 96 99. Op werkdagen van 08.30 uur tot 17.00 uur en op dinsdagavond van 17.00 tot 20.30 uur. Bel gerust voor meer informatie.

Wat is de beste tijd om te bellen?

Heeft u vragen over deze operatie? U kunt ons het beste op dinsdagavond bellen tussen 17.00 en 19.00 uur. 

Resultaat

Gemiddeld is de kans op een succesvolle operatie zo’n 85%. Een geslaagde operatie leidt bij ongeveer 50% van de koppels tot een zwangerschap. De kans op succes is afhankelijk van de methode van sterilisatie, de duur tussen de sterilisatie en de hersteloperatie, de toestand van het zaad en de genezing van de opnieuw aan elkaar gezette uiteinden van de zaadleider.

Operatiemethode

Na het openen van het scrotum (balzak) worden de zaadleiders opgezocht. Beide uiteinden worden vrijgemaakt en doorgesneden. De bijbal wordt 'gemasseerd' om te zien of er zaad door dit uiteinde van de zaadleider naar buiten komt. Dit is het moment waarop het uiteindelijke succes van de operatie kan worden ingeschat. Als er geen zaad passeert moet de zaadleider worden ingekort tot er zaad naar buiten komt. Het succespercentage van de operatie daalt hierdoor sterk. Het andere uiteinde van de zaadleider wordt ontdaan van het littekenweefsel. Er wordt water door de zaadleider gespoten om te zien of de doorgang vrij is. Als dit lukt kunnen de beide uiteinden aan elkaar worden gezet.

Folder

In de folder 'hersteloperatie na sterilisatie' (pdf) staat uitgebreide informatie over het intakegesprek met de uroloog, de voorbereiding op de operatie, de operatiemethode, adviezen voor na de operatie en de mogelijke risico's.

Kosten en vergoeding

Houd er rekening mee dat deze behandeling niet onder de basiszorgverzekering valt en dus in principe niet wordt vergoed. Het kan zijn dat u een aanvullende zorgverzekering hebt die de kosten (gedeeltelijk) vergoedt. U bent als patiënt zelf verantwoordelijk om na te gaan of uw behandeling (gedeeltelijk) wordt vergoed.
Meer informatie vindt u op de website www.vasovasokliniek.nl.

Zie ook: 

 Specialisten in de Vasovasostomie: uitzending Focuz TV
Youtube video vasovasostomie in Slingeland

Consulent Urologie

Route 100, polikliniek Urologie

Consulenten

De verpleegkundig consulenten hebben specifieke kennis opgedaan met betrekking tot bepaalde aandoeningen en ziektes. Hierdoor kunnen zij deze patiënten informeren over de behandeling, adviseren en instructie geven bij het omgaan met hun ziekte. Natuurlijk beantwoorden zij ook vragen van patiënten.

Naast de contacten met patiënten hebben deze functionarissen ook taken op het gebied van consultatie, deskundigheidsbevordering, onderzoek, innovatie en zorgbeleid.

De consulenten werken nauw samen met de artsen, nurse practitioners en thuiszorg. Daarnaast onderhouden zij contacten met andere zorgverleners zoals verpleegkundigen van de verpleegafdelingen, fysiotherapeuten en maatschappelijk werkenden.

Consulenten Urologie

Op de polikliniek Urologie zijn twee verpleegkundig consulenten Urologie werkzaam. Zij hebben zich gespecialiseerd in diverse urologische problemen, waaronder incontinentie, erectiestoornissen en plasproblemen.

Hulp en begeleiding bij incontinentie

De verpleegkundig consulent probeert duidelijk te krijgen om welke soort incontinentie het precies gaat bij de patiënt en legt uit welke behandelingen mogelijk zijn.
Naast informeren, begeleidt en ondersteunt de consulent bij de behandeling. De consulent geeft uitleg over de functie van de blaas en de anatomie van de urinewegen.

Niet iedereen met plas- en/of incontinentie problemen heeft dezelfde klachten. Er is steeds meer bekend over verschillende oorzaken. Met die kennis zijn de behandelmethoden verbeterd. Een operatie is niet altijd de oplossing. Het blijkt dat het doen van oefeningen en bewust worden van het “plasgedrag” ook belangrijke factoren zijn.

De consulent begeleidt de patiënt bij blaastraining en geeft uitleg over de juiste houding op het toilet. Plasgedrag en drinkgewoonten worden inzichtelijk gemaakt en zo nodig wordt advies gegeven om dit aan te passen. Patiënten die zelf hun blaas niet goed leeg kunnnen plassen wordt geleerd hoe ze zelf een katheter kunnen aanbrengen.

De consulent Urologie kan tips geven en vragen beantwoorden over gebruik van bijvoorbeeld incontinentiematerialen maar ook over de financiële vergoedingen bij zorgverzekeraars.

Kinderen met plasproblemen en incontinentie

De consulent urologie heeft de opleiding tot kinderurotherapeut gedaan en begeleidt kinderen met plasproblemen en incontinentie. Hierbij werkt zij nauw samen met de kinderarts, de uroloog en de bekkenfysiotherapeut. Kinderen en hun ouders krijgen uitleg over het probleem van de blaas. Er wordt een behandelplan gemaakt om het kind te leren hoe, wanneer en hoe vaak er geplast moet worden. Hierbij is begeleiding en coaching van de consulent een belangrijk onderdeel.

Verpleegkundig spreekuur

Er is een spreekuur voor zowel volwassenen als voor kinderen. Tijdens het spreekuur brengt wordt het probleem van de patiënt in kaart gebracht. In afstemming met de arts wordt de patiënt geïnformeerd over de oorzaak van het probleem. Hierna krijgt de patiënt uitleg over de behandelmogelijkheden en adviezen om zo de klachten te verminderen.

Verwijzing naar het spreekuur vindt plaats door de uroloog, gynaecoloog, kinderarts of huisarts. Het spreekuur vindt plaats bij de polikliniek Urologie, wachtkamer nummer 100.

Vragen

Als u vragen heeft of een afspraak wilt verzetten kunt u contact opnemen met de polikliniek Urologie.
Telefoon: (0314) 32 95 72.

Patiëntenverenigingen & websites

Patiëntenverenigingen


Interessante websites

Deel uw ervaringen

  • Zorgkaart Nederland: www.zorgkaartnederland.nl
    Deze website biedt het meest complete en onafhankelijke overzicht van het aanbod aan zorgverleners en zorgdiensten in uw regio. Tevens kunt u uw waardering voor- en/of ervaringen met het Slingeland Ziekenhuis delen met anderen.

Urineverlies

Sommige mensen hebben moeite om hun plas (urine) op te houden. Urineverlies, ook wel incontinentie genoemd, komt op alle leeftijden voor en kent vele vormen en oorzaken. Het urineverlies kan variëren van een paar druppels urine tot het continu verliezen van alle urine die het lichaam aanmaakt. Bovendien kan dit slechts af en toe gebeuren of een paar keer per dag.

Niet iedereen zoekt hulp bij ongewenst urineverlies. Sommige mensen accepteren het probleem en beschouwen de incontinentie als iets dat er nu eenmaal bij hoort als je ouder wordt. Er zijn vele mogelijkheden om ongewenst urineverlies te verhelpen.

 

Functie van de blaas

De belangrijkste functie van de blaas is het opslaan van urine en het ledigen van de blaas. Het opslaan van urine gebeurt gedurende de dag constant omdat deze druppelsgewijs wordt gevuld vanuit de linker en de rechter nier. De aanmaak van urine is een continu proces en afhankelijk van de hoeveelheid vocht die we in ons lichaam meedragen. Drinken we veel, en moet er dus veel vocht worden afgevoerd, dan druppelt er meer urine in de blaas.
De blaas vult zich tot een bepaald niveau. De blaas geeft via de zenuwen aan de hersenen een signaal dat deze bijna vol is. Dan realiseren we ons dat we binnen enige tijd naar het toilet moeten. We hebben nog wel de mogelijkheid om het plassen nog even uit te stellen. Ondertussen raakt de blaas voller. Als de blaas de maximale inhoud bereikt wordt de prikkel naar de hersenen sterker en zullen wij meer aandrang voelen. We kunnen dan nog steeds de urine ophouden. De blaas blijft zich echter druppelsgewijs vullen. Het kan zijn dat na het overschrijden van de maximale blaascapaciteit de aandrang pijnlijk wordt. Normaal gesproken is er ook dan nog ruim de tijd om opzoek te gaan naar een toilet. De druk in de blaas blijft gelijk gedurende het vullen.

Urineverlies bij mannen uitzonderlijker dan bij vrouwen

Urineverlies komt zowel bij mannen als bij vrouwen voor, maar het is uitzonderlijker bij mannen. Dit heeft o.a. te maken met de lengte van de plasbuis. De plasbuis van mannen is langer dan die van vrouwen. Dit betekent dat zijn plasbuis een langer afsluitmechanisme heeft dat onderweg de binnenste sluitspier, de prostaat en de buitenste sluitspier tegenkomt. De vrouw heeft maar één afsluitmechanisme, de buitenste sluitspier ‘externe sfincter’.

Ook de ondersteuning van het omliggende weefsel speelt een rol. De bekkenbodem is bij vrouwen een stuk minder sterk dan bij mannen (ook door zwangerschap, verzakking etc). Een derde factor is dat het slijmvlies in de plasbuis een rol speelt bij het goed kunnen afsluiten. Na de overgang van vrouwen droogt dit slijmvlies uit waardoor de plasbuis minder goed dicht gedrukt kan worden en waardoor de plasbuis kwetsbaarder wordt en sneller geprikkeld kan zijn.

Incontinentie bij de man

Mannen zijn zelden incontinent. Urineverlies komt wel voor maar meestal in de vorm van nadruppelen. Dit ontstaat bij mannen bij wie de prostaat met het ouder worden problemen gaat geven. Deze mannen ontwikkelen plasklachten zoals een zwakke straal, meer aandrang en ’s nachts meerdere malen moeten plassen. Hierbij komt het nadruppelen vaak voor.

Andere vormen van mannelijke incontinentie zijn voornamelijk ‘iatrogeen’. Dit betekent dat het een gevolg is van een medische handeling. De belangrijkste oorzaak is urineverlies door een prostaatoperatie.
Bij een operatie vanwege een goedaardige prostaatvergroting komt deze complicatie weinig voor. Bij een prostaatoperatie vanwege prostaatkanker komt incontinentie bij ongeveer 10% van de geopereerde mannen voor.
Deze vormen van urineverlies zijn over het algemeen niet ernstig. Urineverlies komt ook voor bij mannen die lijden aan neurologische ziekten zoals een herseninfarct. Incontinentie bij mannen is moeilijk te behandelen.

Vormen van incontinentie

Aandrang-incontinentie

Soms begint de blaas al met samentrekken zodra het eerste seintje aan de hersenen wordt gegeven dat de blaas gevuld is. De druk in de blaas zal hierdoor toenemen. Dit wordt gevoeld als ernstige (pijnlijke) aandrang alsof de blaas erg vol zit. De behoefte om te plassen kan dan nauwelijks worden uitgesteld. Als tijdens deze aandrang de druk in de blaas hoger wordt dan de druk in de sluitspieren, dan zal de urine uit de blaas lopen en is er sprake van incontinentie. (Zie ook: overactieve blaas).

Stressincontinentie (inspanningsincontinentie)

De druk in de blaas kan ook toenemen door hoesten, niezen, persen, springen of bewegen. Als de druk in het lichaam toeneemt zal de druk in de blaas ook toenemen. De sluitspieren van de plasbuis moeten dan in staat zijn om harder te knijpen zodat er geen urine uit de blaas kan. Als we beschikken over goed functionerende sluitspieren zal de urine keurig opgehouden worden.
Is dit niet het geval dan is er sprake van inspannings- of stressincontinentie. Deze vorm van incontinentie komt het meeste voor bij vrouwen na hun bevalling of bij een verzakking. (Een verzakking is het dalen van een orgaan, een deel van een orgaan of een weefsel als gevolg van verslapping van de bevestiging).
Soms is het probleem tijdelijk, maar vaak wordt deze incontinentie ernstiger gedurende het ouder worden.
Zie ook: stressincontinentie - behandeling bekkenfysiotherapeut

Oorzaken stressincontinentie

Er zijn verschillende oorzaken waardoor het afsluiten van de plasbuis faalt als de druk in de blaas te hoog wordt voor de sluitspier.

Hypermobiele urethra (bewegende plasbuis)

De plasbuis zit niet goed meer vast aan het omliggende weefsel en kan op en neer bewegen bij drukveranderingen in het lichaam. Hierdoor kan het zijn dat de wanden van de plasbuis van elkaar af worden getrokken en er een opening ontstaat waardoor de urine kan weglopen.

Intrinsieke sfincter deficiëntie (sluitspier sluit niet goed af)

Het woord sfincter staat voor sluitspier en deficiëntie betekent niet goed functioneren. Meestal is het niet meer goed werken van de sluitspier het gevolg van een ziekte, aandoening of behandeling in het bekkengebied. Operaties en bestraling veroorzaken littekenweefsel. Als dit in de sluitspier zit kan deze minder goed samentrekken. De plasbuis zal hierdoor ook bij lage druk in de blaas urine gaan lekken.

Stressincontinentie heeft te maken met het functioneren van de plasbuis (urethra). Deze bestaat voornamelijk uit spierweefsel en is ingebed in de bekkenbodem. De blaas is afgesloten met een sluitspier en de bekkenbodemspieren houden hem op zijn plaats. De bekkenbodemspieren vormen een soort hangmat van spieren onderaan het bekken. Het is een zeer complexe spier die de bekkentrechter afsluit. Er zitten echter drie verschillende openingen in: de vagina, de plasbuis en de anus. De bekkenbodemspier moet in staat zijn om selectief de verschillende functies te ondersteunen.

Behandelingen

Bekkenbodem-fysiotherapie

Stressincontinentie heeft te maken met het goed of niet goed functioneren van spieren in de bekkenbodem. Het ligt dan ook voor de hand dat de eerste keuze voor een behandeling fysiotherapie is in de vorm van bekkenbodemtherapie.
Met behulp van ‘biofeedback’ en meetapparatuur kan de bekkenbodemspier worden gecontroleerd, gestimuleerd en getraind.
Bij biofeedback worden signalen gebruikt om wenselijk gedrag aan te leren en ook bepaalde lichamelijke functies te optimaliseren. Patiënten met weinig tot matige stressincontinentie kunnen zichzelf zodanig trainen dat ze volledig droog blijven.
Ernstige stressincontinentie is meestal niet met bekkenbodemtherapie te verhelpen.

De incontinentie door de hypermobiele plasbuis is beter te behandelen met bekkenbodemtherapie dan urineverlies door afwijkingen in de sluitspier. Bekkentherapie is echter altijd aan te raden, aangezien het in goede conditie brengen van de bekkenbodemspier ook andere vormen van therapie ten goede komt.
Zie ook: oefeningen bekkenbodemspieren

Operaties bij stressincontinentie

Operatieve behandeling van stress-incontinentie is gebaseerd op ondersteuning van de blaashals (de overgang van de blaas naar de plasbuis) en de plasbuis. Hierdoor treedt er bij drukverhoging (persen, hoesten, niezen, tillen etc.) geen urineverlies op. Er zijn meerdere operatietechnieken waarvan de twee meest voorkomende worden beschreven. Operaties aan de sluitspier worden niet uitgevoerd zonder dat eerst bekkenbodemtherapie is gevolgd.

Operatie met plaatsen van een kunststof bandje (TVT-bandje) bij vrouw

Via de vagina wordt een kunststof bandje onder de plasbuis geplaatst. .

Er is veel variatie in de bandjes (TVT/TOT), maar in essentie is de functie van de bandjes gelijk. Een dergelijk bandje wordt ingebracht in de vaginavoorwand, en loopt dan naar de beide zijkanten of achter het schaambeen langs naar de buik. Deze bandjes worden niet vastgemaakt. Door de structuur van het materiaal grijpen ze in het weefsel. Hierdoor bewegen de bandjes mee met een spieractie. De bandjes krijgen hierdoor een dynamische werking.

Het inbrengen van het bandje is relatief eenvoudig. De operatie wordt normaal in een dagopname uitgevoerd.
Er wordt een klein sneetje gemaakt in de vaginavoorwand, ongeveer 1 cm onder de opening van de plasbuis. Het bandje wordt vervolgens rechts en links langs de plasbuis geleid, waarna de vaginavoorwand kan worden gesloten. Het bandje komt in de lies, ofwel in de buik naar buiten en wordt hier afgeknipt. De wondjes worden gehecht.
Als de juiste spanning op het bandje staat en het op de juiste plek ligt, ondersteunt deze de onderzijde van de plasbuis. Bij het optreden van druk kan de sluitspier van de plasbuis gemakkelijk samentrekken. Hierdoor wordt urineverlies voorkomen.

Complicaties

Als het bandje te strak is, kan dit leiden tot moeilijk plassen. Heel soms moet dan het bandje worden doorgeknipt. Maar, hierdoor gaat de werking niet verloren, het plassen zal wel gemakkelijker worden. In uitzonderlijke gevallen blijft het moeilijk plassen bestaan en kan de blaas niet goed geleegd worden. Dit kan aanleiding geven tot urineweginfecties. Als het bandje niet strak genoeg wordt aangelegd is het mogelijk dat het urineverlies blijft. Een vervelende complicatie van deze operatie is dat de slijmvliezen van de vagina steeds dunner worden en het bandje niet meer bedekt wordt. Dit kan aanleiding geven tot vervelende infecties. Gelukkig komt dit zeer zelden voor.

Statistieken

Zie ook: blogbericht Resultaten van 2 jaar incontinentie-chirurgie waarin de statistieken zijn weergegeven over de patiënten die deze behandeling hebben ondergaan.
Alle geopereerde patiënten sinds het begin van 2009 zijn gevolgd en in een database geregistreerd. In het bericht zijn de resultaten van de groep zichtbaar. De cijfers worden jaarlijks bijgehouden en gepubliceerd.

Behandeling met medicijnen

Voor stressincontinentie bestaat tot op heden geen goed medicijn. Bij aandrangincontinentie wordt wel vaak gebruik gemaakt van medicijnen. De blaas fungeert niet goed en is onrustig. De blaas begint samen te trekken terwijl de blaas nog niet vol is. Een onrustige blaas kan worden gekalmeerd met medicijnen (zie: overactieve blaas).

Het betreft hier ‘anticholinergica’. Deze zeer uitgebreide groep medicijnen heeft als belangrijkste werking het verslappen van de blaasspier. De darm wordt hierdoor overigens ook rustiger, dit kan aanleiding zijn voor obstipatie. Een andere bijwerking van dit medicijn is een droge mond en wazig zien. Meestal wordt het medicijn goed verdragen, hoewel de werking kan verschillen.
Het is vaak nodig om ook nog een ander medicijn te proberen totdat een goede verhouding wordt gevonden tussen de werkzaamheid en eventuele bijwerkingen. Als de pillen geen oplossing bieden, zoeken we naar alternatieve behandelingen.

Alternatieve behandelingen

Als de onrustige blaas niet reageert op de diverse therapieën is het mogelijk om de neurostimulatie te versterken. Door een pacemaker direct op de blaaszenuw te plaatsen kan de blaaszenuw en het samentrekken van de blaas sterk worden afgeremd. Een kleine groep patiënten met ernstige aandrangincontinentie kan hier baat bij hebben. Een dergelijke ingreep wordt uitsluitend in academische ziekenhuizen uitgevoerd.

Afspraak maken

Wij plannen graag een afspraak voor u in bij één van onze urologen. Een afspraak op de polikliniek Urologie maakt u aan de balie, via internet of telefonisch.

Telefonisch of aan de balie een afspraak makenAfspraak maken

De polikliniek is bereikbaar op werkdagen van 8.30 tot 17.00 uur via telnr.:
(0314) 32 95 72.

Online een afspraak plannen

Online uw afspraak plannen is niet mogelijk voor:
  • sterilisatie man
  • hersteloperatie na sterilisatie (vasovasostomie)
  • blaaspijnsyndroom (Interstitiele cystitis)
  • plasbuisvernauwing (urethrastrictuur) 
In bovenstaande gevallen maakt u telefonisch een afspraak. (0314) 32 95 72.

Verhinderd

Mocht u voor een afspraak verhinderd zijn, dan verzoeken wij u vriendelijk om dit tijdig door te geven via telefoonnummer (0314) 32 95 72. Een andere patiënt kan dan uw plaats innemen.

Afsprakenkaartje en verwijsbrief

Bij het bezoek aan de polikliniek heeft u een afsprakenkaartje voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. Verder is het prettig voor uw uroloog als u de brief van de verwijzende arts meebrengt, waarin de reden van uw komst en eventuele aanvullende informatie zoals de medicijnen die u gebruikt vermeld staan.

Medicijnenoverzicht

Zorg voor een actueel overzicht van de medicijnen die u gebruikt. Dit overzicht is te verkrijgen bij uw apotheek.

MRSA

Komt u of een gezinslid van u beroepsmatig in contact met levende varkens of vleeskalveren? Meld dit bij het maken van een afspraak a.u.b. Dit in verband met maatregelen tegen de MRSA-bacterie.


Op alle diensten van het Slingeland Ziekenhuis en daaraan verbonden vrijgevestigde medisch specialisten zijn algemene betalingsvoorwaarden van toepassing. De betalingsvoorwaarden zijn verkrijgbaar bij Bureau Patiëntenvoorlichting.

Contact Urologie

Polikliniek Urologie

Spreekuur volgens afspraak.

Kruisbergseweg 25
7002 BL Doetinchem

Polikliniek Urologie, route 100.
Telefoon: (0314) 32 95 72

Postadres

Slingeland Ziekenhuis
t.a.v. polikliniek Urologie (+ naam)
postbus 169
7000 AD Doetinchem

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een specifieke vraag over mijn gezondheid stellen via het formulier of per e-mail?

U kunt geen vraag stellen over uw eigen gezondheid via dit reactieformulier (of via de e-mail) aan een van onze zorgverleners of specialisten. Wij kunnen niet garanderen dat het e-mailverkeer op een veilige wijze plaatsvindt zodat uw persoonlijke gevens beschermd zijn tijdens de verzending.
Bij gezondheidsklachten raden wij u altijd aan om eerst contact op te nemen met uw huisarts, die u zal adviseren en indien nodig een verwijsbrief geven naar een specialist in het ziekenhuis. Specifieke vragen over uw gezondheid kunt u dan tijdens een consult stellen.
Vragen van algemene aard kunt u uiteraard wel op deze manier stellen.

Kan ik een afspraak maken zonder verwijzing?

U kunt een afspraak maken met één van de urologen, hiervoor moet u wel een verwijzing bij uw huisarts of specialist vragen. Als u geen verwijsbrief heeft worden de kosten van uw consult(en) en/of behandeling niet vergoed door uw zorgverzekering en krijgt u zelf de rekening.
Er zijn ook behandelingen waarvoor u aanvullend verzekerd moet zijn of die niet worden vergoed door uw verzekeraar. Houd daarbij ook rekening met de hoogte van uw eigen risico. Informeer daarom altijd bij uw zorgverzekeraar zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Moet ik mij eerst inschrijven voor mijn afspraak?

Voor uw polikliniekbezoek heeft u een afsprakenkaartje nodig voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens. Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
De Inschrijfbalie bevindt zich op de begane grond, links naast de centrale receptie bij de hoofdingang.
Neemt u uw verzekeringsgegevens en uw identiteitsbewijs mee als u zich meldt bij de inschrijfbalie. Wij registreren uw burgerservicenummer, omdat we dit wettelijk verplicht zijn. Wilt u bij veranderingen van uw gegevens (naam, adres, huisarts, zorgverzekeraar) altijd uw verzekeringspapieren of -pasje meenemen.

Zie ook: Ponskaartje gaat geleidelijk aan verdwijnen


Mijn blaasontsteking gaat niet over. Moet ik naar de uroloog?

Als een infectie aan de urinewegen, zoals een blaasontsteking, niet overgaat na een antibiotica-kuur is het raadzaam dat uw urine wordt onderzocht. Dit kan uw huisarts regelen. Zo wordt duidelijk welke bacterie de infectie veroorzaakt, zodat er gericht op die bacterie een antibioticum gegeven kan worden. Als de infectie dan nog niet overgaat of snel weer terug komt is het raadzaam dat u wordt doorverwezen naar de uroloog voor nader onderzoek. De uroloog kan dan onderzoeken wat de oorzaak is.

Seksuoloog

Wat onder seksualiteit wordt verstaan verschilt per mens. De een denkt bij seks aan vrijen en met elkaar naar bed gaan. De ander vindt dat het met liefde, romantiek en kinderen krijgen te maken heeft. Het begrip seksualiteit is dus een heel breed op te vatten begrip en niet voor iedereen hetzelfde.
Wel is het belangrijk te weten dat het te maken heeft met zowel lichamelijke, psychische als sociale factoren. Om van seks te kunnen genieten moet je dus zowel lichamelijk, psychisch als relationeel goed ‘in je vel' zitten.

De seksuoloogSeksuologe Wil Berghuis

In het Slingeland Ziekenhuis werkt mevr. W. Berghuis als seksuologe NVVS.

Veel mensen vinden het best spannend om bij de seksuoloog naar binnen te stappen. Ze vragen zich af wat er van ze verwacht wordt.
De seksuoloog doet geen lichamelijk onderzoek, maar praat alleen. Ook worden er soms oefeningen voor thuis meegegeven.
Het helpt vaak al te weten dat er heel veel mensen zijn met seksuele problemen en dat die het allemaal lastig vinden om erover te praten. De seksuoloog weet dat en houdt daar rekening mee!

Seksuele problemen

Seksuele problemen hebben vaak een negatieve invloed op het dagelijkse leven van mensen. Deze problemen kunnen leiden tot lichamelijke, psychische en relationele spanningen. Sommige mensen ervaren door seksuele problemen onrust en stress in de relatie of hebben minder zelfvertrouwen, spanningen en sombere gevoelens. Kortom er kunnen vervelende gevolgen zijn, als je er niets aan doet. Soms is het dan goed om er met een seksuoloog over te praten.

Wanneer naar de seksuoloog?

De vragen en problemen waarmee men bij de seksuoloog komt zijn heel verschillend. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verandering in seksuele behoefte, over opwindings- of erectieproblemen, problemen met orgasme of zaadlozing, of pijn bij het vrijen.
De vraag of klacht kan samenhangen met een lichamelijke aandoening waarvoor men bij de uroloog in behandeling is.

Bij een lichamelijke aandoening kan er veel veranderen, ook op het gebied van seksualiteit. Ook voor de partner kan dit ingrijpend zijn.
Sommige mensen komen met een eenvoudige vraag, zoals informatie over seksualiteit na een prostaat-operatie of bij een andere urologische aandoening. Ook is het mogelijk dat iemand alleen maar eens wil praten over de veranderde seksualiteit na een ziekte of operatie. De meeste problemen zijn met een paar gesprekken al veel minder zwaar, en praten lucht op en werkt verhelderend.
De stap naar de seksuoloog is meestal groot, het praten over een intiem levensgebied is ook best spannend. Het geeft niks als er wat emoties vrijkomen, dat hoort erbij.

Veel mensen praten liever niet over problemen met seks, en daarom lijkt het of bijna niemand ze heeft. Maar er zijn best veel mensen die problemen hebben met seks. Er zijn ook vaak oplossingen voor te vinden.
Het helpt als je weet wat de oorzaak is.
Dit zijn enkele mogelijke oorzaken voor seksuele problemen:
  • Er zijn geen of niet de goede seksuele prikkels;
  • Er zijn nare gedachten en gevoelens over seks;
  • Er zijn problemen in de relatie;
  • Er is een lichamelijke oorzaak.
Seks zit nu eenmaal tussen de oren. Vandaar dat een seksueel probleem ook psychisch en sociaal behandeld moet worden. Praten moet en werkt! Dit gebeurt bij de seksuoloog.

Afspraak maken

Voor een afspraak bij de seksuoloog is een verwijzing van één van de medisch specialisten van het Slingeland Ziekenhuis nodig. Als u behoefte hebt aan een gesprek met de seksuoloog kunt u dit bespreken met uw specialist. Die kan u doorverwijzen. Het kan ook zijn dat uw specialist u voorstelt om hulp te zoeken bij de seksuoloog. Na verwijzing door één van de specialisten krijgt u van ons secretariaat een afspraak thuisgestuurd. U hoeft dus niet zelf contact op te nemen.

De wachttijd voor een eerste afspraak met de seksuoloog is ongeveer twee weken.





Seksuoloog

Wat onder seksualiteit wordt verstaan verschilt per mens. De een denkt bij seks aan vrijen en met elkaar naar bed gaan. De ander vindt dat het met liefde, romantiek en kinderen krijgen te maken heeft. Het begrip seksualiteit is dus een heel breed op te vatten begrip en niet voor iedereen hetzelfde.
Wel is het belangrijk te weten dat het te maken heeft met zowel lichamelijke, psychische als sociale factoren. Om van seks te kunnen genieten moet je dus zowel lichamelijk, psychisch als relationeel goed ‘in je vel' zitten.

De seksuoloogSeksuologe Wil Berghuis

In het Slingeland Ziekenhuis werkt mevr. W. Berghuis als seksuologe NVVS.

Veel mensen vinden het best spannend om bij de seksuoloog naar binnen te stappen. Ze vragen zich af wat er van ze verwacht wordt.
De seksuoloog doet geen lichamelijk onderzoek, maar praat alleen. Ook worden er soms oefeningen voor thuis meegegeven.
Het helpt vaak al te weten dat er heel veel mensen zijn met seksuele problemen en dat die het allemaal lastig vinden om erover te praten. De seksuoloog weet dat en houdt daar rekening mee!

Seksuele problemen

Seksuele problemen hebben vaak een negatieve invloed op het dagelijkse leven van mensen. Deze problemen kunnen leiden tot lichamelijke, psychische en relationele spanningen. Sommige mensen ervaren door seksuele problemen onrust en stress in de relatie of hebben minder zelfvertrouwen, spanningen en sombere gevoelens. Kortom er kunnen vervelende gevolgen zijn, als je er niets aan doet. Soms is het dan goed om er met een seksuoloog over te praten.

Wanneer naar de seksuoloog?

De vragen en problemen waarmee men bij de seksuoloog komt zijn heel verschillend. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verandering in seksuele behoefte, over opwindings- of erectieproblemen, problemen met orgasme of zaadlozing, of pijn bij het vrijen.
De vraag of klacht kan samenhangen met een lichamelijke aandoening waarvoor men bij de uroloog in behandeling is.

Bij een lichamelijke aandoening kan er veel veranderen, ook op het gebied van seksualiteit. Ook voor de partner kan dit ingrijpend zijn.
Sommige mensen komen met een eenvoudige vraag, zoals informatie over seksualiteit na een prostaat-operatie of bij een andere urologische aandoening. Ook is het mogelijk dat iemand alleen maar eens wil praten over de veranderde seksualiteit na een ziekte of operatie. De meeste problemen zijn met een paar gesprekken al veel minder zwaar, en praten lucht op en werkt verhelderend.
De stap naar de seksuoloog is meestal groot, het praten over een intiem levensgebied is ook best spannend. Het geeft niks als er wat emoties vrijkomen, dat hoort erbij.

Veel mensen praten liever niet over problemen met seks, en daarom lijkt het of bijna niemand ze heeft. Maar er zijn best veel mensen die problemen hebben met seks. Er zijn ook vaak oplossingen voor te vinden.
Het helpt als je weet wat de oorzaak is.
Dit zijn enkele mogelijke oorzaken voor seksuele problemen:
  • Er zijn geen of niet de goede seksuele prikkels;
  • Er zijn nare gedachten en gevoelens over seks;
  • Er zijn problemen in de relatie;
  • Er is een lichamelijke oorzaak.
Seks zit nu eenmaal tussen de oren. Vandaar dat een seksueel probleem ook psychisch en sociaal behandeld moet worden. Praten moet en werkt! Dit gebeurt bij de seksuoloog.

Afspraak maken

Voor een afspraak bij de seksuoloog is een verwijzing van één van de medisch specialisten van het Slingeland Ziekenhuis nodig. Als u behoefte hebt aan een gesprek met de seksuoloog kunt u dit bespreken met uw specialist. Die kan u doorverwijzen. Het kan ook zijn dat uw specialist u voorstelt om hulp te zoeken bij de seksuoloog. Na verwijzing door één van de specialisten krijgt u van ons secretariaat een afspraak thuisgestuurd. U hoeft dus niet zelf contact op te nemen.

De wachttijd voor een eerste afspraak met de seksuoloog is ongeveer twee weken.





Prostaatkanker

In Nederland wordt per jaar bij ongeveer 8.000 mannen prostaatkanker vastgesteld. Ongeveer 75% van hen is ouder dan 65 jaar. Prostaatkanker is dus vooral een ziekte die voorkomt bij oudere mannen, hoewel de ziekte ook steeds vaker op jongere leeftijd (vanaf 40 jaar) wordt vastgesteld. Prostaatkanker zal ook bij de groep zeer oude mannen voorkomen. Maar omdat prostaatkanker vaak langzaam groeit, krijgt het merendeel van hen geen klachten en wordt de ziekte niet ontdekt.

De prostaat

De prostaat is een klier die onder de blaas, om de plasbuis heen ligt. De prostaat produceert prostaatvocht voor de zaadcellen. De zaadcellen en het prostaatvocht vormen samen sperma.

Prostaatgroei

Naarmate de man ouder wordt neemt het volume van de prostaat toe. Het gewicht van een prostaat kan variëren van 10 tot 300 gram. De groei van de Prostaat wordt beïnvloed door testosteron (mannelijk hormoon). Een vergrote prostaat kan de plasbuis dichtdrukken en tot plasklachten leiden. Meestal is er sprake van een goedaardige vergroting van de prostaat. Een vergroting van de prostaat kan duiden op prostaatkanker.

Ontwikkeling prostaatkanker

Prostaatkanker ontwikkelt zich in de cellen van de klierbuisjes van de prostaat. Het weefsel van de prostaat verandert bij prostaatkanker. Deze verandering is soms door een arts te voelen als een vergroting of een verharding van de prostaat.

Onderzoeken

Om de diagnose prostaatkanker te kunnen stellen en het stadium van de ziekte te bepalen wordt gebruik gemaakt van verschillende onderzoeken.

Bloedonderzoek PSA-waarde bepaling

Een verhoogde PSA-waarde kan een aanwijzing zijn voor prostaatkanker en is aanleiding voor verder onderzoek.

Rectaal toucherRectaal toucher

De uroloog voelt met een vinger via de anus of er afwijkingen aan de prostaat te voelen zijn. Ook kan de uroloog zo een inschatting maken van de grootte van de prostaat, de stevigheid en het oppervlak.
Naar aanleiding van de bevindingen kan een inschatting gemaakt worden of er sprake kan zijn van prostaatkanker en vindt eventueel vervolgonderzoek plaats.

Echografie van de prostaat

Doormiddel van een Echografie van de prostaat wordt deze in beeld gebracht. Dit gebeurt inwendig met een echosonde. Eventuele afwijkingen worden zo meestal zichtbaar.

Het wegnemen van weefsel (biopten)

Om te beoordelen of er sprake is van een kwaadaardige vergroting van de prostaat, worden op verschillende plaatsen stukjes weefsel weggehaald. Dit gebeurt door de prostaat met een echografie in beeld te brengen en met een naald de stukjes weefsel via de anus/endeldarm weg te nemen. De patiënt voelt dit nauwelijks. Het weefsel wordt vervolgens onderzocht. De uitslag volgt binnen 2 weken.

CT-scan

Een CT-scan kan eventuele uitzaaiingen van de prostaatkanker naar de lymfeklieren in beeld brengen.

Botscan

Een skeletscintigrafie (botscan) kan eventuele uitzaaiingen in de botten aantonen.

Verwijderen van de lymfeklieren

Als de lymfeklieren uitzaaiingen bevatten kan het nodig zijn om de lymfeklieren in het bekken te verwijderen en nauwkeuriger te onderzoeken. De verwijdering gebeurt door middel van een (kijk)operatie.

Behandeling

De mogelijkheden voor de behandeling van prostaatkanker zijn afhankelijk van het stadium waarin de ziekte zich bevindt. Daarnaast spelen leeftijd, de conditie en de wensen van de patiënt een rol.

De behandeling kan gericht zijn op genezing van prostaatkanker maar soms is genezing niet mogelijk en richt de behandeling zich op het afremmen van de ziekte.

Afwachten

Het is mogelijk dat er in eerste instantie geen behandeling plaats vindt maar dat er wordt afgewacht. De patiënt blijft wel onder controle.
Afwachten is mogelijk als de prostaatkanker niet agressief lijkt te zijn. Als wordt verwacht dat een behandeling de patiënt meer klachten dan winst op zal leveren wordt ook gekozen voor afwachten.
Tijdens contoles wordt het verloop van de ziekte goed in de gaten gehouden. Als de kanker zich verder ontwikkelt wordt opnieuw bekeken welke behandelmogelijkheden er zijn.

Behandeling gericht op genezing

Als er geen sprake is van uitzaaiingen dan richt de behandeling zich op genezing. Dit kan betekenen dat de patiënt een operatie (Radicale prostatectomie) moet ondergaan of radiotherapie (bestraling) krijgt. Soms wordt er ook gestart met hormoontherapie.

Niet genezende behandeling

Als er sprake is van uitzaaiingen buiten de prostaat, is genezing niet meer mogelijk. De behandeling is er dan op gericht om de ziekte af te remmen en eventuele klachten te verlichten. De behandeling bestaat uit hormoontherapie.

Controle na de behandeling

Patiënten blijven gedurende lange tijd onder controle. Een controle is bedoeld om het ziekteproces in de gaten te houden. Ook geven de controles na de behandeling zicht op de effecten van de behandeling en de bijwerkingen op lange termijn.
De consulent helpt en begeleidt patiënten tijdens de behandelingen maar ook na die tijd.

Seksualiteit

Het hebben van prostaatkanker en de behandeling hiervan kan leiden tot problemen op seksueel gebied. Soms zijn er mogelijkheden om dit te behandelen of er anders mee om te gaan. De seksuoloog kan hierbij helpen.

Erfelijkheid

Bij ongeveer 5 tot 10% van de mannen met prostaatkanker speelt erfelijkheid een rol bij het ontstaan van de ziekte. Van een erfelijke vorm van prostaatkanker kan sprake zijn als bij twee of meer familieleden (zoals broers, vader, neven, ooms, grootvader) prostaatkanker is vastgesteld. Dit geldt zeker als de prostaatkanker is vastgesteld op een leeftijd van 55 jaar of jonger. Stamboom onderzoek kan dan duidelijkheid geven.

Wetenschappelijk onderzoek

De medische wetenschap blijft onderzoek doen naar betere behandelingen van prostaatkanker. Het doel is om tot betere resultaten te komen met minder bijwerkingen voor de patiënt. Ook de vakgroep Urologie van het Slingeland Ziekenhuis neemt regelmatig deel aan medisch wetenschappelijk onderzoek. De arts kan daarom vragen of de patiënt mee wilt werken. Wat het onderzoek precies inhoudt wordt altijd duidelijk besproken met de patiënt en deelname vindt geheel op vrijwillige basis plaats.
Onderzoeken zijn aan zeer strenge regels gebonden en de gezondheid van de patiënt blijft voorop staan.

Persoonlijke Informatie Wijzer (PIW) Prostaatkanker

De verpleegkundige overhandigt u de patiënteninformatiewijzer (PIW) als u van de uroloog te horen heeft gekregen dat er bij u sprake is van prostaatkanker. In de PIW vindt u informatie over uw ziekte en behandeling(en) die op uw persoonlijke situatie van toepassing is.

Registratie van kanker

Op het moment dat u in het ziekenhuis de diagnose kanker krijgt, leggen artsen en verpleegkundigen in het ziekenhuis uw gegevens vast in een medisch dossier. Dit moet volgens de wet. Een aantal van deze gegevens worden opgenomen in een onafhankelijke databank: de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Deze gegevens worden gebruikt voor onderzoek om behandelingen bij kanker te verbeteren. Meer info: Registratie van kanker

Patiëntenverenigingen

Websites over prostaatkanker

Kwaliteit van zorg

Groen vinkje prostaatkankerEen ziekenhuis krijgt een groen vinkje als het voldoet aan de gestelde minimale voorwaarden voor goede prostaatkankerzorg. De betrokken kankerpatiëntenorganisaties bepalen ieder half jaar welke ziekenhuizen in aanmerking komen voor het groene vinkje.

Prostaatkanker

In Nederland wordt per jaar bij ongeveer 8.000 mannen prostaatkanker vastgesteld. Ongeveer 75% van hen is ouder dan 65 jaar. Prostaatkanker is dus vooral een ziekte die voorkomt bij oudere mannen, hoewel de ziekte ook steeds vaker op jongere leeftijd (vanaf 40 jaar) wordt vastgesteld. Prostaatkanker zal ook bij de groep zeer oude mannen voorkomen. Maar omdat prostaatkanker vaak langzaam groeit, krijgt het merendeel van hen geen klachten en wordt de ziekte niet ontdekt.

De prostaat

De prostaat is een klier die onder de blaas, om de plasbuis heen ligt. De prostaat produceert prostaatvocht voor de zaadcellen. De zaadcellen en het prostaatvocht vormen samen sperma.

Prostaatgroei

Naarmate de man ouder wordt neemt het volume van de prostaat toe. Het gewicht van een prostaat kan variëren van 10 tot 300 gram. De groei van de Prostaat wordt beïnvloed door testosteron (mannelijk hormoon). Een vergrote prostaat kan de plasbuis dichtdrukken en tot plasklachten leiden. Meestal is er sprake van een goedaardige vergroting van de prostaat. Een vergroting van de prostaat kan duiden op prostaatkanker.

Ontwikkeling prostaatkanker

Prostaatkanker ontwikkelt zich in de cellen van de klierbuisjes van de prostaat. Het weefsel van de prostaat verandert bij prostaatkanker. Deze verandering is soms door een arts te voelen als een vergroting of een verharding van de prostaat.

Onderzoeken

Om de diagnose prostaatkanker te kunnen stellen en het stadium van de ziekte te bepalen wordt gebruik gemaakt van verschillende onderzoeken.

Bloedonderzoek PSA-waarde bepaling

Een verhoogde PSA-waarde kan een aanwijzing zijn voor prostaatkanker en is aanleiding voor verder onderzoek.

Rectaal toucherRectaal toucher

De uroloog voelt met een vinger via de anus of er afwijkingen aan de prostaat te voelen zijn. Ook kan de uroloog zo een inschatting maken van de grootte van de prostaat, de stevigheid en het oppervlak.
Naar aanleiding van de bevindingen kan een inschatting gemaakt worden of er sprake kan zijn van prostaatkanker en vindt eventueel vervolgonderzoek plaats.

Echografie van de prostaat

Doormiddel van een Echografie van de prostaat wordt deze in beeld gebracht. Dit gebeurt inwendig met een echosonde. Eventuele afwijkingen worden zo meestal zichtbaar.

Het wegnemen van weefsel (biopten)

Om te beoordelen of er sprake is van een kwaadaardige vergroting van de prostaat, worden op verschillende plaatsen stukjes weefsel weggehaald. Dit gebeurt door de prostaat met een echografie in beeld te brengen en met een naald de stukjes weefsel via de anus/endeldarm weg te nemen. De patiënt voelt dit nauwelijks. Het weefsel wordt vervolgens onderzocht. De uitslag volgt binnen 2 weken.

CT-scan

Een CT-scan kan eventuele uitzaaiingen van de prostaatkanker naar de lymfeklieren in beeld brengen.

Botscan

Een skeletscintigrafie (botscan) kan eventuele uitzaaiingen in de botten aantonen.

Verwijderen van de lymfeklieren

Als de lymfeklieren uitzaaiingen bevatten kan het nodig zijn om de lymfeklieren in het bekken te verwijderen en nauwkeuriger te onderzoeken. De verwijdering gebeurt door middel van een (kijk)operatie.

Behandeling

De mogelijkheden voor de behandeling van prostaatkanker zijn afhankelijk van het stadium waarin de ziekte zich bevindt. Daarnaast spelen leeftijd, de conditie en de wensen van de patiënt een rol.

De behandeling kan gericht zijn op genezing van prostaatkanker maar soms is genezing niet mogelijk en richt de behandeling zich op het afremmen van de ziekte.

Afwachten

Het is mogelijk dat er in eerste instantie geen behandeling plaats vindt maar dat er wordt afgewacht. De patiënt blijft wel onder controle.
Afwachten is mogelijk als de prostaatkanker niet agressief lijkt te zijn. Als wordt verwacht dat een behandeling de patiënt meer klachten dan winst op zal leveren wordt ook gekozen voor afwachten.
Tijdens contoles wordt het verloop van de ziekte goed in de gaten gehouden. Als de kanker zich verder ontwikkelt wordt opnieuw bekeken welke behandelmogelijkheden er zijn.

Behandeling gericht op genezing

Als er geen sprake is van uitzaaiingen dan richt de behandeling zich op genezing. Dit kan betekenen dat de patiënt een operatie (Radicale prostatectomie) moet ondergaan of radiotherapie (bestraling) krijgt. Soms wordt er ook gestart met hormoontherapie.

Niet genezende behandeling

Als er sprake is van uitzaaiingen buiten de prostaat, is genezing niet meer mogelijk. De behandeling is er dan op gericht om de ziekte af te remmen en eventuele klachten te verlichten. De behandeling bestaat uit hormoontherapie.

Controle na de behandeling

Patiënten blijven gedurende lange tijd onder controle. Een controle is bedoeld om het ziekteproces in de gaten te houden. Ook geven de controles na de behandeling zicht op de effecten van de behandeling en de bijwerkingen op lange termijn.
De consulent helpt en begeleidt patiënten tijdens de behandelingen maar ook na die tijd.

Seksualiteit

Het hebben van prostaatkanker en de behandeling hiervan kan leiden tot problemen op seksueel gebied. Soms zijn er mogelijkheden om dit te behandelen of er anders mee om te gaan. De seksuoloog kan hierbij helpen.

Erfelijkheid

Bij ongeveer 5 tot 10% van de mannen met prostaatkanker speelt erfelijkheid een rol bij het ontstaan van de ziekte. Van een erfelijke vorm van prostaatkanker kan sprake zijn als bij twee of meer familieleden (zoals broers, vader, neven, ooms, grootvader) prostaatkanker is vastgesteld. Dit geldt zeker als de prostaatkanker is vastgesteld op een leeftijd van 55 jaar of jonger. Stamboom onderzoek kan dan duidelijkheid geven.

Wetenschappelijk onderzoek

De medische wetenschap blijft onderzoek doen naar betere behandelingen van prostaatkanker. Het doel is om tot betere resultaten te komen met minder bijwerkingen voor de patiënt. Ook de vakgroep Urologie van het Slingeland Ziekenhuis neemt regelmatig deel aan medisch wetenschappelijk onderzoek. De arts kan daarom vragen of de patiënt mee wilt werken. Wat het onderzoek precies inhoudt wordt altijd duidelijk besproken met de patiënt en deelname vindt geheel op vrijwillige basis plaats.
Onderzoeken zijn aan zeer strenge regels gebonden en de gezondheid van de patiënt blijft voorop staan.

Persoonlijke Informatie Wijzer (PIW) Prostaatkanker

De verpleegkundige overhandigt u de patiënteninformatiewijzer (PIW) als u van de uroloog te horen heeft gekregen dat er bij u sprake is van prostaatkanker. In de PIW vindt u informatie over uw ziekte en behandeling(en) die op uw persoonlijke situatie van toepassing is.

Registratie van kanker

Op het moment dat u in het ziekenhuis de diagnose kanker krijgt, leggen artsen en verpleegkundigen in het ziekenhuis uw gegevens vast in een medisch dossier. Dit moet volgens de wet. Een aantal van deze gegevens worden opgenomen in een onafhankelijke databank: de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Deze gegevens worden gebruikt voor onderzoek om behandelingen bij kanker te verbeteren. Meer info: Registratie van kanker

Patiëntenverenigingen

Websites over prostaatkanker

Kwaliteit van zorg

Groen vinkje prostaatkankerEen ziekenhuis krijgt een groen vinkje als het voldoet aan de gestelde minimale voorwaarden voor goede prostaatkankerzorg. De betrokken kankerpatiëntenorganisaties bepalen ieder half jaar welke ziekenhuizen in aanmerking komen voor het groene vinkje.

Verwijdering van de prostaat

Een radicale prostatectomie is een operatie waarbij de prostaat en de zaadblaasjes worden verwijderd. Het doel van deze behandeling is het genezen van prostaatkanker.
Als de operatie zonder complicaties verloopt, mag de patiënt na 3 of 4 dagen weer naar huis.

Operatiemethoden

De operatie kan op twee manieren plaatsvinden.

Laparoscopische operatie:

Dit is een kijkoperatie in de buik.

DaVinci Robot

Deze operatie vindt niet plaats in het Slingeland Ziekenhuis maar in ziekenhuis Rijnstate in Arnhem. Voorbereiding en nazorg zijn in het Slingeland Ziekenhuis.De Doetinchemse uroloog Geboers opereert de patiënt met behulp van de Da Vinci Robot. Zo wordt steeds meer ervaring opgedaan met deze techniek. De Da Vinci Robot is een nieuw high-tech systeem dat de uroloog helpt om moeilijke ingrepen via een kijkoperatie te verrichten. Een groot voordeel van deze techniek is dat de structuren van het weefsel goed in beeld te brengen zijn door vergroting en een driedimensionaal beeld.

De uroloog maakt 4 sneetjes van ongeveer 1,5 cm in de buikwand waardoor de operatie-instrumenten de buik ingaan. Daarnaast maakt de uroloog een snee van 5 cm waardoor de prostaat wordt verwijderd. Omdat er meerdere kleine sneetjes worden gemaakt in plaats van een grote, is de herstelperiode van de patiënt relatief kort.

Zie ook: Blog 'Da vinci Robot is high-tech verlengstuk van de uroloog' en de uitzending van Focuz TV onderaan deze pagina.


Open operatie:

Uroloog, dokter Taubert opereert patiënten volgens de traditionele 'open radicale prostatectomie'. Hierbij worden direct de lymfeklieren weggenomen als dat nodig blijkt en voor onderzoek opgestuurd. De uroloog maakt één snee van 10 cm in het midden van de onderbuik vanaf de bovenrand van het schaambeen. Vervolgens wordt de prostaat rondom vrij gemaakt waarbij de zenuwen die voor een erectie zorgen, voorzichtig van de prostaat worden afgeschoven. Langzaam wordt de plasbuis zichtbaar. Deze wordt doorgesneden waarbij zoveel mogelijk sluitspierweefsel intact wordt gelaten.
Na verwijdering van de prostaat, maakt de uroloog een nieuwe verbinding tussen het overgebleven deel van de plasbuis en de blaas. Ook de zaadblaasjes worden verwijderd die enkel van belang zijn bij de voortplanting. Natuurlijk zal geen sperma meer vrijkomen bij het klaarkomen na een radicale prostaatverwijdering.

Deze operatie duur ongeveer 2 uur. Na de operatie is het in sommige gevallen noodzakelijk om nog een dag ter observatie op de Intensive care te verblijven. In de avond na de operatie mag de patiënt weer eten en drinken en begint het herstel. Meestal mag de patiënt de derde dag na de operatie naar huis.

Het herstel thuis kan nog behoorlijk tegenvallen. Na de prostaatverwijdering heeft u een katheter in de penis waardoor de urine uit de blaas wegloopt. Meestal is er daarna sprake van (tijdelijke) incontinentie. De volgende dagen kan met behulp van oefeningen voor de bekkenbodemspieren de controle over de blaas langzaam worden teruggewonnen.

Bekkenfysiotherapie

Al voor de operatie krijgt de patiënt bekkenfysiotherapie om de bekkenbodemspieren te trainen. De prostaat kan namelijk helpen bij het ophouden van de plas. Omdat de prostaat bij de operatie verwijderd wordt helpt een getrainde bekkenbodemspier om ook na de operatie controle te houden over de blaas en de sluitspier.

Katheter

Tijdens de operatie brengt de uroloog een katheter aan om de urine uit de blaas af te voeren. De nieuwe verbinding tussen de blaas en de plasbuis krijgt zo tijd om te genezen. De katheter blijft 10 dagen zitten en wordt tijdens de eerste controle afspraak verwijderd.

Risico's en complicaties

Zoals bij iedere operatie kunt u bij de verwijdering van de prostaat te maken krijgen met complicaties als bloedverlies of infecties. Daarnaast zijn er nog een aantal specifieke risico's bij deze operatie.

Uitzending Focuz TV Gezonde Zorg: Robotchirurgie

Radiotherapie bij prostaatkanker

Radiotherapie betekent ‘behandeling met bestraling'. Bestraling richt zich op de tumor met als doel de kankercellen te vernietigen. Bij de bestralingsbehandeling blijven de gezonde cellen zo veel mogelijk gespaard. Radiotherapie kan gericht zijn op genezing, maar kan ook gebruikt worden om klachten zoals pijn of bloedverlies te bestrijden.

ARTI

Het Slingeland Ziekenhuis beschikt zelf niet over een afdeling Radiotherapie, daarom verwijst de specialist meestal naar de Radiotherapiegroep in Arnhem

De behandeling

Een behandeling is veelal poliklinisch en duurt in totaal 10 tot 20 minuten De bestraling vindt vier tot vijf keer per week plaats (niet in het weekend). Van de bestraling voelt de patiënt niets. De gehele behandeling duurt één tot acht werken.

Branchytherapie

De bestraling kan in sommige gevallen ook inwendig vanuit de prostaat worden gegeven. Of dit mogelijk is, is afhankelijk van het stadium van de ziekte.
Bij branchytherapie worden radioactieve jodiumzaadjes tijdens een operatie in de prostaat gebracht. Deze zaadjes bestralen de prostaat van binnenuit. Na verloop van tijd verliezen de zaadjes hun radioactiviteit.

Bijwerkingen

Sommige mensen hebben veel last van bijwerkingen, anderen merken er weinig van. De meest voorkomende bijwerkingen van bestraling zijn:

Vermoeidheid

Voor het herstellen van gezond bestraald weefsel en het opruimen van de dode kankercellen heeft het lichaam energie nodig. Hierdoor ontstaat vermoeidheid. Dit kan enkele weken tot maanden na de laatste behandeling nog aanhouden.

Huidproblemen

De bestraalde huid kan rood en/of droog worden of soms zelfs stuk gaan. Dit geneest meestal binnen vier tot zes weken na de behandeling. Soms blijft de bestraalde huid iets donkerder van kleur.

Problemen bij plassen/poepen

De blaas en/of plasbuis kunnen geïrriteerd zijn door de bestraling, waardoor de patiënt vaker moet plassen of poepen of juist moeite heeft met plassen. Er kan bloed bij de ontlasting zitten.

Erectiestoornissen

Erectieproblemen kunnen te maken hebben met de behandeling; het bestraalde gebied kan nog gevoelig zijn. Daarnaast kan de zin om te vrijen afnemen door de ziekte of de bijwerkingen van de behandeling. De uroloog kan adviseren over mogelijke behandelingen en een verwijzing naar de seksuoloog.

Peniskanker

Peniskanker is een zeldzame ziekte, het ontstaat bij 1 op de 100.000 mannen. In Nederland betekent dit dat er ongeveer 160 nieuwe patiënten per jaar met deze ziekte bij komen. In de Achterhoek (regio winterswijk en Doetinchem) verwachten we ongeveer 3 nieuwe patiënten per jaar te vinden. Peniskanker begint bij 48% van patiënten op de eikel.
Door wetenschappelijk onderzoek is duidelijk geworden dat na het verwijderen van de voorhuid bij kinderen, peniskanker vrijwel nooit meer ontstaat.

Risicofactoren

Het risico op het ontstaan van peniskanker wordt groter naar mate een man ouder wordt.
Risicofactoren voor het ontstaan van deze kanker zijn:
  • een vernauwde voorhuid
  • slechte hygiëne van de voorhuid
  • roken
  • UV-straling (zonlicht)
  • Besmetting met het Humaan Papilloma virus (HPV-infectie, seksueel overdraagbaar, veroorzaakt ook wratten).

Symptomen

Bij peniskanker verschijnen er zweren of gezwellen op de penis, meestal eerst op de eikel en de voorhuid. Deze gezwellen lijken op genitale wratten.
Veel mannen met deze ziekte hebben melden zich pas na aanzienlijke tijd bij een arts, waardoor de ziekte pas laat ontdekt wordt. De wratachtige afwijkingen op de eikel of voorhuid die bij peniskanker horen, gaan vaak gepaard met angst en schaamtegevoel bij de patiënt waardoor vaak pas laat hulp wordt gezocht. Dit is gevaarlijk omdat de tumor door groeit, de hele penis kan aantasten en zich kan uitzaaien naar andere delen in het lichaam.

De diagnose

De uroloog zal de verdenking op peniskanker moeten bevestigen. Om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen is het noodzakelijk om een besnijdenis uit te voeren. Niet alleen wordt hierdoor de afwijking op de eikel zichtbaar, maar ook kan weesfel worden afgenomen voor verder onderzoek.
Om de infectie te verminderen wordt gedurende enige dagen een antibioticum voorgeschreven.

Verder onderzoek

Nadat de diagnose peniskanker is vastgesteld, zal verdere behandeling moeten volgen. De uroloog moet nagaan welke vorm van behandeling het beste is en onderzoeken in welk stadium de ziekte zich bevindt. Hiervoor is het noodzakelijk om verder onderzoek te doen.

Het is goed mogelijk om de omvang van de kanker vast te stellen door te voelen. Als er toch onduidelijk is, kan een MRI-scan van een penis in erectie, meer informatie geven over de groei in de zwellichamen.

De lymfeklieren

Een CT-scan laat zien of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren van de liezen en het bekken. Ook wordt gekeken of er uitzaaiingen zijn in de buik en longen.
Hele kleine uitzaaiingen in de lymfklieren worden door dit onderzoek niet zichtbaar.

Tijdens het eerste onderzoek voelt de uroloog in beide liezen de lymfeklieren. Eventuele zwellingen zijn meestal niet pijnlijk en worden eerst behandeld met antibiotica. Vaak is een zwelling in de lymfeklier niet het gevolg van een uitzaaiing, maar van de ontsteking die met de peniskanker gepaard gaat. Als de zwelling na de antibioticakuur blijft is de kans groter dat het gaat om een uitzaaiing in de lymfeklier. Een weefsel onderzoek kan hier uitsluitsel over geven. De lymfeklier wordt verwijderd en opgestuurd voor onderzoek. Als er afwijkingen zijn in de lymfeklieren, heeft de patiënt de keuze om alle andere lymfeklieren ook weg te laten halen om zo de kans op uitzaaiingen te verkleinen. Afwijkingen iin de lymfeklieren kunnen ook een reden zijn om aanvullend chemotherapie te geven.

De behandeling van peniskanker

De behandeling van peniskanker hangt onder meer af van de plek en de omvang van het gezwel, wel of geen uitzaaiingen en iemands algemene gezondheidstoestand.
De behandelingsmethoden zijn onder te verdelen in operatief ingrijpen (van besnijdenis tot amputatie) en daarnaast bestralingstherapie en/of chemotherapie.

(Partiële) penectomie

Als de kanker beperkt is tot de eikel of het uiteinde van de zwellichamen, kan de penis gedeeltelijk worden behouden. Het is dan mogelijk om alleen het uiteinde van de penis te verwijderen. Om de kans op terugkeer van de kanker te verkleinen wordt ook 1 tot 2 cm van het omringende gezonde weefsel weggehaald. Dit wordt een partiële penectomie genoemd. Het ingekorte gedeelte van de penis behoudt de mogelijkheid tot erectie. Ook staand plassen is dan nog mogelijk.
In een enkel geval is het mogelijk om alleen de eikel te verwijderen waarbij de zwellichamen worden behouden. Het is dan mogelijk met een stukje huid van bijvoorbeeld het bovenbeen (graft) operatief een nieuwe eikel te maken.

Het is zelden noodzakelijk de gehele penis met de zwellichamen te verwijderen. Soms komt dit wel voor als de basis van de penis is aangetast of het gezwel erg groot is. De plasbuis blijft dan wel behouden maar wordt net voor de anus in de huid vastgezet. De man moet dan voortaan zittend plassen. De sluitspieren van de plasbuis blijven volledig normaal werken waardoor geen incontinentie ontstaat.

Multidisciplinaire behandeling

De behandeling van peniskanker is zeer complex. Binnen het oncologisch multidisciplinaire team wordt de behandeling van de patiënten met een enstige vorm van peniskanker besproken.
In alle gevallen is er overleg met de professionals van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Het stellen van de diagnose en de eerste stappen in de behandeling vinden in het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem plaats. Voor uitgebreidere chirurgische behandelingen en eventuele aanvullende chemotherapie wordt verwezen naar het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam.

Peniskanker

Peniskanker is een zeldzame ziekte, het ontstaat bij 1 op de 100.000 mannen. In Nederland betekent dit dat er ongeveer 160 nieuwe patiënten per jaar met deze ziekte bij komen. In de Achterhoek (regio winterswijk en Doetinchem) verwachten we ongeveer 3 nieuwe patiënten per jaar te vinden. Peniskanker begint bij 48% van patiënten op de eikel.
Door wetenschappelijk onderzoek is duidelijk geworden dat na het verwijderen van de voorhuid bij kinderen, peniskanker vrijwel nooit meer ontstaat.

Risicofactoren

Het risico op het ontstaan van peniskanker wordt groter naar mate een man ouder wordt.
Risicofactoren voor het ontstaan van deze kanker zijn:
  • een vernauwde voorhuid
  • slechte hygiëne van de voorhuid
  • roken
  • UV-straling (zonlicht)
  • Besmetting met het Humaan Papilloma virus (HPV-infectie, seksueel overdraagbaar, veroorzaakt ook wratten).

Symptomen

Bij peniskanker verschijnen er zweren of gezwellen op de penis, meestal eerst op de eikel en de voorhuid. Deze gezwellen lijken op genitale wratten.
Veel mannen met deze ziekte hebben melden zich pas na aanzienlijke tijd bij een arts, waardoor de ziekte pas laat ontdekt wordt. De wratachtige afwijkingen op de eikel of voorhuid die bij peniskanker horen, gaan vaak gepaard met angst en schaamtegevoel bij de patiënt waardoor vaak pas laat hulp wordt gezocht. Dit is gevaarlijk omdat de tumor door groeit, de hele penis kan aantasten en zich kan uitzaaien naar andere delen in het lichaam.

De diagnose

De uroloog zal de verdenking op peniskanker moeten bevestigen. Om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen is het noodzakelijk om een besnijdenis uit te voeren. Niet alleen wordt hierdoor de afwijking op de eikel zichtbaar, maar ook kan weesfel worden afgenomen voor verder onderzoek.
Om de infectie te verminderen wordt gedurende enige dagen een antibioticum voorgeschreven.

Verder onderzoek

Nadat de diagnose peniskanker is vastgesteld, zal verdere behandeling moeten volgen. De uroloog moet nagaan welke vorm van behandeling het beste is en onderzoeken in welk stadium de ziekte zich bevindt. Hiervoor is het noodzakelijk om verder onderzoek te doen.

Het is goed mogelijk om de omvang van de kanker vast te stellen door te voelen. Als er toch onduidelijk is, kan een MRI-scan van een penis in erectie, meer informatie geven over de groei in de zwellichamen.

De lymfeklieren

Een CT-scan laat zien of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren van de liezen en het bekken. Ook wordt gekeken of er uitzaaiingen zijn in de buik en longen.
Hele kleine uitzaaiingen in de lymfklieren worden door dit onderzoek niet zichtbaar.

Tijdens het eerste onderzoek voelt de uroloog in beide liezen de lymfeklieren. Eventuele zwellingen zijn meestal niet pijnlijk en worden eerst behandeld met antibiotica. Vaak is een zwelling in de lymfeklier niet het gevolg van een uitzaaiing, maar van de ontsteking die met de peniskanker gepaard gaat. Als de zwelling na de antibioticakuur blijft is de kans groter dat het gaat om een uitzaaiing in de lymfeklier. Een weefsel onderzoek kan hier uitsluitsel over geven. De lymfeklier wordt verwijderd en opgestuurd voor onderzoek. Als er afwijkingen zijn in de lymfeklieren, heeft de patiënt de keuze om alle andere lymfeklieren ook weg te laten halen om zo de kans op uitzaaiingen te verkleinen. Afwijkingen iin de lymfeklieren kunnen ook een reden zijn om aanvullend chemotherapie te geven.

De behandeling van peniskanker

De behandeling van peniskanker hangt onder meer af van de plek en de omvang van het gezwel, wel of geen uitzaaiingen en iemands algemene gezondheidstoestand.
De behandelingsmethoden zijn onder te verdelen in operatief ingrijpen (van besnijdenis tot amputatie) en daarnaast bestralingstherapie en/of chemotherapie.

(Partiële) penectomie

Als de kanker beperkt is tot de eikel of het uiteinde van de zwellichamen, kan de penis gedeeltelijk worden behouden. Het is dan mogelijk om alleen het uiteinde van de penis te verwijderen. Om de kans op terugkeer van de kanker te verkleinen wordt ook 1 tot 2 cm van het omringende gezonde weefsel weggehaald. Dit wordt een partiële penectomie genoemd. Het ingekorte gedeelte van de penis behoudt de mogelijkheid tot erectie. Ook staand plassen is dan nog mogelijk.
In een enkel geval is het mogelijk om alleen de eikel te verwijderen waarbij de zwellichamen worden behouden. Het is dan mogelijk met een stukje huid van bijvoorbeeld het bovenbeen (graft) operatief een nieuwe eikel te maken.

Het is zelden noodzakelijk de gehele penis met de zwellichamen te verwijderen. Soms komt dit wel voor als de basis van de penis is aangetast of het gezwel erg groot is. De plasbuis blijft dan wel behouden maar wordt net voor de anus in de huid vastgezet. De man moet dan voortaan zittend plassen. De sluitspieren van de plasbuis blijven volledig normaal werken waardoor geen incontinentie ontstaat.

Multidisciplinaire behandeling

De behandeling van peniskanker is zeer complex. Binnen het oncologisch multidisciplinaire team wordt de behandeling van de patiënten met een enstige vorm van peniskanker besproken.
In alle gevallen is er overleg met de professionals van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Het stellen van de diagnose en de eerste stappen in de behandeling vinden in het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem plaats. Voor uitgebreidere chirurgische behandelingen en eventuele aanvullende chemotherapie wordt verwezen naar het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam.

Zaadbalkanker

Bij zaadbalkanker ontstaat er kanker in de zaadbal. Meestal gebeurt dat in de cellen die het zaad aanmaken.
Zaadbalkanker komt niet zo veel voor, maar helaas treft de ziekte vooral jongere mannen tussen de 15 en 40 jaar. Onder jonge mannen is het dan ook de meest voorkomende vorm van kanker. In Nederland wordt deze ziekte per jaar bij ongeveer 400 mannen vastgesteld. Voor de regio Doetinchem is dit ongeveer zes keer per jaar. Het jaar 2010 is een uitzondering. Dat jaar ontdekten wij al 16 keer zaadbalkanker in onze kliniek.

Oorzaak

De oorzaak voor het ontstaan van zaadbalkanker is niet helemaal duidelijk. Wel zijn er enkele risicofactoren bekend. Mannen die als baby niet ingedaalde zaadballen hadden, hebben een grotere kans op de ziekte. Andere risicofactoren zijn een familielid met zaadbalkanker (erfelijkheid) en verschrompelde zaadballen (testisatrofie).
Zaadbalkanker is een snel groeiende vorm van kanker. Het is dan ook belangrijk dat de ziekte vroeg ontdekt wordt.


Diagnose

Om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen moet de zaadbal verwijderd worden. Dit is dan ook meteen het begin van de behandeling. Daarna kunnen nog andere behandelingen volgen, zoals bestraling of chemotherapie. Na de behandeling moet u nog geregeld op controle komen. In het eerste jaar zelfs iedere drie maanden. De ziekte kan namelijk terugkomen. U kunt dit zelf ook in de gaten houden door uw balzak zelf te onderzoeken op verhardingen of knobbels.


Verschijnselen van zaadbalkanker

De meeste mannen bij wie zaadbalkanker wordt ontdekt, hebben zelf al gemerkt dat er een verandering in de zaadbal zit. De zaadbal is bijvoorbeeld groter dan normaal of voelt hard aan, of er is een zwelling van de balzak. Soms doet zaadbalkanker pijn, maar dat hoeft niet altijd.
Opvallend is dat het normale gevoel in de zaadbal kan verdwijnen. De bal voelt dan aan als een steen.

Bij een klein aantal mannen wordt zaadbalkanker ontdekt doordat zij klachten hebben die door uitzaaiingen worden veroorzaakt, zoals opgezette lymfklieren. Dit veroorzaakt dan pijn in de rug of de buik.
Soms zijn er klachten die niet direct aan zaadbalkanker doen denken, maar daar wel door komen. Voorbeelden zijn zwelling van de borstklier of van het gebied rond de tepel. Ook grote vermoeidheid zonder duidelijke oorzaak is een algemeen verschijnsel bij kanker.


Risicofactoren die de kans op zaadbalkanker vergroten

De oorzaak van zaadbalkanker is nog onduidelijk. Er zijn wel risicofactoren bekend die de kans op het ontstaan van zaadbalkanker vergroten:
  • Zaadbalkanker komt vaker voor bij mannen bij wie één of beide zaadballen rond de geboorte niet waren ingedaald. Toch denken onderzoekers dat dit niet direct de oorzaak is van het ontstaan van een tumor. Waarschijnlijk gaat het om een erfelijke belasting die zowel een rol speelt bij het niet-indalen van de zaadbal als bij het ontstaan van een tumor. Als er zaadbalkanker in uw familie voorkomt, hebt u een grotere kans op de ziekte.
  • Mannen die al eens eerder zaadbalkanker hebben gehad, hebben een grotere kans om opnieuw zaadbalkanker te krijgen.
  • De kans op zaadbalkanker blijkt groter te zijn bij testis-atrofie. Testis-atrofie wil zeggen dat de zaadbal verschrompelt, bijvoorbeeld door een verminderde bloedtoevoer. Waarom kanker eerder in een verschrompelde zaadbal ontstaat, is nog steeds onduidelijk.
Zaadbalkanker wordt beslist niet veroorzaakt door zelfbevrediging (masturbatie). Ook is zaadbalkanker geen geslachtsziekte. Net als andere soorten kanker is zaadbalkanker niet besmettelijk. Daarover hoeft u zich dus geen zorgen te maken. Ook niet als er bij het vrijen sperma in het lichaam van de partner komt.

Onderzoeken

Als de arts denkt dat u mogelijk zaadbalkanker hebt, zal er een lichamelijk onderzoek volgen. Daarna kunnen andere onderzoeken plaatsvinden, zoals een echografie en bloedonderzoek.

Een van de mogelijke vervolgonderzoeken om de uitgebreidheid van zaadbalkanker vast te stellen is een CT-scan. Om zaadbalkanker met zekerheid vast te stellen is weefselonderzoek nodig. Hiervoor moet de arts de zaadbal, de bijbal en de zaadstreng uit de balzak verwijderen. Dit gebeurt tijdens een operatie via de lies. Deze organen worden dan onder de microscoop onderzocht.
Als de uroloog twijfelt of u echt zaadbalkanker heeft, haalt deze tijdens de operatie maar een klein stukje weefsel weg om te onderzoeken. De arts kan de operatie dan stoppen als er geen kankercellen worden gevonden.

Als zeker is dat u zaadbalkanker hebt, is verder onderzoek nodig om te kijken of er ergens in het lichaam uitzaaiingen zijn. Er wordt bijvoorbeeld een röntgenfoto van uw borstkas gemaakt (thoraxfoto) of een CT-scan om uitzaaiingen in de buik en borstkast op te sporen.


Behandeling


Eigenlijk begint de behandeling van zaadbalkanker al bij het stellen van de diagnose. De zaadbal moet immers worden weggehaald om zeker te weten dat het echt om zaadbalkanker gaat. Deze operatie is meteen het begin van de behandeling. Daarna is vaak een vervolgbehandeling nodig. Deze kan bestaan uit:
  • Bestraling
  • Chemotherpaie
  • Operatie om de lymfeklieren te verwijderen
Het behandelplan wordt altijd opgesteld na overleg in het multidisciplinaire oncologie team. Dit team bestaat uit specialisten van verschillende disciplines en werkt samen met het radiotherapeutisch instituut in Arnhem en de Radboud universiteit Nijmegen.
Na de behandeling van zaadbalkanker moet u nog geregeld naar uw arts voor controle. De ziekte kan immers terugkomen. De controles gaan tien jaar door.


Seksualiteit en vruchtbaarheid


Door de behandeling van zaadbalkanker (radiotherapie of chemotherapie) kunt u (tijdelijk) onvruchtbaar zijn. Er is een mogelijkheid om sperma te laten invriezen. Wilt u weten wat de mogelijkheden zijn in uw persoonlijke situatie? Bespreek dit dan tijdig met uw arts.

Een behandeling tegen kanker kan ingrijpende lichamelijke gevolgen hebben, maar ook psychisch krijgt u veel te verwerken. Zowel de lichamelijke als de psychische veranderingen kunnen uw seksleven beïnvloeden. Als u een relatie hebt, speelt uw partner hierbij een belangrijke rol. Het is belangrijk dat u samen de tijd neemt om er goed over te praten. De seksuoloog kan u hierbij helpen.

Na het verwijderen van een zaadbal krijgt u niet minder zin om te vrijen en u wordt ook niet impotent. Als één zaadbal is weggehaald bent u nog gewoon vruchtbaar. In een later stadium is het mogelijk een zaadbal prothese te laten plaatsen.


Patiëntenvereniging

Zaadbalkanker

Bij zaadbalkanker ontstaat er kanker in de zaadbal. Meestal gebeurt dat in de cellen die het zaad aanmaken.
Zaadbalkanker komt niet zo veel voor, maar helaas treft de ziekte vooral jongere mannen tussen de 15 en 40 jaar. Onder jonge mannen is het dan ook de meest voorkomende vorm van kanker. In Nederland wordt deze ziekte per jaar bij ongeveer 400 mannen vastgesteld. Voor de regio Doetinchem is dit ongeveer zes keer per jaar. Het jaar 2010 is een uitzondering. Dat jaar ontdekten wij al 16 keer zaadbalkanker in onze kliniek.

Oorzaak

De oorzaak voor het ontstaan van zaadbalkanker is niet helemaal duidelijk. Wel zijn er enkele risicofactoren bekend. Mannen die als baby niet ingedaalde zaadballen hadden, hebben een grotere kans op de ziekte. Andere risicofactoren zijn een familielid met zaadbalkanker (erfelijkheid) en verschrompelde zaadballen (testisatrofie).
Zaadbalkanker is een snel groeiende vorm van kanker. Het is dan ook belangrijk dat de ziekte vroeg ontdekt wordt.


Diagnose

Om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen moet de zaadbal verwijderd worden. Dit is dan ook meteen het begin van de behandeling. Daarna kunnen nog andere behandelingen volgen, zoals bestraling of chemotherapie. Na de behandeling moet u nog geregeld op controle komen. In het eerste jaar zelfs iedere drie maanden. De ziekte kan namelijk terugkomen. U kunt dit zelf ook in de gaten houden door uw balzak zelf te onderzoeken op verhardingen of knobbels.


Verschijnselen van zaadbalkanker

De meeste mannen bij wie zaadbalkanker wordt ontdekt, hebben zelf al gemerkt dat er een verandering in de zaadbal zit. De zaadbal is bijvoorbeeld groter dan normaal of voelt hard aan, of er is een zwelling van de balzak. Soms doet zaadbalkanker pijn, maar dat hoeft niet altijd.
Opvallend is dat het normale gevoel in de zaadbal kan verdwijnen. De bal voelt dan aan als een steen.

Bij een klein aantal mannen wordt zaadbalkanker ontdekt doordat zij klachten hebben die door uitzaaiingen worden veroorzaakt, zoals opgezette lymfklieren. Dit veroorzaakt dan pijn in de rug of de buik.
Soms zijn er klachten die niet direct aan zaadbalkanker doen denken, maar daar wel door komen. Voorbeelden zijn zwelling van de borstklier of van het gebied rond de tepel. Ook grote vermoeidheid zonder duidelijke oorzaak is een algemeen verschijnsel bij kanker.


Risicofactoren die de kans op zaadbalkanker vergroten

De oorzaak van zaadbalkanker is nog onduidelijk. Er zijn wel risicofactoren bekend die de kans op het ontstaan van zaadbalkanker vergroten:
  • Zaadbalkanker komt vaker voor bij mannen bij wie één of beide zaadballen rond de geboorte niet waren ingedaald. Toch denken onderzoekers dat dit niet direct de oorzaak is van het ontstaan van een tumor. Waarschijnlijk gaat het om een erfelijke belasting die zowel een rol speelt bij het niet-indalen van de zaadbal als bij het ontstaan van een tumor. Als er zaadbalkanker in uw familie voorkomt, hebt u een grotere kans op de ziekte.
  • Mannen die al eens eerder zaadbalkanker hebben gehad, hebben een grotere kans om opnieuw zaadbalkanker te krijgen.
  • De kans op zaadbalkanker blijkt groter te zijn bij testis-atrofie. Testis-atrofie wil zeggen dat de zaadbal verschrompelt, bijvoorbeeld door een verminderde bloedtoevoer. Waarom kanker eerder in een verschrompelde zaadbal ontstaat, is nog steeds onduidelijk.
Zaadbalkanker wordt beslist niet veroorzaakt door zelfbevrediging (masturbatie). Ook is zaadbalkanker geen geslachtsziekte. Net als andere soorten kanker is zaadbalkanker niet besmettelijk. Daarover hoeft u zich dus geen zorgen te maken. Ook niet als er bij het vrijen sperma in het lichaam van de partner komt.

Onderzoeken

Als de arts denkt dat u mogelijk zaadbalkanker hebt, zal er een lichamelijk onderzoek volgen. Daarna kunnen andere onderzoeken plaatsvinden, zoals een echografie en bloedonderzoek.

Een van de mogelijke vervolgonderzoeken om de uitgebreidheid van zaadbalkanker vast te stellen is een CT-scan. Om zaadbalkanker met zekerheid vast te stellen is weefselonderzoek nodig. Hiervoor moet de arts de zaadbal, de bijbal en de zaadstreng uit de balzak verwijderen. Dit gebeurt tijdens een operatie via de lies. Deze organen worden dan onder de microscoop onderzocht.
Als de uroloog twijfelt of u echt zaadbalkanker heeft, haalt deze tijdens de operatie maar een klein stukje weefsel weg om te onderzoeken. De arts kan de operatie dan stoppen als er geen kankercellen worden gevonden.

Als zeker is dat u zaadbalkanker hebt, is verder onderzoek nodig om te kijken of er ergens in het lichaam uitzaaiingen zijn. Er wordt bijvoorbeeld een röntgenfoto van uw borstkas gemaakt (thoraxfoto) of een CT-scan om uitzaaiingen in de buik en borstkast op te sporen.


Behandeling


Eigenlijk begint de behandeling van zaadbalkanker al bij het stellen van de diagnose. De zaadbal moet immers worden weggehaald om zeker te weten dat het echt om zaadbalkanker gaat. Deze operatie is meteen het begin van de behandeling. Daarna is vaak een vervolgbehandeling nodig. Deze kan bestaan uit:
  • Bestraling
  • Chemotherpaie
  • Operatie om de lymfeklieren te verwijderen
Het behandelplan wordt altijd opgesteld na overleg in het multidisciplinaire oncologie team. Dit team bestaat uit specialisten van verschillende disciplines en werkt samen met het radiotherapeutisch instituut in Arnhem en de Radboud universiteit Nijmegen.
Na de behandeling van zaadbalkanker moet u nog geregeld naar uw arts voor controle. De ziekte kan immers terugkomen. De controles gaan tien jaar door.


Seksualiteit en vruchtbaarheid


Door de behandeling van zaadbalkanker (radiotherapie of chemotherapie) kunt u (tijdelijk) onvruchtbaar zijn. Er is een mogelijkheid om sperma te laten invriezen. Wilt u weten wat de mogelijkheden zijn in uw persoonlijke situatie? Bespreek dit dan tijdig met uw arts.

Een behandeling tegen kanker kan ingrijpende lichamelijke gevolgen hebben, maar ook psychisch krijgt u veel te verwerken. Zowel de lichamelijke als de psychische veranderingen kunnen uw seksleven beïnvloeden. Als u een relatie hebt, speelt uw partner hierbij een belangrijke rol. Het is belangrijk dat u samen de tijd neemt om er goed over te praten. De seksuoloog kan u hierbij helpen.

Na het verwijderen van een zaadbal krijgt u niet minder zin om te vrijen en u wordt ook niet impotent. Als één zaadbal is weggehaald bent u nog gewoon vruchtbaar. In een later stadium is het mogelijk een zaadbal prothese te laten plaatsen.


Patiëntenvereniging

Sterilisatie van de man

Anticonceptie is op vele manieren mogelijk. E één manier van anticonceptie is sterilisatie van de man. Door sterilisatie zal de man onvruchtbaar worden.
Een sterilisatie beschermt niet tegen soa's (seksueel overdraagbare aandoeningen), zoals aids, gonorrhoe of syfilis.
Een sterilisatie beïnvloed uw seksleven niet. Soms zien we zelfs dat het seksleven er op vooruitgaat omdat de angst op zwangerschap verdwijnt en er ongecompliceerd genoten kan worden. De erectiekracht en het gevoel wordt door een sterilisatie niet veranderd.

Een sterilisatie is in principe onomkeerbaar. Een hersteloperatie (vasovasostomie) is mogelijk, maar kan mislukken.

Drie maanden na de sterilisatie is de man onvruchtbaar.

Zie ook:

Operatie

De operatie is relatief eenvoudig, veilig en uit te voeren op de poliklinische operatiekamer die ongeveer 10 minuten duurt.
Urologen voeren deze ingreep zeer vaak uit. Gemiddeld doen ze tijdens hun hele carrière ongeveer 6.000 tot 10.000 sterilisaties.

De operatie gebeurd onder lokale verdoving. In de balzak wordt een verdovend middel ingespoten, waardoor de patiënt niet voelt dat de huid wordt ingesneden. De patiënt voelt wel dat de uroloog aan de zaadleiders trekt. Dit geeft een weeïg gevoel in de onderbuik.
De uroloog snijdt tijdens de operatie de zaadleiders door en haalt ongeveer een centimeter weg. De kant die vastzit aan de zaadbal en bijbal wordt open gelaten. Het zaad kan hierdoor vrijkomen en wordt in de bloedbaan en lymfebanen opgenomen. Dit voorkomt stuwingspijn in de bijbal. Hierdoor komen er geen zaadcellen meer in het zaadvocht.
Na het verzorgen van de zaadleiders worden de wondjes opengelaten. Deze zijn zo klein dat ze vrijwel direct dichtgaan.

De lichte pijn na de operatie kan met een paracetamol worden verholpen.

Complicaties

Complicaties zoals nabloeding en ontsteking komen heel weinig voor (minder dan 1%). Een bloeding is gemakkelijk te verhelpen. Indien de bloeding alleen in het scrotum voorkomt kan de balzak wat opzetten en krijgt die later alle kleuren van de regenboog. Dit gaat met weinig klachten gepaard.
Heel soms krijgt een man na de sterilisatie een zwaar gevoel in de bijbal. Dat is mogelijk door stuwing van de zaadcellen die ook na de sterilisatie nog geproduceerd worden. Als de zaadleiders aan deze zijde open worden gelaten tijdens de operatie, kan geen stuwing ontstaan.
Ongeveer 5% van de mannen die een sterilisatie ondergaat, heeft pijn ter hoogte van de zaadbal of bijbal, vooral ook bij een zaadlozing of na geslachtsgemeenschap. Het gaat dan om Post-vasectomie pijn (PVP).

Onderzoek van sperma

Na drie maanden wordt een sperma-onderzoek gedaan. Dan is pas zeker of de man onvruchtbaar is en de operatie is geslaagd. Hiervoor levert de patiënt een potje met zijn sperma in bij de polikliniek. Een laborant controleert of er nog zaadcellen in het sperma zitten.
Als er minder dan 5 restzaadjes (niet bewegelijk) zichtbaar zijn in het vocht mag de operatie als 100% geslaagd worden beschouwd.
Het is mogelijk dat er nog oude, niet beweeglijke zaadcellen in het zaadvocht worden aangetroffen. De operatie is dan wel geslaagd, maar heeft nog een vervolg onderzoek nodig om dit te kunnen bevestigen. Het sperma zal dan drie maanden later nogmaals onderzocht worden.

Pijn in de balzak / zaadballen

Pijn in de balzak of aan één van beide ballen komt vaak voor bij jonge mannen. Deze pijn kan sterk variëren. Soms is de pijn maar tijdelijk en niet zo erg. Maar het komt ook voor dat de pijn langdurig en sterk aanwezig is.

Mogelijke oorzaken

Bij een groot deel van de patiënten wordt geen oorzaak gevonden.
Er zijn wel een paar oorzaken waardoor pijn in de balzak kan ontstaan:

Draaiing van de testikel

Als de pijn plotseling optreedt, kan er sprake zijn van een draaiing van de zaadbal. De pijn wordt gevoeld in de bal. Deze zit vaak hoog opgetrokken in de balzak. De pijn straalt uit naar de lies en onderbuik. Deze pijn wordt als zeer ernstig ervaren en gaat vaak gepaard met misselijkheid en braken.
De pijn wordt veroorzaakt doordat de zaadbal geen zuurstof meer krijgt. Het is noodzakelijk om binnen 6 uur de bal terug te draaien zodat zuurstof het weefsel weer kan bereiken.

Ontsteking van de bal en/of bijbal

Ontsteking is meestal het gevolg van bacteriën die het weefsel ziek maken. Dit komt in het geval van de bal en bijbal meestal door bacteriën uit de blaas of prostaat. Vaak zijn er dus al plasklachten voordat de bijbalontsteking ontstaat. Dit hoeft echter niet. Als de bal ontsteekt zal deze zwellen,pijnlijk worden en meestal rood verkleuren. Ook kan de bal warm aanvoelen. De klachten kunnen sterk lijken op de klachten zoals bij een draaiing van de zaadbal. Meestal ontstaat de pijn geleidelijk. Bovendien kan de patiënt zich ziek voelen en koorts hebben. De bal ligt niet hoog opgetrokken in het scrotum en de bijbal is zeer gevoelig en vergroot. Indien de diagnose onduidelijk is kan het noodzakelijk zijn om op de operatiekamer een kijkje in de zak te nemen om een draaiing ( torsio) uit te sluiten. De behandeling van een epididymo-orchitis of bal en bijbalontsteking bestaat vooral uit rust, koelen, pijnstillers en eventueel antibiotica.

Zaadbalkanker

In het geval van zaadbalkanker is de pijn meestal niet het belangrijkste symptoom. Er is een vormverandering en groei van de zaadbal.

Pijn door niersteen

Een steen kan zorgen voor een sterke pijn (flankpijn) die soms uitstraalt naar de lies en de balzak. In het geval van een niersteen bevindt deze zich aan de kant waar ook de pijn in de balzak gevoeld wordt en meestal in het nierbekken.

Chronic pelvic pain syndrome (gevoelige zaadballen)

Veel mannen leiden chronisch aan gevoelige ballen. De zaadbal is van nature gevoelig bij aanraking. Dit is vergelijkbaar met de gevoeligheid die borsten bij de vrouw kunnen hebben. Soms is de aanraking zeer pijnlijk en kan het als hinderlijk worden ervaren. Vaak wordt hiervoor geen verklaring gevonden.

Het is echter ook mogelijk dat de man een hoge spanning in zijn bekkenbodemspieren heeft. Door de chronisch hoge spanning kunnen veel klachten worden veroorzaakt zoals: Obstipatie, plasklachten, buik- en/of rugpijn en ook chronisch overgevoelige testikels. Urologisch onderzoek. De bekkentherapeut kan hier door training iets aan doen.

Waterbreuk


Een hydrocele of waterbreuk is een zwelling van de balzak aan één of beide kanten en komt vaak voor.
Normaal gesproken zitten de zaadballen in een zakje met een beetje vocht. Door een ongeluk, een gezwel of een ontsteking kan de hoeveelheid vocht in het zakje toenemen. Dan ontstaat een hydrocele. Meestal is niet duidelijk waarom er zo veel vocht in de balzak zit.

Een hydrocele komt vooral voor bij mannen boven de 65 jaar. Maar soms hebben ook baby's er last van.

Behandeling

Baby

Bij een baby gaat de hydrocele alleen in de eerste maanden nog vanzelf weg. Blijft de zwelling bestaan dan spreekt men wel over een liesbreuk. Deze moet worden geopereerd. De open verbinding tussen de buikholte en het lieskanaal wordt dan gesloten waardoor er geen buikvocht meer in het scrotum kan lopen. Deze kinderen hebben meestal in de loop van de dag een toenemende zwelling rond een van beide testikels. Als ze gaan liggen loopt het vocht terug in de buik en is de zwelling weg.

Volwassene

Bij volwassenen verdwijnt de hydrocele meestal niet spontaan. Behandeling is echter niet nodig. Een hydrocele doet geen pijn en wordt ook niet kwaadaardig.

Soms veroorzaakt de zwelling echter wel klachten, bijvoorbeeld door knellende kleding of bij fietsen. Dan kunt u de hydrocele laten weghalen door een kleine operatie. Voor deze operatie moet u een dag naar het ziekenhuis (dagopname afdeling F2).

De uroloog maakt tijdens de operatie een sneetje in uw balzak en laat het vocht weglopen. Daarna wordt de ruimte waarin het vocht zich ophoopt, geopend zodat het vocht afgevoerd kan worden. Vervolgens wordt het sneetje gehecht.

Deze operatie is relatief eenvoudig. Er treden zelden complicaties op. Er wordt wel eens bloeding of infectie geconstateerd.
Een infectie kan aanleiding geven tot een scrotaal abces. Dit moet dan worden verwijderd door een nieuwe operatie. De wond die hierdoor ontstaat geneest langzaam. Dit kan soms een maand duren. Na de operatie is de zwelling verdwenen. De wondgenezing gaat gepaard met zwelling zodat na de operatie er opnieuw zwelling kan ontstaan. Deze zwelling trekt langzaam weg en is dus een normaal verschijnsel.

Pijn na sterilisatie bij een man

Symptomen

Ongeveer 5% van de patiënten houdt na een sterilisatie d.m.v. een vasectomie pijnklachten, de zogenaamde "Post-vasectomie pijn" (PVP). Deze wordt meestal gekenmerkt door aanhoudende of wisselende pijn ter hoogte van de testis (zaadbal) of de bijbal. De pijn verergert door lichamelijke activiteit, geslachtsgemeenschap of een zaadlozing. Daarbij is de bijbal vaak gevoelig en gezwollen.

Neuroom

Soms is een verdikking te voelen op de plaats van de eerdere sterilisatie, deze verdikking is gevoelig. Dit komt door littekenweefsel op de plaats waar het stukje van de zaadleider is verwijderd. De zenuw die langs de zaadleider naar de zaadbal loopt wordt geprikkeld door het littekenweefsel. Dit is een zogenaamd neuroom.

De klachten kunnen aan één of beide zijden bestaan, bovendien kan de pijn uitstralen naar de lies of naar de buik. Soms heeft een patiënt last van een knijpende pijn onder aan de bijbal. Of er is een brandende pijn ergens in het verloop van de lies.

Andere oorzaken

Andere mogelijke oorzaken voor pijn in het scrotum zijn een spatader in de balzak, een waterbreuk, een infectie of een gedraaide zaadbal . Deze oorzaken van de pijn kan de arts uitsluiten door het lichamelijk onderzoek, een urine- en bloedonderzoek en/of een echografie.

Soms is er sprake van zogenaamde neuropathische pijn (zenuwpijn) in plaats van Post vasectomie-pijn. De zenuwpijn wordt vaak beschreven als een scherpe, brandende en/of intense pijn, terwijl PVP een doffe pijn of pijn met tussenpozen is in de testikel. Vooral de pijn die gevoeld wordt tijdens een orgasme of na de seks bij een patiënt met PVP is typisch.
Elke pijn die langer duurt dan drie maanden moet door een specialist worden bekeken.

Therapie

Mogelijke behandelingen variëren op basis van de diagnose die kan worden gesteld door lichamelijk onderzoek van de balzak, laboratorium onderzoek en een echografisch onderzoek van de balzak. Het uitsluiten van andere mogelijkheden voor de pijn is een noodzakelijk maar vaak frustrerend proces.

Wanneer er sprake lijkt te zijn van een neuroom kan de pijn vaak worden beïnvloed door dit littekenweefsel te verwijderen. Bij afwezigheid van een neuroom is een hersteloperatie na de sterilisatie bij een groot gedeelte van de patiënten zinvol. Een verklaring hiervoor is dat door deze ingreep de stuwing, die voor een deel verantwoordelijk lijkt te zijn voor de pijn, verdwijnt.

Wanneer het ongedaan maken van de sterilisatie niet wenselijk of niet mogelijk is, kan een neurolyse worden overwogen. Dit is een ingreep waarbij de zenuwen die naar het scrotum lopen in de lies worden opgezocht en selectief worden doorgesneden.

Gedraaide zaadbal

Bij plotselinge pijn in de zaadbal kan er sprake zijn van een draaiing van de zaadbal, ook wel een steeldraai van de bal (torsio testis) genoemd. Hierbij draait de bal om zijn as, waardoor de bloedtoevoer naar de zaadbal afknelt. Dit geeft veel pijn.
Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor pijn in de balzak of zaadballen.

Klachten bij een gedraaide bal

De pijn wordt gevoeld in de bal. Deze zit vaak hoog opgetrokken in de balzak. De pijn straalt uit naar de lies en onderbuik. Deze pijn wordt als zeer ernstig ervaren en gaat vaak gepaard met misselijkheid en braken. Er kan een verdikking zitten in de zaadbal (harde knobbel).

Oorzaken van een gedraaide bal

Een gedraaide zaadbal kan na een fysieke inspanning optreden, maar ook spontaan zonder aanwijsbare oorzaak. In zeldzame gevallen kan een gedraaide bal al vóór de geboorte zijn ontstaan. De aandoening komt voornamelijk voor bij mannen tussen de 12 en 25 jaar.

Behandeling van een gedraaide bal

De pijn wordt veroorzaakt doordat de zaadbal geen zuurstof meer krijgt. De bloedtoevoer naar de zaadbal is namelijk afgekneld. Het is noodzakelijk om binnen 6 uur de bal terug te draaien zodat zuurstof het weefsel weer kan bereiken.
Als de diagnose binnen zes uur is gesteld, zal de uroloog direct opereren. Het scrotum wordt onder narcose geopend en de zaadbal wordt teruggedraaid. Deze kleurt dan van blauw weer terug naar roze.

Als de operatie te laat is dan zal de bal donkerblauw of zwart zijn en na terugdraaien niet meer roze kleuren. De bal is dan verloren en moet worden verwijderd. Het is dus van groot belang om bij de verdenking op een gedraaide bal (torsio testis) direct hulp te zoeken.

Zwelling van de balzak (scrotum)

Een zwelling van de balzak kan diverse oorzaken hebben.

Mogelijke oorzaken:


Tumor in de zaadbal

Een snel optredende zwelling waarbij de zaadbal hard aanvoelt en het normale gevoel in de bal verdwenen is, kan duiden op een tumor. Een tumor kan kwaadaardig zijn, daarom is het van groot belang dat zaadbalkanker snel behandeld wordt.

Liesbreuk

Door een zwakke plek in het weefsel van de buik (onder de huid) kan het buikvlies voor een deel naar boven komen. Dit heet een breuk. Er zit dan een bobbel op de plek van de breuk. Bij een liesbreuk zit de bobbel in één van de liezen.
Als een liesbreuk groot genoeg wordt, kan deze tot in de balzak komen. De breuk duwt de zaadbal dan van zijn plaats. De situatie ontstaat meestal langzaam. De liesbreuk is vaak 's ochtends verdwenen. Als er druk op de buik komt te staan zal deze opnieuw verschijnen.
Een liesbreuk is gevaarlijk als er een stuk darm in opgesloten zit, dat heet een ‘geklemde breuk'. De liesbreuk is dan zeer pijnlijk en moet met spoed worden behandeld. De patiënt ervaart dan buikpijn, misselijkheid en moet braken.
Zie ook folder: Liesbreuk

Waterbreuk (hydrocele)

Een waterbreuk of hydrocele is een abnormale hoeveelheid vocht tussen bal en het vlies dat de zaadbal omgeeft. Hierdoor ontstaat een zwelling aan één of beiden zijden in de balzak. Normaal gesproken zitten de zaadballen in een zakje met een beetje vocht. Door een ongeluk, een gezwel of een ontsteking kan de hoeveelheid vocht in het zakje toenemen. De vliezen staan dan strak gespannen en zo ontstaat een waterbreuk. Meestal is echter niet duidelijk waarom er zo veel vocht in de balzak zit.

Spermatocele

In de zaadbuisjes die zich bij de bijbal bevinden kunnen verstoppingen ontstaan. Dit geeft in sommige gevallen een ophoping van vocht in de bijbal. Dit voelt als een extra bal in de balzak. De aandoening is meestal niet pijnlijk. Het ontstaan gaat langzaam, maar de zwelling zal niet vanzelf weggaan en moet behandeld worden.

Variocele

De variocele veroorzaakt een zwelling van de balzak aan de linkerzijde. Het gaat hier op spataderen. De bloedvaten van de zaadbal die het bloed weer afvoeren zitten meestal aan de linkerzijde en kunnen uitzetten tot spataderen. De zwelling voelt als kronkelige vloedvaten rondom de linker zaadbal. Dit geeft een zwaar gevoel in de zaadbal of een vervelende pijn in de lies. In een liggende houding zal de zwelling verdwijnen.
Een variocele zorgt voor een temperatuursverhoging van de linker testikel en kan leiden tot verminderde vruchtbaarheid.

Varicocele

De streng waaraan de zaadbal vast hangt heet de zaadstreng (funiculus spermaticus). In deze streng zitten de zaadleider, zenuwen en bloedvaten van de zaadbal. Varicokele is een spatader van de bloedvaten van de bal.
De aders in de balzak zijn uitgezet. De kleppen die er voor zorgen dat het bloed slechts één kant uitstroomt in de ader, werken niet meer goed. Dit zorgt ervoor dat een relatief grote hoeveelheid bloed via de aders terug kan stromen naar de zaadballen. Dit bloed is op lichaamstemperatuur, waardoor de zaadballen te warm worden. Dit heeft invloed op de vruchtbaarheid.
Een varicocèle komt meestal links voor, maar kan soms ook aan de rechter kant of aan beide zijden voorkomen.

Symptomen

Een varicokele wordt gevoeld als een zwaar, oncomfortabel, soms pijnlijk gevoel aan de zaadbal. Dit is het gevolg van de uitgezette bloedvaten. Deze zijn meestal goed voelbaar bij warm weer of bij het nemen van een warme douche. De zichtbare kluwen van bloedvaten wordt vaak beschreven als een ‘potje vol met pieren'.

Een varicocele komt voornamelijk aan de linkerzijde voor. Dit heeft te maken met het feit dat de linker bloedvaten, de testiculaire venen (het afvoerende bloedvat) over een grote lengte, achter de buik langs richting de nierader loopt. Aan de rechter zijde loopt deze over een grote lengte direct in de holle ader. Vanuit deze holle ader bestaat een sterke aanzuigende werking, zodat het lange bloedvat wordt leeg gezogen. Links wordt deze veel minder leeg gezogen. Hierdoor krijgt bloed de kans om stil te staan in het bloedvat. Dit kan de oorzaak zijn van de spatader.

Een varicocele komt bij ongeveer 15 % van alle mannen voor. Deze hebben daar uiteraard niet allemaal last van. Bij 20 tot 40 % van de mannen met een varicocele, bestaat onvruchtbaarheid.

Onderzoek

De meest varicocele zijn aantoonbaar bij lichamelijk onderzoek. Als een varicocele wordt vermoed, bijvoorbeeld bij onbegrepen onvruchtbaarheid, kan aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Een echografie van de bloedvaten in de zaadbal laat zien of een varicocele aanwezig is.

Behandeling


De behandeling van varicoceles wordt alleen gedaan indien de varicocele klachten oplevert of de man ongewenst kinderloos blijft en een afwijkende zaadproductie blijkt te hebben.

Mogelijke behandelingen zijn zijn er op gericht dat het betreffende defecte bloedvat buiten werking wordt gesteld door het dicht te binden.
  • Een operatie waarbij met een klein sneetje in de onderbuik de bloedvaten worden opgezocht en afgebonden. Ditzelfde sneetje kan ook worden gemaakt in de lies of in het scrotum (balzak). Hoe verder van de zaadbal, hoe makkelijker de bloedvaten te vinden zijn.
  • Het is ook mogelijk om via radiologische technieken de spatader zichtbaar te maken met contrastvloeistof. Vervolgens wordt dan een afsluitend veertje in de spatader geschoten zodat het afsterft. Succeskans is hiervan ongeveer 80%.
De belangrijkste complicatie van deze ingrepen is het opnieuw optreden van varicocele.

Zaadonderzoek

Het doel van een zaadonderzoek is het beoordelen van de vruchtbaarheid van het zaad. Hiervoor zal de man na masturbatie zijn sperma moeten opvangen in een plastic bekertje.

De man wordt gevraagd om in totaal 2 of 3 keer, verspreid over enkele weken, zijn sperma op te vangen na het klaarkomen.
Voor een goede beoordeling van het zaad, is een onthoudingsperiode van drie dagen noodzakelijk. Gedurende deze drie dagen mag er dus geen zaadlozing zijn (u mag niet klaarkomen).
U krijgt een bekertje mee vanuit de polikliniek om het sperma in op te vangen. Dit bekertje is bacterie-vrij. Als u een zaadlozing heeft opgevangen in het bekertje is het van belang dat u het bekertje binnen een uur naar het Laboratorium Afname brengt (of de polikliniek Gynaecologie als de Gynaecoloog het onderzoek aanvraagt).

Meer informatie vindt u in de folder Zaadonderzoek.

Onderzoek

Het sperma wordt onderzocht op verschillende aspecten:
  • het aantal zaadcellen per zaadlozing
  • de vorm van de zaadcellen (morfologie)
  • de beweeglijkheid van de zaadcellen (motiliteit)
  • het volume van de zaadlozing (= ejaculaat)
  • de zuurgraad (= PH) van het spermavocht
  • de hoeveelheid suiker (= voedingsstof voor de zaadcellen) in het sperma
  • de aan- of afwezigheid van sperma-antistoffen (MAR-test, mixed antiglobuline)
  • vervloeiing (de snelheid waarmee het vloeibaar worden)
  • witte bloedlichaampjes (witte bloedcellen) Een hoog aantal duidt op een mogelijke infectie.

Vruchtbaar zaad heeft de volgende eigenschappen:

  • Volume van de zaadlozing: > 2 ml
  • Zuurgraad van het spermavocht: 7,2 - 7,8 ph
  • Totaal aantal zaadcellen: > 40 x 10.6 per zaadlozing
  • Spermaconcentratie: > 20 x 10.6 per ml
  • Spermabeweeglijkheid: > 50% graad 2 of  > 25% graad 4 (zie hieronder)
  • Spermavorm: > 15% normale vorm
  • Levensvatbaarheid: > 75% beweeglijk levend sperma
  • Vervloeiing: 5 tot 25 minuten
  • Witte bloedlichaampjes: < 1 x 10.6 per ml
  • MAR test (voor anti-sperma antilichamen): Negatief
  • Zink: > 2,4 mol per zaadlozing
  • Fructose: 120 tot 145 mg per dl

Spermabeweeglijkheid

Graad 0: Geen beweeglijkheid
Graad 1: Langzaam, geen beweging naar voren
Graad 2: Langzaam, langzame beweging naar voren
Graad 3: Beweegt in een rechte lijn naar voren met een gemiddelde snelheid
Graad 4: Beweegt in een rechte lijn met hoge snelheid

Afwijkingen in de uitslag

De uitslag wordt beïnvloed door de conditie van de man. Ziekte, koorts, medicijngebruik en gebruik van alcohol kunnen afwijkingen veroorzaken in de uitslag.

Aanvullende onderzoeken

In het bloed worden hormoonspiegels gemeten. De hormonen FSH, LH en testosteron zijn betrokken bij de voortplanting.
In sommige gevallen kan het zinvol zijn om de urine na te kijken na het klaarkomen. Soms worden hierin grote hoeveelheden spermacellen aangetroffen. Ook is het mogelijk om het sperma te testen op zijn capaciteit om naar de eicel toe te zwemmen.

Biopsie uit de testikel

Eventueel is het mogelijk om een stukje weefsel uit de zaadbal weg te nemen (testiculaire biopsie) en dit te laten onderzoeken op functionaliteit. Bij de aanwezigheid van spermacellen kan ook zaad worden gehaald uit de zaadbal. Dat kan worden gebruikt voor ICSI (Intracytoplasmatische Sperma-injectie). Het zaad wordt met ICSI direct in de eicel gebracht en zo ontwikkelt het embryo zich in eerste instantie in een reageerbuis.


Infertiliteit (onvruchtbaarheid) bij de man

Bij sommige stellen duurt het enige tijd voordat de vrouw zwanger is: 1 op de 5 stellen die graag een kind willen, zijn na een jaar nog niet zwanger.
Er is medisch gezien sprake van verminderde vruchtbaarheid als na 12 maanden regelmatige en onbeschermde geslachtsgemeenschap met de vrouwelijke partner, geen zwangerschap is opgetreden. De kans op zwangerschap bij een vruchtbaar stel is ongeveer 20 tot 25% per maand.

Verminderde kwaliteit van sperma

Tussen het moment dat zaadcellen worden aangemaakt en het tijdstip dat zij bij de zaadlozing naar buiten komen zitten twee tot drie maanden.
Normaal komen er bij een zaadlozing 100 tot 200 miljoen zaadcellen vrij. De hoeveelheid, de beweeglijkheid en de vorm van de zaadcellen bepalen de kwaliteit van het zaad.
Van mannelijke onvruchtbaarheid is sprake als de normale eicel niet bevrucht wordt als gevolg van abnormaal sperma. Dit wordt onderzocht tijdens het spermaonderzoek.

Te weinig zaadcellen (oligospermie of oligozoöspermie)

Elke milliliter sperma of zaadvocht bevat normaal 30 miljoen zaadcellen. Bij minder dan 20 miljoen zaadcellen per milliliter spreekt men van te weinig spermacellen (oligospermie of oligozoöspermie).

Afwezigheid van zaadcellen (azoöspermie)

Bij volledige afwezigheid van zaadcellen spreekt men van azoöspermie. Er zijn diverse mogelijke oorzaken voor het ontbreken van de zaadcellen in het sperma. Sterilisatie is er natuurlijk één. Maar ook beschadigde zaadleiders kunnen de oorzaak zijn, bijvoorbeeld door een operatie of liesbreuk. Er kan ook sprake zijn van de afwezigheid van de zaadleiders, dit is een aangeboren afwijking.
Het kan ook zijn dat er een afsluiting (obstructie) zit in de zaadblaasjes of in de prostaat. Tevens zijn hormonale afwijkingen zijn van invloed.

Spermacelproductie afwijkingen

Afwijkingen in de productie van zaadcellen komen vooral voor bij infecties of ernstige beschadiging (trauma) van de zaadbal. Het is ook mogelijk dat er een aangeboren afwijking in de chromosomen bestaat waardoor de spermacelproductie in de testis nooit tot stand is gekomen.

Beweeglijkheid zaadcellen (asthenozoöspermie)

Om zich door het slijm van de baarmoedermond, door de baarmoeder en de eileiders naar de eicel te bewegen moeten de zaadcellen voldoende beweeglijk zijn. De beweeglijkheid is dus bepalend voor de kwaliteit van de zaadcellen: wanneer de zaadcellen niet voldoende beweeglijk zijn spreekt men van asthenozoöspermie.

Afwijkende vorm zaadcellen (teratozoöspermie)

Naast beweeglijkheid is ook de vorm van de zaadcellen van belang. Om een eicel te kunnen bevruchten moet de zaadcel juist gevormd zijn. Zaadcellen zonder staart kunnen bijvoorbeeld nooit de eicel bereiken, zaadcellen met een gesplitst of misvormd hoofd kunnen nooit de wand van de eicel doordringen. Bij elke man komt een groot aantal zaadcellen met afwijkende vorm voor, indien meer dan 70% van de zaadcellen afwijkt, spreekt men van teratozoöspermie.

Oorzaken van verminderde vruchtbaarheid

Bij 30% van de stellen die graag een kind willen ligt de oorzaak bij de vrouw, bij 30% bij de man en bij 30% bij allebei. Bij 10% van de stellen blijft de oorzaak onbekend.

Oorzaken voor verminderde vruchtbaarheid bij de man kunnen zijn:
  • Varicokele: een spatader in de balzak
    Door de varicokele worden de zaadbal en bijbal te warm. De lagere lichaamstemperatuur in de balzak is van groot belang voor de kwaliteit van het sperma.
  • Hydrokele: vochtophoping in de balzak.
    Een hydrocele verhoogt de temperatuur in het scrotum waardoor de productie van zaadcellen vertraagt.
  • Cryptorchisme: verborgen zaadballen
    Eén of beide testikels bevinden zich niet in het scrotum omdat ze niet zijn ingedaald. Als de testikels niet binnen de eerste maand of rond die tijd na de geboorte indalen in het scrotum, kunnen vruchtbaarheidsproblemen ontstaan. Niet-ingedaalde testikels kunnen chirurgisch worden hersteld, maar soms kan permanente schade ontstaan als de testikels niet vroeg genoeg indalen.
  • Immunologische infertiliteit: aanwezigheid van antistoffen tegen zaadcellen
    De antistoffen beïnvloeden de beweeglijkheid of maken het onmogelijk voor de zaadcellen om de wand van de eicel te doordringen. Dergelijke antistoffen zijn meestal aanwezig bij gesteriliseerde mannen en blijven dat ook na een eventuele hersteloperatie. Soms worden antistoffen ook vastgesteld als gevolg van een ontsteking of zonder aanwijsbare reden.
  • Erectie of ejaculatie problemen
    Indien geen erectie kan worden verkregen is het moeilijk om geslachtsgemeenschap te hebben. Bij operaties aan de prostaat of blaashals verdwijnt bij het klaarkomen het sperma soms in de blaas. Er is dan sprake van droog klaarkomen of retrograde ejaculatie.
  • Verstoorde hormoonbalans
    Verschillende hormonen kunnen in een te grote of kleine hoeveelheid worden aangemaakt. Dit geeft veranderingen in het functioneren van de zaadballen en de aanmaak van zaadcellen.
  • Afwijking in de genen
    Het Syndroom van Klinefelter is een genetische aandoening bij de man waarbij hij in zijn cellen minstens een X-chromosoom te veel heeft. Normaal gesproken heeft een man een X en een Y chromosoom. Bij deze aandoening heeft de man 2 of meer X-chromosomen dit kan onvruchtbaarheid veroorzaken.
  • Obstructie in de mannelijke genitale organen
    Zaadcellen worden vanaf de beide zaadballen verder geleid door een systeem van buizen. De zaadcellen starten in de bijbal, gaan door de zaadleider via de zaadblaasjes in de prostaat en vervolgens via de plasbuis naar buiten. In elk onderdeel van deze weg kan een versperring ontstaan waardoor het sperma niet naar buiten kan.
  • Enstige ziekte of aandoening
    Ziekten of aandoeningen die problemen veroorzaken zoals een verminderde nierfunctie of levercirrose zijn van invloed op de vruchtbaarheid.
  • Soa's
    Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's) zijn in 10 tot 20% van de gevallen verantwoordelijk voor onvruchtbaarheid. Ook andere infecties kunnen tot verminderde vruchtbaarheid leiden.

Invloed van externe factoren

Externe factoren die vruchtbaarheid beïnvloeden:
  • Diverse medicijnen
  • Drugs- en alcoholgebruik
  • Roken
  • Regelmatig de sauna gebruiken of hete baden nemen: hoge temperaturen in de balzak hebben een ongunstig effect op de productie van zaadcellen.
  • Chemotherapie
  • Steroïden
  • Frequent contact met pesticiden (bestrijdingsmiddelen) of zware metalen zoals lood en kwik.

Behandeling

Behandeling van oligozoöspermie en azoöspermie (te weinig of geen zaadcellen) is sterk afhankelijk van de gevonden oorzaak. Als in de testikel een normale spermaproductie mogelijk is, kan met behulp van een kleine chirurgische ingreep zaad uit de zaadbal worden verzameld. Het is mogelijk om dit chirurgisch verkregen zaad via icsi (Intracytoplasmatische Sperma Injectie) in de vrouwelijke eicel te brengen. Op deze wijze ontwikkelt het embryo zich in eerste instantie in een reageerbuis (reageerbuisbevruchting). Later wordt het embryo teruggeplaatst in de baarmoeder.


 

Urineretentie

Urineretentie is een ophoping van urine in de blaas omdat men niet meer kan plassen of slechts kleine beetjes plast. Retentie betekent vasthouden.
  • Acute urineretentie betekent dat het plotseling onmogelijk is om te plassen en er pijn ontstaat. De pijn is het gevolg van het uitrekken van de blaaswand.
  • Chronische urineretentie ontstaat gedurende langere tijd. De blaas wordt dan niet volledig leeggeplast omdat de blaasspier niet sterk genoeg is. De hoeveelheid urine die in de blaas achterblijft, wordt dan steeds groter. Deze vorm is over het algemeen niet pijnlijk omdat de vulling langzaam gaat.

Symptomen

Klachten die ontstaan bij een acute urineretentie ontwikkelen zich binnen enkele uren en zijn:
  • buikpijn;
  • een pijnlijke aandrang om te urineren zonder dat te kunnen.
De symptomen van een chronische urineretentie ontwikkelen zich meestal langzaam en veroorzaken geen pijn:
  • het plassen komt moeilijk op gang;
  • telkens terugkerende aandrang tot plassen;
  • een opgezette buik;
  • een slappe urinestraal die eindigt met druppelen;
  • kleine beetjes urine verliezen.

Oorzaken urineretentie

Als druk van buiten op de plasbuis wordt uitgeoefend, kan dat de urinestroom tegenhouden en zo acute of chronische urineretentie veroorzaken.

Bij mannen kan urineretentie het gevolg zijn van:
  • Een goedaardige of kwaadaardige prostaatvergroting.
  • Een prostaatabces (met pus gevulde zwelling), een plasbuisvernauwing (urethrastrictuur)of een vernauwing van de voorhuid (phimosis).
  • Een vernauwing van de blaasuitgang door een goedaardige prostaatvergroting ( BPH). De prostaat ligt om de urinebuis heen. Als de prostaat groeit kan deze de urinebuis dichtdrukken. Dit leidt tot een vernauwing of afsluiting van de blaasuitgang (obstructie). Hierdoor kan de urine moeilijk uit de blaas en ontstaan plasproblemen.
  • Verminderde spierkracht in de blaaswand. Onder andere door zenuwbeschadiging.
Bij vrouwen kan urineretentie het gevolg zijn van:
  • Vaginale verzakkingen dan wel van blaas, rectum of baarmoeder.
  • Afwijkingen van de plasbuis.
  • Operaties voor urineverlies.
  • Tumoren in het kleine bekken.
  • Fowler Syndroom; overactiviteit van de plasbuis-sluitspier.

Risicofactoren

Risicofactoren die de kans op urineretentie vergroten:
  • In korte tijd veel (alcohol) drinken. Vooral als er al sprake is van een prostaatobstructie (man);
  • De verwijdering van een katheter;
  • Medicijnen;
  • Operaties;
  • Bloeding in de blaas;
  • Pijn in het bekken;
  • Onbeweeglijkheid na een operatie;
  • Schade aan zenuwen;
  • CVA (herseninfarct);
  • Dwarslaesie;
  • Trauma van de plasbuis;
  • Obstipatie
  • Blaasschade door diabetes mellitus.

Behandeling urineretentie


Bij een urineretentie is het van belang om de urine weg te laten stromen omdat anders schade aan de nieren ontstaat.
Het plaatsen van een katheter waardoor de urineafvoer plaats vindt, zal de klachten direct verminderen.
Het inbrengen van een slangetje via de plasbuis is de beste oplossing. Als dat niet mogelijk is zal de uroloog het slangetje via de buikwand in de blaas brengen (suprapubische katheter).

Eventueel moet verder onderzoek uitwijzen wat de oorzaak is van de urineretentie en of er gevolgen zijn. Daarna kan een behandeling volgen die op de oorzaak is afgestemd.

Kans op herhaling

Als een risicofactor de urineretentie heeft uitgelokt, ontstaat meestal geen nieuwe retentie na verwijdering van de katheter.
In andere gevallen ontstaat bij 50% een nieuwe retentie binnen een week. In 70% van de gevallen treedt de retentie opnieuw op binnen 1 jaar.

Trauma aan de zaadbal

Een trauma aan de zaadbal is door geweld toegebrachte schade aan de zaadballen.

Meestal betreft het een stomptrauma zoals bij iemand die in het kruis wordt geschopt. De zaadbal wordt dan tegen het schaambeen gedrukt. Dit leidt tot een bloeding. Zelden scheurt het omhulsel van de bal (tunica albuginea). Als dit het wel scheurt, worden de zaadproducerende buisjes met kracht uit de bal gedrukt.
In alle gevallen is er sprake van een fors hematoom (bloeduitstorting). Een dergelijke blauwe plek kan zwelling van de bal veroorzaken. Zo'n zwelling kan het weefsel van de zaadbal verdrukken en aanleiding geven tot zuurstof gebrek. De zaadbal kan hierdoor afsterven.

Symptomen

Ernstig letsel aan de testis gaat gepaard met ernstige pijn, misselijkheid en braken. Onderzoek van het scrotum is nauwelijks mogelijk. De bal is vaak niet meer voelbaar als gevolg van de zwelling door bloedverlies in de balzak.

Behandeling

De testis moet worden geopereerd indien er sprake is van een gescheurd kapsel. De essentie van de operatie is dat het defecte bloedvat buiten werking wordt gesteld door het dicht te binden. Dit komt weinig voor.

Goedaardige niertumoren

Met het beter worden van de kwaliteit van onderzoeken worden nierafwijkingen vaker gezien. Deze afwijkingen zijn vaak goedaardig. Maar met behulp van een röntgenfoto kan dit niet altijd correct beoordeeld worden. Alleen onder de microscoop kan definitief worden vastgesteld of er sprake is van kanker. We moeten de beslissing om te opereren echter nemen op basis van het fotomateriaal wat beschikbaar is. Hiervoor is een contrast CT-scan van de buik (en nieren) het meest geschikt.

Cysten van de nier

Solide massa's in de nieren die kleuren met het contrastmiddel op de scan zijn zeer verdacht voor kanker en moeten zonder aarzelen worden verwijderd. Moeilijker zijn de veel voorkomende cysten van de nier. Vele mensen hebben één of meerdere, soms zelfs grote cysten in hun nieren. Deze cysten zijn holtes, een soort ballonnetjes gevuld met water. Deze zijn normaal, geven doorgaans geen klachten en kunnen geen kwaad.
Deze eenvoudige cysten hebben een dunne wand en zijn gevuld met helder vocht. Dit is goed herkenbaar op een CT-scan en wordt een "Bosniak type I cyste" genoemd. Dergelijke cysten hoeven niet behandeld en niet gecontroleerd te worden.

Een Bosniak type II cyste is herkenbaar aan meerdere dunne wandjes in de cyste of een simpele verkalking van de wand. De holte kan gevuld zijn met oud bloed of enkele stolsels. De wand van de cyste kleurt niet door het contrastmiddel bij de CT-scan. Behandeling van deze cysten is niet nodig. Zij moeten wel in de gaten worden gehouden. Er is 10 to 20% kans dat de cyste veranderd naar iets kwaadaardigs. Dit wordt duidelijk als de cyste groter wordt of andere eigenschappen krijgt.

Een Bosniak type III cyste heeft een dikkere en onregelmatige wand, dikkere tussenschotten in de holte, meer kalk en kleurt door het contrastmiddel bij de CT-scan. Van deze cysten blijkt na operatie in 40-50% kwaadaardig te zijn.

Type IV cysten hebben sterke en stevige wanden en zijn zeer herkenbaar als een kwaadaardige afwijking. Meer dan 90% van dit type cysten zal ook kwaadaardig blijken te zijn.

Goedaardige solide gezwellen

Naast de cyste kunnen er ook solide zwellingen zijn. Deze zijn niet gevuld met vocht maar met weefsel. Hier is meestal wel sprake van kwaadaardigheid. Toch komen er ook een aantal goedaardige tumoren(gezwellen) voor.
Goedaardige tumoren zijn meestal herkenbaar aan hun uiterlijk op de CT-scan.

Angiomyolipoma

Een afwijking die voornamelijk bij vrouwen voorkomt (4 keer zo vaak bij vouwen dan bij mannen) is ‘angiomyolipoma'. Deze afwijking bestaat uit bloedvaatjes, spierweefsel en vooral vet. Op een röntgenbeeld is het gezwel goed te herkennen en meetbaar.
De afwijking komt vooral voor op middelbare leeftijd, is goedaardig maar groeit ongeveer 5% per jaar. Van deze afwijkingen zien we 80 % bij de nier aan de rechterzijde.
Zolang de doorsnede van het gezwel kleiner is dan 4 cm. is het niet nodig om er iets aan te doen. Grotere afwijkingen kunnen gaan bloeden. Hierbij kan embolisatie (afsluiting van het bloedvat om doorbloeding te blokkeren) of verwijdering van het gezwel overwogen worden.

Oncocytoom

Ongeveer 5% van alle solide niertumoren is een oncocytoom. Het komt twee keer vaker bij mannen voor dan bij vrouwen. Dit volledig goedaardige gezwel geeft bijna geen symptomen. Pijn of bloed in de urine kan voorkomen.
Het is onmogelijk om deze afwijking op basis van de röntgenfoto's te onderscheiden van kwaadaardige tumoren. Er zijn typische eigenschappen zoals het 'gespaakte wiel' beeld als gevolg van de bloedvoorziening, maar dit geeft te weinig zekerheid in de beslissing om wel of niet te opereren. Met een naald een biopt (weefselmonster) nemen, levert ook geen bijdrage in de beslissing. Het onderscheid tussen goed en kwaadaardig is met zo'n kleine hoeveelheid weefsel nauwelijks te maken en oncocytomen willen nog wel samen met nierkanker voorkomen. Een nierverwijdering geeft de definitieve diagnose. Als het blijkt te gaan om een oncocytoom, dan is op grond van het goedaardige karakter verdere controle niet noodzakelijk.
Blogbericht

Zie ook Blogbericht Goedaardige niertumoren

De penis


Hormoontherapie bij prostaatkanker

Als u prostaatkanker hebt, is hormoontherapie een gangbare medische behandeling.
Deze therapie remt de productie van het mannelijk hormoon testosteron en daardoor ook de groeibevorderende werking die dit hormoon heeft op de kankercellen.

Hormonen en prostaatkanker

Hormonen zijn chemische stoffen die het lichaam zelf maakt en die worden uitgescheiden in het bloed. De meeste hormonen worden gemaakt in speciale hormoonklieren zoals de hypofyse (klier in het hoofd) en de schildklier (bij de adamsappel in de hals). Deze klieren hebben geen andere taken. Maar ook organen die op de eerste plaats een andere functie hebben, zoals de nieren, scheiden hormonen af.
Hormonen regelen verschillende belangrijke processen in het lichaam zoals de groei, de stofwisseling en de ontwikkeling van de geslachtsorganen. Maar ook de suikerspiegel in het bloed en het lichaamsritme van slapen en ontwaken.

Geslachtshormoon testosteron

Een belangrijke groep hormonen zijn de geslachtshormonen. Het belangrijkste mannelijke geslachtshormoon is testosteron. Dit hormoon wordt voornamelijk door de zaadballen aangemaakt. En een gedeelte door de bijnierschors. Mannelijke geslachtshormonen stimuleren de zaadproductie en de ontwikkeling van mannelijke geslachtskenmerken.
Als er prostaatkanker ontstaat, zijn de kankercellen voor hun groei vaak (gedeeltelijk) afhankelijk van de aanwezigheid van testosteron. Kankercellen overleven minder goed of helemaal niet als dit geslachtshormoon er niet is.

Werking hormoontherapie

Hormoontherapie is erop gericht de stimulerende werking van testosteron op kankercellen af te remmen of te blokkeren. De productie van bepaalde hormonen wordt beperkt door de hormonale therapie of hun invloed neemt af. Het ontstaan en de groei van kankercellen kan zo (tijdelijk) worden stopgezet.

Hormoontherapie kan zowel als aanvullende (adjuvante) behandeling als klachtenverlichtend (palliatief) worden gegeven. Met hormoontherapie kan prostaatkanker niet genezen.

De uroloog zal verder met de patiënt bespreken of hormoontherapie een mogelijke behandeling is en of het dan gaat om een aanvullende of klachtenverlichtende behandeling.
  • Adjuvante hormoontherapie

Adjuvante hormoontherapie kan als aanvullende behandeling na een bestraling of operatie worden gegeven, Dit gebeurt om eventueel achtergebleven kankercellen of kleine, onzichtbare uitzaaiingen alsnog te vernietigen. Deze combinatie van behandelingen is vooral geschikt voor patiënten met een 'gevorderde tumor' (Gleason-score 7-10).
  • Neo-adjuvante behandeling

Deze vorm van aanvullende hormoontherapie wordt gegeven voorafgaand aan een operatie of bestraling. De bedoeling is om de tumor beter behandelbaar te maken en eventuele uitzaaiingen te vernietigen.

De keuze voor, het startmoment en de duur van de hormoontherapie zijn in overleg met de uroloog. De hormoontherapie wordt in de vorm van medicijnen (tabletten of injecties) toegediend.

Klachtenverlichtende (palliatieve) hormoontherapie

Hormoontherapie kan ook als klachtenverlichtende behandeling worden gegeven. Deze behandeling is gericht op het remmen van de ziekte of de vermindering van de klachten zoals pijn. De behandeling bestaat uit het gebruiken van hormoonpreparaten of het operatief verwijderen van (weefsel uit) de zaadballen.
  • Hormoonpreparaten toedienen

Met een injectie worden de hormoonpreparaten toegediend (chemische castratie). Zo wordt de werking van de zaadballen stilgelegd waardoor er geen testosteron meer wordt aangemaakt en de tumorcellen minder snel of niet meer groeien.
  • Operatie orchidectomie

Door een orchidectomie wordt het hormoonproducerende weefsel uit beide zaadballen verwijderd. Ook verwijdering van beide zaadballen (castratie) is een mogelijke behandeling. Dit is medisch gezien geen grote ingreep maar is vaak wel enorm ingrijpend voor de patiënt.

Bijwerkingen hormoontherapie

De (mogelijke) bijwerkingen van hormoontherapie zijn:
  • minder zin om te vrijen of impotentie;
  • botontkalking;
  • opvliegers;
  • hoofdpijn;
  • stemmingsverandering;
  • gewichtstoename;
  • pijnlijke zwelling van de borsten;
  • verandering van lichaamsbeharing
  • onvruchtbaarheid.

Meer informatie

Op de site van KWF Kankerbestrijding kunt u de brochure hormonale therapie bij kanker downloaden.

UPJ stenose (subpelviene stenose)

Stenose betekent vernauwing. Bij een UPJ stenose is de uitgang van het nierbekken naar de urineleider vernauwd maar niet helemaal dicht.
De nieren verwijderen water en afvalstoffen uit het bloed en voeren deze als urine af naar de blaas.
De vernauwing zorgt ervoor dat de urine moeilijk uit het nierbekken wegstroomt. Omdat de urine door een te smalle uitgang moet, neemt de druk in het nierbekken toe. Door de druk ontstaat pijn en kan de nierfunctie kan verslechteren.

Functie van de nieren

De nieren liggen aan de achterkant van het lichaam, ongeveer ter hoogte van het middel, zowel aan de linker- als rechterzijde. Het zijn boonvormige organen die ongeveer zo groot zijn als een vuist. De nieren fungeren als een enorme zeef, ze verwijderen water en afvalstoffen en scheiden deze uiteindelijk uit als urine uit. De urine komt via de urineleider in de blaas terecht.

Zie ook uitgebreide uitleg over functie van de nieren.
Anatomische weergave van een nier. (bron wikipedia)

De nier bestaat uit drie delen: het nierschors (cortex), het niermerg (medula) en het nierbekken (pyelum).
In de nierschors bevindt zich een filtersysteem waar het bloed doorheen stroomt. Door de bloeddruk wordt het bloed door deze filter gezuiverd van de afvalstoffen en overtollig water. Zo ontstaat voorurine. De voorurine bevat zowel afvalstoffen als stoffen die belangrijk zijn om te behouden. Deze voorurine legt een ingewikkelde weg af door de niermerg, waar de nog waardevolle stoffen worden behouden en de afvalproducten worden uitgescheiden. De niermerg is een systeem van verzamelbuisjes die allen samenkomen in het nierbekken. Uiteindelijk komt de urine in het nierbekken. Het nierbekken loopt over in de urineleider. Dit is een smalle maar gespierde buis die uitmondt in de blaas.

Uretero pelvic junction (UPJ)

De overgang van het nierbekken naar de ureter (urineleider) heet de UPJ (uretero-pelvic junction). Deze overgang kan vernauwd (stenotisch) zijn. De urine kan er wel doorheen. Als er veel urine tegelijk in het nierbekken terecht komt, moet dit allemaal door deze smalle uitgang. De druk in het nierbekken neemt daardoor toe. In eerste instantie zal het bekken hierdoor wat wijder worden. Als dit snel ontstaat voelen we dit als pijn in de flank.
Een typisch moment waarop dit gebeurd is tijdens het drinken van bier. Meestal wordt er dan veel urine tegelijk geproduceerd. Het kan niet allemaal tegelijk door de uitgang en levert typische 'bierkolieken' op. Dit wordt beschreven als een snel opkomende drukkende pijn in de flank die gepaard gaat met de behoefte om te bewegen en soms zeer intens kan zijn.

Aangeboren afwijking

Een UPJ stenose is een aangeboren afwijking die vaker in bepaalde families voorkomt. Soms wordt dit al bij een foetus gediagnosticeerd. Op de zwangerschapsecho ziet de gynaecoloog of echoscopist dan eenzijdig of aan beide zijden een opgezet nierbekken.
De aandoening kan ook lang onopgemerkt blijven en ineens op latere leeftijd opspelen. Het is niet duidelijk waarom er na al die jaren dan ineens klachten ontstaan.
In sommige situaties wordt een UPJ stenose nooit opgemerkt maar gaat de nierfunctie aan de aangedane zijde langzaam achteruit. Omdat de andere nier al het werk voor zijn rekening neemt valt dit niet op. Dit kan een reden zijn om families waarin UPJ stenose voorkomt, te controleren.

Reden voor behandeling

Er zijn drie belangrijke redenen om iets te doen aan een UPJ stenose. Natuurlijk is de achteruitgang van de nierfunctie een belangrijke reden. De nier moet beschermd worden voor verder nierfunctieverlies. Ook klachten zoals kolieken zijn een goede reden om in te grijpen. Als er urineweginfecties of nierstenen voorkomen bij een stenose is dit een indicatie voor een operatie.

Diagnose stellen

De UPJ stenose is een afwijking in de anatomie met een functiebeperking als gevolg. De afwijking is veelal herkenbaar op een CT-scan. We zien dan de uitgezette afvoerwegen van het niermerg. Soms is ook de vernauwing goed in beeld te brengen.
Hoewel de afwijking mooi te zien is weten we op dergelijke foto's nog niet of de vernauwing ook werkelijk de urine tegenhoudt. Hiervoor is een onderzoek nodig om vast te stellen of de urine het vernauwde segment moeilijk kan passeren. Dit onderzoek heet een renogram.

Oorzaak vernauwing

De meest voorkomende oorzaak van de vernauwing is een niet goed functionerend spiersegment in de overgang van het nierbekken naar de urineleider. Hierdoor is deze spastisch en vernauwd. Ook zien we soms een bloedvat dat de onderkant van de nier van bloed voorziet kruisen met de urineleider. Dit bloedvat kan de oorzaak zijn van de vernauwing.

Behandeling

De enige manier om een UPJ stenose te behandelen is door te opereren. Als de oorzaak een overkruisend bloedvat is dan moet dit verlegd worden. Het bloedvat kan niet worden doorgesneden omdat dan de onderkant van de nier geen bloed meer krijgt en afsterft. Maar, de urineleider kan wel worden doorgesneden worden en aan de andere zijde van het bloedvat weer aan elkaar worden gezet. Op deze wijze klemt het bloedvat de urineleider niet meer af.

Een spiersegment dat de vernauwing veroorzaakt moet tijdens een operatie worden verwijderd of ingesneden. Insnijding was enige jaren populair maar leverde te weinig resultaat op, alleen als een ervaren uroloog de insnijding doet, is dit een optie. Met de komst van laparascopische operatietechniek komt de insnijding nog maar weinig voor.
Laparoscopisch opereren is de medische term voor een kijkoperatie in de buik. Deze techniek kan voordelen bieden boven de traditionele 'open' operatie.

Operatie met een snee in de zij

De ouderwetse manier is om de nier te benaderen via een snee in de zij. De nier wordt opgezocht en iets gekanteld zodat de vernauwing zichtbaar is. De vernauwing van de urineleider wordt weggesneden en de twee uiteinden worden aan elkaar gehecht. De snee is weliswaar klein maar zeker meer belastend voor een patiënt dan de sleutelgat operatietechniek (laparascopisch). Alleen bij zeer moeilijke gevallen is het nog nodig om de operatie met een snee in de flank te doen.

Laparascopische operatie

De laparoscopische methode is het meest populair. Er worden een paar kleine sneden gemaakt waardoor buisjes tot vlak bij de nier worden ingebracht. Door de buisjes worden een camera en instrumenten naar binnen gebracht. Deze operatiemethode is veilig en geeft dezelfde resultaten als de ouderwetse manier van opereren. Na de operatie blijft er een slangetje achter in de urineleider tot in de blaas. Zo kan het geopereerde gebied beter genezen. Het slangetje wordt er na een aantal weken uitgehaald via een poliklinische blaasspiegeling (cystoscopie).
De herstelperiode na de laparoscopische methode is zeer kort. De opnameduur is één tot drie dagen.
Het is mogelijk dat er na de operatie opnieuw een vernauwing ontstaat door de vorming van littekenweefsel. Dit komt echter maar zelden voor.

Laserbehandeling van Hunnerse laesie

Sommige patiënten met het blaaspijnsyndroom (Interstitiele cystitis) hebben in het slijmvlies van de blaas een wond zitten. Deze wond wordt ook wel een "Hunnerse laesie" genoemd. Deze wond is zeer pijnlijk.
Tijdens een lichamelijk onderzoek kan de locatie van een Hunnerse laesie snel worden ontdekt door op de blaaswand te drukken. Omdat de wond zeer pijnlijk is wordt deze oorzaak van de klachten direct herkend tijdens een lichamelijk onderzoek.

Behandeling

De Hunnerse laesie kan behandeld worden met een laser op de operatiekamer. Hiervoor wordt eerst een blaasspiegeling uitgevoerd.
Onder narcose bekijkt de uroloog dan de blaas. Dit doet de uroloog met behulp van een dunne holle kijkbuis met een camera (cystoscoop).

De Hunnerse laesies zijn goed herkenbaar. Deze afwijkingen zijn vaak stervormig en rood met een duidelijke aftekening van bloedvaten. In het midden is vaak een ulcus (wond) te zien. Aanraken van deze afwijking geeft een heftige pijnreactie.

Op onderstaande foto's ziet u de Hunnerse laesie en de laser. Het rode lampje is een zoeklicht dat aangeeft waar de laser zijn effect gaat hebben. Na het laseren kleurt het blaaslijmvlies wit.
De blaas bekeken met een cystoscoop.
De laser behandelt de wond in de blaas

Tijdens de blaasspiegeling wordt een 'Laserfibre', een dun draadje met een contacttip, tot vlak bij de wond ingebracht. De laserenergie verpulvert de oppervlakkige laag van deze afwijking. De spierlaag eronder blijft onaangetast.

De procedure is snel en kent nauwelijks bijwerkingen of complicaties. Bijna direct na het laseren is de pijn volledig verdwenen. Vaak houdt het effect lang aan. Met de blaasspoelingen wordt geprobeerd om de vorming van een nieuwe afwijking zo lang mogelijk uit te stellen. De laserbehandeling vindt plaats tijdens een dagopname. Het is niet nodig om na de operatie een katheter in de blaas achter te laten.

Chronisch pijnsyndroom

We spreken van een chronisch pijnsyndroom als
  • de pijn langer aanwezig is dan op grond van het oorspronkelijke letsel verwacht mag worden óf
  • een duidelijke oorzaak voor de pijn ontbreekt
De patiënt heeft pijn, maar het geneeskundig onderzoek (inclusief eventuele röntgenfoto's, bloedonderzoek etc.),kan geen echte verklaring worden gevonden voor de pijn.
Het kan ook zijn dat er wel een oorzaak voor de pijnklachten wordt gevonden maar dat de oorzaak niet kan worden weggenomen.

Inwendig bekkenbodemonderzoek

Om meer informatie te krijgen kan het onderzoek van de bekkenfysiotherapeut worden uitgebreid met een inwendig onderzoek (palperen van de bekkenbodemspieren). De bekkenfysiotherapeut bespreekt dit met u .

Gang van zaken

Bij dit inwendige onderzoek voelt de fysiotherapeut via de vagina en/of de anus naar de spieren van de bekkenbodem om zo een indruk van het functioneren van deze spieren te krijgen. De fysiotherapeut voelt de kracht, het uithoudingsvermogen en de coördinatie van deze spiergroep.
Het onderzoek kan soms nodig zijn om in het geval van pijnklachten te bepalen waar de pijn exact zit.
De fysiotherapeut zal u tijdens het onderzoek vragen om de bekkenbodem te spannen, te ontspannen, te persen en te hoesten. Daarbij kijkt en voelt de therapeut wat er gebeurt in de bekkenbodem.

Het onderzoek doet in principe geen pijn. Als u toch pijn voelt of het onderzoek vervelend vindt, kunt u het onderzoek op elk moment stoppen. De fysiotherapeut vertelt u gedurende het hele onderzoek wat er gebeurt. Na afloop van het onderzoek bespreekt de fysiotherapeut de bevindingen met u.

Biofeedback

Na een inwendig bekkenbodemonderzoek kan de bekkenfysiotherapeut in overleg met u besluiten om een ‘biofeedback onderzoek' te doen.

Bij een biofeedback-onderzoek wordt een smal instrument, de probe, in de vagina of in de anus gebracht om de activiteit in uw bekkenbodemspieren te meten.

Probe

De probe die tijdens het onderzoek en de behandeling wordt gebruikt, dient u zelf aan te schaffen. De probe is namelijk persoonsgebonden en wordt alleen door uzelf gebruikt. De kosten liggen tussen de 20 en 65 euro. De fysiotherapeut informeert u over het juiste type probe en hoe deze aan te kunnen schaffen. De probe wordt over het algemeen niet vergoed door de zorgverzekeraar.
Probe anaalProbe vaginaal

Werkwijze

De fysiotherapeut zal u vragen om de spieren te spannen, te ontspannen, te persen en te hoesten. Op een beeldscherm wordt de activiteit van de bekkenbodemspieren weergegeven. De bekkenfysiotherapeut bespreekt deze waardes met u.
Het onderzoek doet geen pijn. Als u toch pijn voelt of het onderzoek vervelend vindt kunt u het onderzoek op elk moment stoppen. De fysiotherapeut vertelt u gedurende het hele onderzoek wat er gebeurt.

Uitkomst

De fysiotherapeut zal alle uitkomsten en bevindingen met u bespreken. Daarna wordt samen met u een behandelplan opgesteld dat specifiek op uw situatie is afgestemd.

Training met persoonsgebonden probe

Tijdens de behandeling kan de bekkenbodem ook getraind worden door middel van biofeedback met de probe. Dit hulpmiddel wordt gebruikt om de spieren op de juiste wijze te leren spannen en ontspannen.
voorbeeld van Probe in de anus bij een vrouw voorbeeld van een Probe in de vagina











Biofeedback

Na een inwendig bekkenbodemonderzoek kan de bekkenfysiotherapeut in overleg met u besluiten om een ‘biofeedback onderzoek' te doen.

Bij een biofeedback-onderzoek wordt een smal instrument, de probe, in de vagina of in de anus gebracht om de activiteit in uw bekkenbodemspieren te meten.

Probe

De probe die tijdens het onderzoek en de behandeling wordt gebruikt, dient u zelf aan te schaffen. De probe is namelijk persoonsgebonden en wordt alleen door uzelf gebruikt. De kosten liggen tussen de 20 en 65 euro. De fysiotherapeut informeert u over het juiste type probe en hoe deze aan te kunnen schaffen. De probe wordt over het algemeen niet vergoed door de zorgverzekeraar.
Probe anaalProbe vaginaal

Werkwijze

De fysiotherapeut zal u vragen om de spieren te spannen, te ontspannen, te persen en te hoesten. Op een beeldscherm wordt de activiteit van de bekkenbodemspieren weergegeven. De bekkenfysiotherapeut bespreekt deze waardes met u.
Het onderzoek doet geen pijn. Als u toch pijn voelt of het onderzoek vervelend vindt kunt u het onderzoek op elk moment stoppen. De fysiotherapeut vertelt u gedurende het hele onderzoek wat er gebeurt.

Uitkomst

De fysiotherapeut zal alle uitkomsten en bevindingen met u bespreken. Daarna wordt samen met u een behandelplan opgesteld dat specifiek op uw situatie is afgestemd.

Training met persoonsgebonden probe

Tijdens de behandeling kan de bekkenbodem ook getraind worden door middel van biofeedback met de probe. Dit hulpmiddel wordt gebruikt om de spieren op de juiste wijze te leren spannen en ontspannen.
voorbeeld van Probe in de anus bij een vrouw voorbeeld van een Probe in de vagina











Elektrostimulatie van de bekkenbodem

Als u moeite hebt om uw bekkenbodemspieren aan te spannen, kan elektrostimulatie van de bekkenbodem goede resultaten opleveren. Voor deze elektrostimulatie is een probe nodig. Hiervoor wordt dezelfde soort probe gebruikt als voor de biofeedback.

Probe

De probe die tijdens het onderzoek en de behandeling wordt gebruikt dient u zelf aan te schaffen. De probe is namelijk persoonsgebonden en wordt alleen door uzelf gebruikt. De kosten liggen tussen de 20 en 65 euro. De fysiotherapeut informeert u over het juiste type probe en hoe u deze aan kan schaffen. De probe wordt over het algemeen niet vergoed door de zorgverzekeraar.

Werkwijze

De probe, die in de vagina of anus is aangebracht, geeft elektrische prikkels af. Dit doet geen pijn. Deze prikkels zorgen ervoor dat de bekkenbodemspieren worden aangespannen. U kunt dan leren hoe het voelt als deze spieren aanspannen en u kunt proberen om zelf mee te doen met het aanspannen.

TENS

Elektrostimulatie kan ook worden ingezet om pijnklachten te bestrijden. Deze behandeling heet TENS. TENS is een afkorting voor de term Transcutane Electro Neuro Stimulatie en houdt in dat er een elektrisch stroompje door de huid heen (transcutaan) gaat, en de zenuwen (neuro) kan beïnvloeden (stimuleren) om de pijn te verminderen. Deze behandeling kan zowel uitwendig als inwendig worden toegepast.

Rectale ballontraining

In het geval van obstipatie (moeilijke stoelgang) of van incontinentie voor ontlasting kan onderzoek en/ of behandeling met een rectale ballon uitkomst bieden. De bekkenfysiotherapeut bespreekt dit met u als u hiervoor in aanmerking komt.

Werkwijze

Bij rectale ballontraining wordt een speciale (lege) ballon in de anus gebracht, die vervolgens met lucht of water gevuld wordt met behulp van een spuit. Het vullen van de ballon gebeurt om de aanwezigheid van ontlasting na te bootsen. Het onderzoek met de rectale ballon doet geen pijn. U kunt op ieder moment het onderzoek onderbreken.

De bekkenfysiotherapeut kijkt naar het moment waarop u aandrang krijgt voor ontlasting en naar het toilet zou willen gaan en bekijkt of uw gevoel juist is. Is dit niet het geval dan kan er met de ballon getraind worden om dit te verbeteren. Ook bekijkt de bekkenfysiotherapeut of uw kringspieren en bekkenbodem goed reageren bij aandrang.
Daarnaast kan de therapeut bekijken of u op de goede manier perst tijdens het ontlasten. Als u niet goed perst dan kunt u dit leren met behulp van de rectale ballon. Hiervoor krijgt u adviezen van de bekkenfysiotherapeut.
Als het onderzoek is afgerond, bespreekt de fysiotherapeut de uitkomsten met u.

Rectale ballontraining

In het geval van obstipatie (moeilijke stoelgang) of van incontinentie voor ontlasting kan onderzoek en/ of behandeling met een rectale ballon uitkomst bieden. De bekkenfysiotherapeut bespreekt dit met u als u hiervoor in aanmerking komt.

Werkwijze

Bij rectale ballontraining wordt een speciale (lege) ballon in de anus gebracht, die vervolgens met lucht of water gevuld wordt met behulp van een spuit. Het vullen van de ballon gebeurt om de aanwezigheid van ontlasting na te bootsen. Het onderzoek met de rectale ballon doet geen pijn. U kunt op ieder moment het onderzoek onderbreken.

De bekkenfysiotherapeut kijkt naar het moment waarop u aandrang krijgt voor ontlasting en naar het toilet zou willen gaan en bekijkt of uw gevoel juist is. Is dit niet het geval dan kan er met de ballon getraind worden om dit te verbeteren. Ook bekijkt de bekkenfysiotherapeut of uw kringspieren en bekkenbodem goed reageren bij aandrang.
Daarnaast kan de therapeut bekijken of u op de goede manier perst tijdens het ontlasten. Als u niet goed perst dan kunt u dit leren met behulp van de rectale ballon. Hiervoor krijgt u adviezen van de bekkenfysiotherapeut.
Als het onderzoek is afgerond, bespreekt de fysiotherapeut de uitkomsten met u.

Stress-incontinentie

Stressincontinentie is de meest voorkomende vorm van incontinentie. Kenmerkend voor deze vorm is het verlies van kleine beetjes urine. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij hoesten, niezen of tijdens het sporten omdat de druk in de buik verhoogt tijdens deze momenten. Dit heet ook wel inspanningsincontinentie of hoge druk-incontinentie.

Ontstaan

Stress- incontinentie ontstaat meestal na een bevalling, echter veel andere factoren spelen mee zoals zwaar hoesten, zwaar tillen, overgewicht en onvoldoende beweging.
Als een vrouw bevalt van een kind, worden de bekkenbodemspieren opgerekt. Als deze spieren niet getraind worden kunnen ze verzwakt blijven met mogelijk incontinentie tot gevolg. Als de spieren verzwakt zijn, betekent dit dat ze onvoldoende sterk zijn om de plasbuis snel te kunnen steunen bij een drukverhogend moment. Het gevolg is het verlies van druppeltjes urine.
Deze vorm van incontinentie komt bij vrouwen van elke leeftijd voor .

Behandeling

De bekkenfysiotherapeut kan samen met u een oefenschema opzetten om uw bekkenbodemspieren te trainen om er voor te zorgen dat de spieren weer voldoende sterk zijn en goed functioneren om de drukverhogende momenten op te vangen

Oefeningen voor de bekkenbodemspieren

U kunt zelf proberen om uw bekkenbodem te oefenen, u kunt de oefeningen thuis doen.
  • Ga op uw rug liggen met opgetrokken knieën en leg uw handen losjes op uw buik. Het is de bedoeling dat u uw bekkenbodemspieren aanspant tijdens een uitademing. U neemt dus als het ware uw bekkenbodem mee naar binnen toe tijdens het uitademen (u trekt uw plasbuis en anus in).
  • Houd uw spieren aangespannen, maar adem wel gewoon in en uit.

  • Na driemaal rustig in- en uitgeademd te hebben, ontspant u uw bekkenbodem weer. Het is even oefenen, maar op den duur lukt het steeds beter. Wanneer het goed gaat kunt u de oefening ook zittend of staand uitvoeren tijdens uw dagelijkse bezigheden, bijvoorbeeld tijdens het fietsen, sporten, televisie kijken, haren kammen, tanden poetsen en het in de rij staan voor een kassa. Niemand ziet dat u aan het oefenen bent.
  • Als u moet bukken of tillen, adem dan eerst uit en span uw bekkenbodemspieren aan. Moet u gedurende enige tijd kracht blijven zetten, houd dan uw bekkenbodem stevig aangespannen maar adem rustig door.
Merkt u dat er geen verbetering optreedt ondanks oefenen en/ of voelt u niet hoe u de bekkenbodem kunt aan- en ontspannen, dan adviseren wij u om contact op te nemen met uw behandelend arts. Deze kan u een verwijzing geven voor behandeling bij een bekkenfysiotherapeut. 

Aandrang-incontinentie

Aandrang -incontinentie is een vorm van incontinentie waarbij de blaas zich in een keer leegt zonder dat u hier invloed op heeft. Dit gebeurt vaak terwijl u (net) niet op het toilet zit. Kenmerkend is dat het gaat om verlies van scheuten urine of zelfs het ongewild legen van de gehele blaasinhoud.

Oorzaak

Een oorzaak kan zijn dat uw bekkenbodemspieren te gespannen zijn waardoor de blaas geïrriteerd raakt. De hoge spierspanning van de bekkenbodem heeft ook tot gevolg dat u de blaas niet goed leeg kan plassen. Hierdoor kan urine in de blaas achterblijven, wat urineweginfecties tot gevolg kan hebben. Ook zal uw blaas eerder seintjes geven dat er geplast moet gaan worden (u hebt sneller aandrang om te plassen).

Behandeling

De bekkenfysiotherapeut leert u bewust te worden van de functie van uw bekkenbodemspieren; hoe kunt u deze aanspannen, maar vooral ook hoe kunt u deze spieren ontspannen. U leert voelen wat uw bekkenbodemspieren doen tijdens het plassen. Tevens wordt gekeken naar hoe u uw houding op het toilet kunt verbeteren.

Algehele ontspanning speelt een belangrijke rol bij hoge spierspanning van de bekkenbodem, samen met een rustige ademhaling.

Verzakkingsgevoel in het bekkenbodemgebied

Het gevoel dat er iets verzakt is in het bekkenbodemgebied kan duiden op het veranderen van de ligging van de blaas, baarmoeder en/of darmen.
Naast een zwaar gevoel in de schede of in de onderbuik kan dit leiden tot het niet goed leegplassen van de blaas, steeds terugkerende urineweginfecties, problemen bij het zitten, fietsen en vrijen.

Behandeling

De bekkenbodemspieren hebben een steunfunctie voor de inwendige organen. Bekkenfysiotherapie is een van de eerst aangewezen behandelmethodes voor deze klachten.
De bekkenfysiotherapeut zal samen met u een behandelplan opstellen, waarbij zeker ook aandacht zal zijn voor het functioneren in het dagelijks leven en er zal gekeken worden naar hoe belastende momenten , zoals bukken en tillen, te verminderen. Er wordt ook aandacht besteed aan het op een juiste manier gebruiken van de bekkenbodem in het dagelijks leven.

Behandeling blaaspijnsyndroom (IC)

Bij het blaaspijnsyndroom (Interstitiële cystitis) is de wand van de blaas geïrriteerd waardoor deze minder gemakkelijk oprekt en de capaciteit van de urineblaas afneemt. Bij pijn ontstaat de neiging om de spieren steeds meer aan te gaan spannen. Hierdoor raakt de blaas nog geïrriteerder, de pijn kan dan toenemen en plassen en ontlasten kan moeilijker worden.

Triggerpoints

Een groot deel van de symptomen van Interstitiële Cystitis kan voortkomen uit Triggerpoints.
Triggerpoints zijn pijnlijke punten in een strakke streng van een spier die spontaan pijn kunnen veroorzaken. Een Triggerpoint kan ook alleen pijnlijk als er druk op wordt uitgeoefend, dit kan dan een kan uitstralende pijn veroorzaken. Er kan sprake zijn van beperking in beweging en spierzwakte als er Triggerpoints aanwezig zijn.
Enkele oorzaken waardoor Triggerpoints kunnen ontstaan:
  • Acuut door letsel aan een spier
  • Overbelasting van spieren
  • Verkeerde voeding
  • Langdurig herhaalde bewegingen
  • Chronische virale of bacteriële infecties
  • Houdingsproblemen
  • Zenuwbeknelling
  • Angst,  stress, zorgen, verdriet, chronische vermoeidheid, slecht slapen

Intake en Onderzoek

De bekkenfysiotherapeut  zal bij Interstitiële Cystitis eerst een uitgebreid intake gesprek met de patiënt hebben om de klachten goed in kaart te brengen. Ook de reeds ondergane behandelingen worden besproken en de factoren die van invloed kunnen zijn op het verloop van de klachten. Daarna zal onderzoek plaatsvinden van:

  • het  buik-, bekken- en lage ruggebied;
  • houding en ademhaling;
  • functie van de bekkenbodem (zie folder inwendig bekkenbodemonderzoek), waarbij tevens gekeken wordt naar de aanwezigheid van Triggerpoints. Deze kunnen aanwezig zijn in de bekkenbodem bij deze klachten, maar ook in de buik, de rug, Het bekkengebied en de bovenbenen.

Behandeling

De bekkenfysiotherapeut besteedt bij dit syndroom veel aandacht aan algemene ontspanning en het ontspannen van de bekkenbodemspieren. Verder bekijkt de therapeut of uw houding op het toilet en het toiletgedrag verbeterd kunnen worden. U krijgt adviezen over plassen, ontlasten, vochtinname en het eten van voedingsvezels. Vocht en voedingsvezels bepalen de samenstelling van uw ontlasting, als dit optimaal is kunt u gemakkelijker ontlasten.
Er wordt aandacht besteed aan houding en ademhaling en u krijgt adviezen voor de activiteiten in het dagelijks leven.
De bekkenfysiotherapeut kan Triggerpoints behandelen en u leren dit zelf te doen.  Er worden oefeningen gegeven om de spieren waarin zich Triggerpoints bevinden te stretchen.
De behandeling kan ondersteund worden met TENS. TENS is een afkorting voor de term Transcutane Electro Neuro Stimulatie en houdt in dat er een elektrisch stroompje door de huid heen (transcutaan) wordt gegeven die de zenuwen (neuro) kunnen beïnvloeden (stimuleren) om de pijn te verminderen.

Incontinentie voor ontlasting en/of winden

Bij incontinentie voor ontlasting of het niet tegen kunnen houden van windjes, kunnen zwakke of beschadigde kringspieren in de anus een rol spelen, net als een niet goed functionerende bekkenbodem.

De bekkenfysiotherapeut zal onderzoeken of een probleem met de bekkenbodem de oorzaak kan zijn van de klachten. Als dat het geval is, dan zal de bekkenfysiotherapeut samen met u een oefenschema opstellen om de functie van de bekkenbodem te verbeteren. Daarnaast geeft de therapeut adviezen over vochtinname en voeding en gebruik van voedingsvezels voor een goede samenstelling van de ontlasting. Is de ontlasting bijvoorbeeld erg dun dan is deze moeilijker op te houden. Ook krijgt u advies met betrekking tot uw toiletgedrag.

Obstipatie

Bij obstipatie kan een niet goed functionerende bekkenbodem een rol spelen. De spieren kunnen bijvoorbeeld te gespannen zijn waardoor "de deur" als het ware niet goed opengaat tijdens het ontlasten. Ook door een te zwakke bekkenbodemspier kan obstipatie ontstaan. Dan ondersteunen deze spieren de darm te weinig waardoor de darm zich niet goed meer kan legen.

De bekkenfysiotherapeut zal onderzoeken of een probleem met de bekkenbodem een oorzaak kan zijn van de klachten. Als dat het geval is, dan zal de bekkenfysiotherapeut samen met u een oefenschema opstellen om de functie van de bekkenbodem te verbeteren.

Een verkeerde perstechniek kan ook een oorzaak zijn van obstipatie. De juiste perstechniek wordt u dan geleerd.
Daarnaast geeft de therapeut adviezen over vochtinname en voeding en gebruik van voedingsvezels voor een goede samenstelling van de ontlasting. Als bijvoorbeeld de ontlasting hard is van samenstelling, dan is het moeilijker deze goed kwijt te raken. Ook krijgt u advies met betrekking tot uw toiletgedrag.

Bekkenpijn

Bekkenpijn kan verschillende oorzaken hebben. U kunt terecht bij de bekkenfysiotherapeut,die u zal onderzoeken en een behandelplan met u opstellen.

Bij zwangerschap en rondom de bevalling

Pijn in de omgeving van het bekken komt vaak voor tijdens de zwangerschap of na de bevalling. In de zwangerschap worden de banden en kapsels rond de bekkengewrichten soepeler en rekbaarder. Dit is een voorbereiding op de bevalling, dan moet immers een baby door het bekken naar buiten komen. Een bekken dat minder "star" is helpt hierbij. De beenderen van het bekken worden soepeler en beweeglijker ten opzichte van elkaar. Dit geeft soms pijnklachten. Daarbij speelt ook de toename in de belasting van het bekken, door de groter wordende baarmoeder, een rol. Een verandering van of een verkeerde lichaamshouding kan ook pijn in het bekken veroorzaken.

Behandeling

De bekkenfysiotherapeut geeft adviezen, die de klachten kunnen verminderen. Het gaat vooral om houdings- en bewegingsadviezen en adviezen om een goed evenwicht tussen belasting en belastbaarheid te bereiken. De bekkenfysiotherapeut leert u bewegen waarbij de extra belasting van het bekken minimaal zal zijn.

Zie ook:Chronische bekkenpijn, artikel van Afina Glas, Erich Taubert: bekkenpijnspecialisten

Visie en missie

Darmkanker is een ziekte die veel voorkomt: In Nederland krijgen jaarlijks zo'n 15.000 inwoners darmkanker en sterven jaarlijks 4800 mensen aan deze ziekte (Bron: IKNL cijfers over kanker) . En dat terwijl darmkanker een ziekte is die, mits vroegtijdig opgespoord, goed kan worden behandeld en zelfs kan worden voorkomen.
Dat is de reden dat de Gezondheidsraad de minister heeft geadviseerd om de hele bevolking tussen 55 en 75 jaar te screenen in een bevolkingsonderzoek. 

In 2014 is het landelijke bevolkingsonderzoek op darmkanker van start gegaan. Een goede zaak, want met een opkomst van 60% kunnen hiermee zo'n 1.400 levens per jaar worden gespaard. Het darmkankercentrum voor de Achterhoek is opgericht om een totaal pakket aan zorg te kunnen bieden, dicht bij huis en in een vertrouwde omgeving. Die zorg gaat veel verder dan alleen een test.

Behandeling van darmkanker in Achterhoek

De patiënt bij wie darmkanker wordt vastgesteld (of dat nu is via de huisarts of via het bevolkingsonderzoek) kan verzekerd zijn van een goede behandeling door een team van deskundigen: MDL-artsen, chirurgen en oncologen. Spil in de zorg is een gespecialiseerde verpleegkundige (colocare verpleegkundige) die vanaf het begin en door de jaren heen de patiënt zal begeleiden. Indien nodig kan er een beroep worden gedaan op uitstekende relaties met regionale partners. Maar te allen tijde houden uw eigen arts en verpleegkundige samen met u de regie over uw zorg en zijn zij het aanspreekpunt voor al uw vragen.

De doelgroep van het darmkankercentrum

Het Darmkankercentrum in de Achterhoek richt zich vooral op mensen tussen de 55 en 75 jaar (zie risicofactor leeftijd). De kans op darmkanker neemt toe met de leeftijd. Verreweg de meeste patiënten zijn ouder dan 50 jaar, hoewel de ziekte ook voorkomt bij jongere mensen.

Campagne vermindering darmkanker

Het darmkankercentrum Achterhoek zet zich in om de groep tussen de 55 en 75 jaar bewuster te maken van het risico dat zij lopen op darmkanker. Dit is ook de bevolkingsgroep die wordt bereikt met het Landelijke Bevolkingsonderzoek Darmkanker dat sinds 2014 van start is gegaan. Soms is dat risico verhoogd, bijvoorbeeld doordat darmkanker veel voorkomt in de familie. Maar ook als dat niet het geval is beseffen mensen vaak niet dat gemiddeld toch 1 op de 20 Nederlanders darmkanker krijgt. Bovendien wil het darmkankercentrum mensen met klachten eerder naar de huisarts laten gaan.
Ervoor zorgen dat minder mensen darmkanker krijgen kan door het geven van informatie over bijvoorbeeld leefstijl of door mensen te motiveren tot een informatief gesprek met de huisarts over de risico's. De huisarts beoordeelt vervolgens of het nodig is dat er nader onderzoek plaats vindt. Zoals:
Het Darmkankercentrum werkt samen met huisartsen die extra zijn geschoold op het gebied van het vroegtijdig herkennen van symptomen van darmkanker. De huisarts beoordeeld of zij een screeningstest meegeven en informeren de patiënt over een eventueel vervolgtraject bij de MDL-arts.

Samenwerking

Huisartsen

De belangrijkste partners van het Darmkankercentrum in de Achterhoek, zijn de regionale huisartsen. Zij zijn immers de zorgverleners waar de patient zich als als eerste meldt met klachten van de gezondheid.
Er zijn goede afspraken gemaakt met de huisartsen over de zorgvragen van de patiënt met betrekking tot darmkanker. Zij zijn volledig op de hoogte van alle relevante vragen, zoals welke risicogroepen er zijn en of u wel of juist niet zou moeten meedoen aan het bevolkingsonderzoek.

Als een huisarts vindt dat een patiënt met buik- en/of darmklachten nader onderzocht moet worden, verwijst deze naar de MDL-arts.

Samenwerking binnen het ziekenhuis

De MDL-artsen van het Slingeland Ziekenhuis werken nauw samen met
Er is binnen het Slingeland Ziekenhuis een complete keten van zorg die maakt dat een patiënt snel en vakkundig volgens de geldende richtlijnen wordt behandeld.

Het Slingeland Ziekenhuis beschikt verder over de nieuwste technieken op het gebied van endoscopie, CT-scans en MRI-scans.

Samenwerking buiten het ziekenhuis

A.R.T.Z. Oncologisch centrum

Binnen de oncologische zorg is er een samenwerkingsverband tussen het Slingeland Ziekenhuis, ziekenhuis Rijnstate in Arnhem en ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede. Dit samenwerkingsverband heet Alliantie Regionale Topzorg (A.R.T.Z.).
Patiënten uit Gelderland kunnen voor de specifieke oncologische behandelingen binnen A.R.T.Z. dicht bij huis behandeld worden. Zij hebben snel toegang tot de beste oncologische zorg in de regio, altijd onder begeleiding van het eigen behandelteam en in de veilige omgeving van één van de ziekenhuizen.
Voor de darmkankerzorg betekent dit dat er in deze drie ziekenhuizen volgens een uniform zorgpad gewerkt wordt. Daarbij zijn de 'best practices' van de drie ziekenhuizen leidend voor alle locaties. 
Door de samenwerking en centralisatie is de zorg voor de regio behouden en is de kwaliteit van zorg verbeterd. Door behandelingen alleen te laten verrichten door een select aantal medisch specialisten, worden deze specialisten nog vaardiger en deskundiger. En dat heeft een bewezen positief effect op het resultaat van de behandelingen en dus ook voor de patiënt.

Er zijn wekelijkse besprekingen met de radiotherapeuten van de Radiotherapiegroep in Arnhem en zo nodig wordt overlegd met de afdeling klinische genetica van Radboudumc.

Maag-darm chirurgen

Als de patiënt een operatie moet ondergaan, dan komt deze eerst voor een afspraak langs bij de maag-darm chirurgen.
Zij hebben uitgebreide ervaring, ook op het gebied van laparoscopische chirurgie (kijk-operaties). Waar mogelijk zal een operatie vanwege darmkanker op deze wijze worden verricht.

Klinisch genetisch centrum

Als erfelijke darmkanker wordt vermoed, wordt contact gelegd met de afdeling Klinische genetica van het Radboudumc in Nijmegen.

Verpleegkundig specialisten Coloncare

Centraal in het zorgproces staan de verpleegkundig specialisten Sylvia Kok en Jalou Woltering. Zij coördineren de behandeling indien een operatie noodzakelijk is, geven alle informatie en zijn een laagdrempelig aanspreekpunt voor de patiënt.

Endoscopiecentrum Slingeland

In het Endoscopiecentrum Slingeland worden maag- en darmonderzoeken verricht door ervaren maag-, darm- en leverartsen (MDL-artsen). Ook worden er ERCP's verricht (endoscopisch retrograde cholangio- en pancreaticografie). Dit is een kijkonderzoek van de galwegen en de afvoergang van de alvleesklier waarmee ook behandelingen kunnen worden verricht. Op het Endoscopiecentrum kan ook een videocapsuleonderzoek worden uitgevoerd voor aandoeningen aan de dunne darm.
De MDL-artsen in het Slingeland ziekenhuis verrichten meer dan 5000 endoscopieën per jaar.

MDL-arts Van de MeebergU kunt snel terecht voor een endoscopie in het Slingeland Ziekenhuis. De wachttijd is gemiddeld 2 weken. Heeft u een verwijzing van uw huisarts of van een specialist, dan kunt u zelf een afspraak maken. Tel.: (0314) 32 93 35.

De actuele wachttijden kunt u bekijken in het wachttijdenoverzicht.

Het Endoscopiecentrum is onderdeel van de polikliniek maag-, darm- en leverziekten van het Slingeland Ziekenhuis.
Volgt u routenummer 52 (polikliniek maag-, darm- en leverziekten).

Beschikbare folders:

Interessante websites darmkanker

Algemeen

  • www.darmkanker.info
    De Maag Lever Darm stichting is de patiëntenvereniging voor mensen met aandoeningen van het maag-darmkanaal zoals darmkanker.
  • www.kanker.nl
    Alle informatie over kanker, discussiegroepen, lotgenotencontact etc.
  • www.kwfkankerbestrijding.nl
    De website biedt alle mogelijke informatie over alle soorten kanker, preventie en behandelingen.
  • www.spks.nl
    SPKS is een patiëntenvereniging voor mensen met een vorm van kanker aan het spijsverteringskanaal. Deze organisatie brengt mensen met elkaar in contact en behartigt hun belangen. Daarnaast geeft SPKS voorlichting en bevordert wetenschappelijk onderzoek.
  • www.oncoline.nl
    Via Oncoline krijgt u toegang tot richtlijnen voor oncologische zorg. Dit zijn multidisciplinaire richtlijnen voor de diagnose en behandeling van patiënten met een specifieke tumor. Maar ook richtlijnen voor de diagnose en behandeling van een symptoom/gezondheidsklacht ten gevolge van ziekte en behandeling.
  • www.MLDSacademie.nl
    Een website waar iedereen gratis online publiekscolleges over darmkanker kan volgen. Elke week vertelt een expert over darmkanker.

Erfelijkheid

  • www.dnadiagnostieknijmegen.nl
    De afdeling Antropogenetica van het Universitair Medisch Centrum St Radboud te Nijmegen vertegenwoordigt één van de negen centra in Nederland waar DNA-diagnostiek naar erfelijke ziekten wordt verricht.
  • www.stoet.nl
    Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren stelt zich ten doel het periodieke onderzoek van familieleden die een verhoogd risico hebben op kanker door een erfelijke belasting landelijk te bevorderen en te coördineren. Het Slingeland Ziekenhuis participeert in wetenschappelijk onderzoek van de STOET.

Bevolkingsonderzoek

Community

  • www.kanker.nl
  • www.mijnzorgnet.nl
    Deze website biedt de mogelijkheid om een community op te richten of deel te nemen aan een community. Binnen een community kunt u kennis en ervaringen uitwisselen met andere leden en zorgverleners. U kunt meepraten op het forum, de bibliotheek bezoeken, mee schrijven en priv berichten versturen.
  • www.deelgenoot.nl
    Deelgenoot.nl biedt mensen met gezondheidsproblemen een persoonlijke webpagina om familie en vrienden te informeren over hun ziekteverloop. Deze dienst is gratis.

Kwaliteit: Ziekenhuischeck.nl

De spijsvertering

Het lichaam verwerkt het voedsel dat we eten, dat proces heet ‘de spijsvertering'. De voedingsstoffen uit het eten worden opgenomen, de restanten worden door het lichaam afgevoerd. De darmen hebben in dit proces een belangrijke functie.

Voedselverteren

spijsverteringsstelsel (afbeelding shutterstock)Door het voedsel te kauwen in de mond komt er speeksel bij en kunnen de enzymen hun werk doen. Enzymen zitten in het speeksel en breken zetmeel in de voeding af. Als we het voedsel doorslikken gaat het door de slokdarm naar de maag.
De sluitspier van de maag verhindert dat de inhoud van de maag terug kan naar de slokdarm. De maag zorgt dat het voedsel wordt vermalen.
Vanuit de maag gaat het voedsel naar de twaalfvingerige darm. Dit is tevens het begin van de dunne darm. Gal wordt aangemaakt in de lever en opgeslagen in de galblaas. De gal en het sap van de alvleesklier zijn noodzakelijk bij de spijsvertering en komen bij het voedsel in de twaalfvingerige darm. Zo wordt de zure inhoud van de maag verder verteerd.
In de rest van de dunne darm komen belangrijke verteringssappen bij het voedsel en worden nuttige voedingsstoffen opgenomen in het bloed. De onverteerbare voedselresten gaan dan van de dunne darm naar de dikke darm. Deze overgang heet de blindedarm. Het wormvormige aanhangsel van de blindedarm, de appendix, wordt in de volksmond als 'blindedarm' benoemd en heeft geen functie in de spijsvertering.
De dikke darm heeft als taak om water en zouten uit het voedsel te halen. Daarna gaan de resten door naar het laatste stuk van de dikke darm, de endeldarm. De onverteerbare voedselresten zijn inmiddels ontlasting geworden en verlaten via de anus het lichaam.

De darmen

De darmen liggen in de buikholte en hebben een belangrijke functie bij de vertering van voedsel.

De dunne darm

De dunne darm is ongeveer vijf meter lang en bestaat uit drie verschillende gedeelten. Aan de maag zit de twaalfvingerige darm (duodenum) vast. Daarna volgen de nuchtere darm (jejunum) en de kronkeldarm (ileum).
De binnenkant van de darmwand is bekleed met geplooid slijmvlies. Deze plooien bestaan uit kleine uitsteekseltjes, de darmvlokken.

In de dunne darm vermengen de voedselresten met spijsverteringssappen. Deze restanten blijven lange tijd op dezelfde plaats in de dunne darm, zodat het voedsel goed kan verteren en de voedingsstoffen worden opgenomen door het bloed. De darmwand geeft de eiwitten, vetten, koolhydraten, vitaminen en mineralen af aan het bloed. Onverteerbare voedselresten gaan naar de dikke darm. De spieren in de darmwand kneden het voedsel en duwen het langzaam naar de dikke darm.

De dikke darmafbeelding spijsverteringsstelsel (foto shutterstock)

Vanuit de dunne darm komen de voedselresten in de dikke darm en uiteindelijk in de endeldarm terecht.

De dikke darm is ongeveer 1 meter lang en ligt als een boog in de buikholte. De dikke darm bestaat uit drie delen:
  • Colon
  • Endeldarm
  • Blinde darm
Het grootste gedeelte van de dikke darm is de colon. Dit begint aan de rechterzijde in de buik met een gedeelte dat naar boven wordt geleid. Het horizontale deel loopt onder de maag door en het dalende gedeelte loopt links in de buikholte.
De dikke darm houdt de vloeibare darminhoud een tijdje vast, zodat er tijd is om vocht en zouten uit de voedselresten op te nemen. Daarnaast heeft de dikke darm veel bacteriën: de darmflora. Deze darmflora zorgt voor gisting en rotting van de darminhoud. De stoffen die hierbij vrijkomen, zetten de darm aan tot bewegen. Van de gassen die vrijkomen, laat u winden.
Door de vochtopname in de dikke darm wordt de ontlasting steeds dikker. Samentrekkende bewegingen van de darm zorgen dat de ontlasting naar de endeldarm wordt gebracht. De endeldarm houdt de ontlasting vast. Als de endeldarm is gevuld krijgt u aandrang om naar de wc te gaan. Via de anus verlaat de ontlasting het lichaam.

Darmpoliepen

poliep verwijderen (afbeelding shutterstock)Een poliep is een goedaardig gezwel. Poliepen ontstaan in slijmvlies dat in veel inwendige lichaamsholten zit, zoals de darmen, de neus en de blaas. Poliepen kunnen allerlei vormen en maten hebben (van één millimeter tot enkele centimeters groot).
Darmpoliepen zijn goedaardige gezwellen in de dikke darm.

Klachten bij darmpoliepen

Poliepen in de dikke darm geven meestal weinig tot geen klachten. Maar sommige mensen hebben last van:

Risico op darmkanker

Een poliep in de dikke darm is in principe onschuldig maar vormt wel een risico voor het krijgen van darmkanker. Soms groeit de goedaardige poliep uit tot een kwaadaardige tumor. Dan ontstaat dikkedarmkanker. Hoe groter de poliep is, hoe groter de kans dat deze kwaadaardig kan worden.
De schatting is dat de ontwikkeling van een poliep tot darmkanker zo'n 10 jaar kan duren. Als gedurende deze periode het nog goedaardige gezwel (de darmpoliep) wordt weggehaald, wordt het ontstaan van darmkanker uit deze poliep voorkomen.

Verwijderen darmpoliepen

Omdat poliepen een beginstadium kunnen zijn van darmkanker worden deze altijd weggehaald als ze worden ontdekt. Dat gebeurt tijdens een endoscopisch onderzoek. De poliepen die zijn verwijderd worden vervolgens altijd door de patholoog onderzocht op kwaadaardige cellen. Voor hele grote of platte poliepen is soms een operatie nodig.

Darmkanker

Bij dikkedarmkanker groeien er kwaadaardige gezwellen in de dikke darm. Dikke darmkanker heet ook wel colonkanker of coloncarcinoom.
Darmkanker komt veel voor en komt ook steeds vaker voor. Per jaar krijgen ruim 15.000 Nederlanders ermee te maken. Het staat in Nederland bij vrouwen op de 2e plaats van meest voorkomende vormen van kanker (na borstkanker) en bij mannen op de 3e plaats (na long- en prostaatkanker). In 2008 overleden er ruim 4800 mensen aan darmkanker.

Zorgpad

In het Slingeland Ziekenhuis is een zorgpad ingevoerd met betrekking tot de zorg rondom de patiënt die darmkanker heeft. Dit zorgpad heeft de naam ‘colorectale maligniteiten’. Een zorgpad zorgt er voor dat alle stappen in het zorgproces, van de diagnose tot de behandeling en de nazorg, goed op elkaar zijn afgestemd. Er zijn duidelijke taakafspraken binnen het ziekenhuis gemaakt en er wordt samengewerkt binnen A.R.T.Z. met Rijnstate in Arnhem en Gelderse Vallei in Ede. Zo wordt gestreefd naar de meest optimale zorg voor de patiënt.

Van poliep tot kanker

Het belangrijkste verschil tussen een goedaardige darmpoliep en darmkanker is dat kanker zich in de darmwand en ook daarbuiten kan verspreiden.
Hoe groter de poliep is, hoe groter de kans dat deze kwaadaardig kan worden. De schatting is dat de ontwikkeling van een poliep tot darmkanker zo'n 10 jaar duurt.

Kanker van de dikke darm

Wanneer we spreken over darmkanker bedoelen we kanker van de dikke darm. Kwaadaardige tumoren van de dunne darm komen ook voor (carcinoïd syndroom of Adenocarcinomen), maar veel minder vaak dan van de dikke darm.
Bij tumoren in de dikke darm wordt onderscheid gemaakt tussen het laatste stukje van de dikke darm, de endeldarm of het rectum, en de rest van de dikke darm.
Ongeveer 20% van alle gevallen van dikkedarmkanker zit in de endeldarm. Dit stuk van de dikke darm ligt niet in de buikholte en wordt omgeven door de bekkenbodemspieren. Ook liggen de blaas, bij mannen de prostaat en natuurlijk de sluitspier (anus) hier in de buurt. Darmkanker in de endeldarm is daardoor moeilijker te bereiken tijdens een operatie dan kanker in de rest van de dikkedarm.

Risicofactoren

De belangrijkste risicofactor voor het krijgen van darmkanker is leeftijd. Met name boven de 50 jaar neemt de kans op het krijgen van darmkanker toe. Wanneer darmkanker in de naaste familie voorkomt (ouders, broers en zussen) dan is het risico ook verhoogd. Naast leeftijd en erfelijke factoren zijn er ook zaken die we zelf is de hand hebben om het risico op darmkanker te beïnvloeden. Hoewel wetenschappelijk onderzoek nog geen onomstotelijk bewijs heeft geleverd lijkt het erop dat het eten van rood vlees, bewerkte vleesproducten (gerookt, gezouten), roken, alcoholgebruik en overgewicht het risico doen toenemen. Mogelijk dat het eten van een ruime hoeveelheid vezels beschermend kan werken. Ook het gebruik van acetylsalicylzuur (Aspirine®, Ascal®) zou beschermend werken.

Groei van kwaadaardige tumor

Een kwaadaardige tumor, zoals darmkanker, blijft doorgroeien. Dit kan leiden tot verstopping van de darm of aantasting van andere organen in de omgeving. Ook kan darmkanker uitzaaien naar organen die op andere plaatsen in het lichaam liggen zoals de lever, lymfklieren of de longen.

Filmpje darmkanker in vogelvlucht

Hoe ontstaat het en wat is er aan te doen?

Darmkanker

Bij dikkedarmkanker groeien er kwaadaardige gezwellen in de dikke darm. Dikke darmkanker heet ook wel colonkanker of coloncarcinoom.
Darmkanker komt veel voor en komt ook steeds vaker voor. Per jaar krijgen ruim 15.000 Nederlanders ermee te maken. Het staat in Nederland bij vrouwen op de 2e plaats van meest voorkomende vormen van kanker (na borstkanker) en bij mannen op de 3e plaats (na long- en prostaatkanker). In 2008 overleden er ruim 4800 mensen aan darmkanker.

Zorgpad

In het Slingeland Ziekenhuis is een zorgpad ingevoerd met betrekking tot de zorg rondom de patiënt die darmkanker heeft. Dit zorgpad heeft de naam ‘colorectale maligniteiten’. Een zorgpad zorgt er voor dat alle stappen in het zorgproces, van de diagnose tot de behandeling en de nazorg, goed op elkaar zijn afgestemd. Er zijn duidelijke taakafspraken binnen het ziekenhuis gemaakt en er wordt samengewerkt binnen A.R.T.Z. met Rijnstate in Arnhem en Gelderse Vallei in Ede. Zo wordt gestreefd naar de meest optimale zorg voor de patiënt.

Van poliep tot kanker

Het belangrijkste verschil tussen een goedaardige darmpoliep en darmkanker is dat kanker zich in de darmwand en ook daarbuiten kan verspreiden.
Hoe groter de poliep is, hoe groter de kans dat deze kwaadaardig kan worden. De schatting is dat de ontwikkeling van een poliep tot darmkanker zo'n 10 jaar duurt.

Kanker van de dikke darm

Wanneer we spreken over darmkanker bedoelen we kanker van de dikke darm. Kwaadaardige tumoren van de dunne darm komen ook voor (carcinoïd syndroom of Adenocarcinomen), maar veel minder vaak dan van de dikke darm.
Bij tumoren in de dikke darm wordt onderscheid gemaakt tussen het laatste stukje van de dikke darm, de endeldarm of het rectum, en de rest van de dikke darm.
Ongeveer 20% van alle gevallen van dikkedarmkanker zit in de endeldarm. Dit stuk van de dikke darm ligt niet in de buikholte en wordt omgeven door de bekkenbodemspieren. Ook liggen de blaas, bij mannen de prostaat en natuurlijk de sluitspier (anus) hier in de buurt. Darmkanker in de endeldarm is daardoor moeilijker te bereiken tijdens een operatie dan kanker in de rest van de dikkedarm.

Risicofactoren

De belangrijkste risicofactor voor het krijgen van darmkanker is leeftijd. Met name boven de 50 jaar neemt de kans op het krijgen van darmkanker toe. Wanneer darmkanker in de naaste familie voorkomt (ouders, broers en zussen) dan is het risico ook verhoogd. Naast leeftijd en erfelijke factoren zijn er ook zaken die we zelf is de hand hebben om het risico op darmkanker te beïnvloeden. Hoewel wetenschappelijk onderzoek nog geen onomstotelijk bewijs heeft geleverd lijkt het erop dat het eten van rood vlees, bewerkte vleesproducten (gerookt, gezouten), roken, alcoholgebruik en overgewicht het risico doen toenemen. Mogelijk dat het eten van een ruime hoeveelheid vezels beschermend kan werken. Ook het gebruik van acetylsalicylzuur (Aspirine®, Ascal®) zou beschermend werken.

Groei van kwaadaardige tumor

Een kwaadaardige tumor, zoals darmkanker, blijft doorgroeien. Dit kan leiden tot verstopping van de darm of aantasting van andere organen in de omgeving. Ook kan darmkanker uitzaaien naar organen die op andere plaatsen in het lichaam liggen zoals de lever, lymfklieren of de longen.

Filmpje darmkanker in vogelvlucht

Hoe ontstaat het en wat is er aan te doen?

Symptomen van darmkanker

De meest voorkomende klachten waardoor darmkanker ontdekt wordt zijn:
Deze symptomen zijn reden om een gericht darmonderzoek te doen (colonoscopie).
De symptomen bij dikkedarmkanker zijn sterk afhankelijk van de plaats van de tumor. Buikpijn is over het algemeen geen symptoom van darmkanker.

Tumor in laatste deel van de dikke darm

Als een tumor zich bevindt in het laatste deel van de dikke darm dan bemoeilijkt deze de doorgang voor de ontlasting. Dit kan een verandering in het ontlastingspatroon veroorzaken. Bijvoorbeeld:
  • Verstopping, soms afgewisseld met diarree;
  • Bloed en/of slijm bij de ontlasting;
  • Loze aandrang.

Tumor in begin van de dikke darm

Klachten ontstaan in dit geval veel later, omdat de ontlasting in dit gedeelte van de darm geen moeilijkheden heeft om de tumor te passeren. Mogelijke symptomen zijn:
  • Vermoeidheid en/of duizeligheid door bloedarmoede;
  • Vage buikpijn;
  • Een gevoelige plek in de buik.
Als u klachten ervaart dan raden wij u aan om naar uw huisarts te gaan.

Risico op darmkanker

In Nederland zijn er jaarlijks meer dan 15.000 mensen bij wie dikkedarmkanker wordt vastgesteld. Bij ongeveer een derde van hen gaat het om endeldarmkanker. Meer dan 5000 personen overleden in 2016 aan darmkanker. Dikkedarmkanker staat na huidkanker op de tweede plaats van meest voorkomende soort kanker bij zowel mannen als bij vrouwen. Door de invoering van het bevolkongsonderzoek in 2015 is het aantal gevonden darmtumoren duidelijk toegenomen.
Het is nog niet helemaal duidelijk wat de oorzaak is van darmkanker. Er zijn echter wel een aantal factoren bekend die het risico op darmkanker vergroten. Bovendien wordt er veel onderzoek gedaan naar erfelijke tumoren.

Risicofactor: Leeftijd

Dikkedarmkanker wordt voornamelijk vastgesteld bij patiënten die 60 jaar of ouder zijn. De kans op darmkanker stijgt dan ook met de leeftijd. Slechts 10% van alle darmkankerpatiënten krijgt darmkanker voor het 50ste levensjaar. Door de vergrijzing zien we nu een snelle stijging van het aantal nieuwe gevallen.

Risicofactor: Voeding

Er is heel veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen een bepaald voedingspatroon en het risico op darmkanker. Zo is het opvallend dat darmkanker meer voorkomt in Westerse landen en juist minder bij vegetariërs.
Van sommige producten is wel bekend dat die het risico verhogen:
  • overmatig vet eten;
  • rood vlees;
  • voorbewerkt vlees zoals vleeswaren en worst
  • verbrand of verkoold vlees (barbecue).
Daarentegen gaat er mogelijk een beschermend effect uit van vezelrijke voeding (granen, groenten en fruit) hoewel het bewijs hiervoor niet erg overtuigend is.
Concluderend kan men stellen dat ook met betrekking tot darmkanker de richtlijn goede voeding van de gezondheidsraad volstaat.

Risicofactor: Ongezonde leefstijl

Het risico op dikkedarmkanker hangt ook samen met onze leefgewoonten. Factoren die het risico lijken te verhogen zijn:
  • Roken:
    Bij mensen die langdurig hebben gerookt (>40 jaar) is het risico op darmkanker 30 tot 50% hoger.
  • Overmatig gebruik van alcohol (meer dan 2 glazen per dag):
    Bij alcohol zijn de bevindingen tegenstrijdig. Overmatig gebruik van bier en sterke drank lijkt het risico te verhogen terwijl van wijn ook een licht beschermend effect bekend is.
  • Onvoldoende beweging (minder dan 30 minuten per dag) en overgewicht:
    Darmkanker komt vaker voor bij mensen die weinig beweging hebben gehad en te zwaar zijn. Het risico op darmkanker bij mensen met zeer ernstig overgewicht (BMI>40) is ongeveer twee keer hoger dan bij iemand met een normaal gewicht.

Risicofactor: Erfelijkheid

Daar waar de invloed van eetpatroon en leefstijl beperkt mag worden genoemd, is het overduidelijk dat erfelijke factoren van groot belang zijn bij het ontstaan van darmkanker. (Zie voor uitgebreide uitleg: erfelijkheid). Doe de familiecheck voor darmkanker.

U kunt ook de voorlichtingsfilm over erfelijke darmkanker bekijken van Radboudumc.

Risicofactor: poliepen of darmkanker gehad

Patiënten die al eens eerder darmkanker hebben gehad, hebben een hogere kans om het nog eens te krijgen en worden levenslang gecontroleerd. Dit geldt ook voor patiënten bij wie poliepen zijn gevonden. Beide groepen worden doorgaans periodiek opgeroepen voor een controle coloscopie.

Risicofactor: chronische ontsteking dikke darm

Patiënten met een chronische ontsteking van de dikke darm, zoals de ziekte van Crohn of colitis ulcerosa, hebben een hogere kans op darmkanker. Deze mensen zijn vaak al onder controle van een specialist en ondergaan ook vanwege hun ziekte meestal meerdere keren een onderzoek van de dikke darm.





Erfelijkheid darmkanker

Erfelijke factoren zijn van groot belang bij het ontstaan van darmkanker. Vermoedt u een erfelijke aanleg voor darmkanker? Test u zelf om te zien of u in aanmerking komt voor erfelijkheidsadvies.
U kunt hier ook de voorlichtingsfilm over erfelijke darmkanker bekijken.

Erfelijke aanleg

In sommige families komt darmkanker vaak voor. Soms blijft onduidelijk waar dat door komt. Geschat wordt dat in 5 tot 10% van alle gevallen van darmkanker sprake is van een erfelijke aanleg bij de patiënt. Dit houdt in dat:
  • in de familie er meerdere familieleden zijn die darmkanker hebben (gehad)
    en/of
  • minstens één familielid darmkanker kreeg op jonge leeftijd (voor het 50ste levensjaar).

Ziektebeelden die erfelijke darmkanker veroorzaken

Er zijn twee ziektebeelden bekend die een erfelijke vorm van dikkedarmkanker (kunnen) veroorzaken:
  • Familiare adenomateuze polyposis (FAP)
  • Het Lynch syndroom (voorheen heette dit HNPCC)
Bij deze vormen van darmkanker is bekend welk gen afwijkend is, een zogenaamde mutatie. Met behulp van DNA-onderzoek is vast te stellen of er sprake is van een mutatie. Dit wordt gedaan in een klinisch genetisch centrum. Voor dit doel werken de specialisten van het Slingeland Ziekenhuis samen met het Klinisch Genetisch Centrum Nijmegen.
Bij deze ziektebeelden geldt dat je 50% kans hebt het van je ouders te erven of, als je zelf deze ziekte hebt, het door te geven aan je kinderen.

Familiaire adenomateuze polyposis (FAP)

Familiaire adenomateuze polyposis is een zeldzame erfelijke ziekte. De meeste families in Nederland met deze aandoening zijn bekend. Het is een aandoening waarbij aangedane familieleden vaak al op jeugdige leeftijd zeer veel poliepen hebben in de dikke darm. Het risico op darmkanker is vrijwel 100%. Om die reden wordt meestal al op jong volwassen leeftijd besloten om preventief de hele dikke darm operatief te verwijderen.
Zie ook de folder over FAP van het KWF.

Lynch syndroom

Dit ziektebeeld komt voor bij circa 5% van alle patiënten met dikkedarmkanker. Het onderscheidt zich doordat het op jongere leeftijd wordt vastgesteld. Klachten beginnen meestal rond het 45ste levensjaar. De tumor ontstaat ook meestal in een ander gedeelte van de dikke darm dan bij niet-erfelijke darmkanker.
Zie ook de folder over het Lynch syndroom van het KWF.

Gendragers Lynch syndroom

Dragers van het gen hebben ongeveer 60 tot 80% kans om in hun leven darmkanker te krijgen. Vrouwelijke gendragers hebben bovendien een verhoogd risico op het krijgen van baarmoederkanker. Kenmerkend is dat vanaf ongeveer het 25ste levensjaar poliepen kunnen ontstaan en dat zich kanker kan ontwikkelen voor het 50ste levensjaar. Geadviseerd wordt om de dikke darm elke twee jaar te controleren op poliepen met een coloscopie.
In tegenstelling tot FAP zijn niet alle families met het Lynch syndroom bekend. Het is daarom belangrijk dat bij iedere nieuwe patiënt altijd goed wordt nagegaan of ook familieleden darmkanker of baarmoederkanker hebben gehad en op welke leeftijd.
Er is een hoge verdenking op Lynch syndroom als darmkanker of baarmoederkanker voorkwam
  • bij minimaal drie familieleden;
  • deze familieleden verspreid waren over meerdere generaties;
  • minimaal één familielid de ziekte kreeg voor het 50ste levensjaar.
Tegenwoordig wordt bij iedereen die geopereerd wordt aan darmkanker en jonger is dan 70 jaar ook rechtstreeks onderzocht of er genmutaties aanwezig zijn die wijzen op het Lynch syndroom. Als dergelijke genmutaties worden gevonden zal de patiënt een verwijzing naar het klinisch genetisch centrum in Nijmegen worden aangeboden. Zij kunnen eventueel aanvullend onderzoek doen bij familieleden om te zien of die ook de genmutatie hebben. Door preventief onderzoek van de dikkedarm kan darmkanker dan vaak worden voorkomen.

Relatie risico en familieleden met darmkanker

Bij de meerderheid van alle gevallen van darmkanker is er geen sprake van een erfelijke variant van darmkanker. Toch is het risico op het krijgen van darmkanker groter naarmate er meer familieleden darmkanker hebben gehad, vooral als de darmkanker zich voordeed op jongere leeftijd.
Onderstaande tabel laat zien hoe het risico stijgt naarmate er meer eerstegraads familieleden kanker hebben gehad en de relatie met de leeftijd waarop zich dat voordeed. Het gemiddelde risico op darmkanker in Nederland is 4 tot 5%.





Aantal eerstegraads*
familieleden met darmkanker
Leeftijd van familielid op moment van diagnose ** Risico op darmkanker voor personen van 50-70 jaar
1 50-70 5- 8 %
1 < 50 9-13 %
≥ 2 50-70 12-18 %
≥ 2 < 50 21-29 %
Bron: Bevolkingsonderzoek naar darmkanker van de Gezondheidsraad, pagina 35.
* eerstegraads familieleden: vader, moeder, kind.
** Als meerdere familieleden darmkanker hadden moet u uitgaan van de leeftijd van het familielid dat op de jongste leeftijd darmkanker kreeg, ongeacht de leeftijd van de andere familieleden.
 

Fimpje MDL Academie: Erfelijkheid bij darmkanker

Methode voor onderzoek naar darmkanker

De dikke darm kan op verschillende manieren onderzocht worden op poliepen en darmkanker. De voor- en nadelen van elk van deze onderzoeken voor het opsporen van poliepen en darmkanker worden hieronder besproken.

Ontlastingstest

Deelnemers aan het bevolkingsonderzoek krijgen via de post een zelfafnametest. Er zit een buisje bij de uitnodiging waarmee iemand op vier verschillende plaatsen in de ontlasting moet prikken. Het buisje kan vervolgens in een retourenvelop gratis naar het laboratorium worden verzonden. Daar wordt de ontlasting onderzocht op bloedsporen. Een negatieve uitslag (d.w.z. geen bloedsporen in de ontlasting gevonden) sluit het hebben van darmkanker niet uit. 

Colonoscopie

Het onderzoek van eerste keuze is coloscopie. Bij een coloscopie wordt de hele dikke darm met een endoscoop van binnen bekeken. Dit is het meest betrouwbare onderzoek voor het vinden van poliepen en darmkanker. Als poliepen worden gevonden kunnen ze meestal ook gelijk verwijderd worden. De nadelen zijn dat zowel het onderzoek als de voorbereiding door de patiënt als zwaar wordt ervaren.
Folder Coloscopie

CT-scan van de dikke darm (CT-colonografie)

Bij CT-colonografie wordt met een CT-scan gerichte opnamen gemaakt van de dikke darm. Na voorbereiding van de darm kan met dit onderzoek ongeveer 90% van de kwaadaardige gezwellen en grotere poliepen gevonden worden. Nadeel is de blootstelling aan röntgenstraling. Als er afwijkingen gevonden worden zal meestal een colonoscopie volgen om poliepen weg te halen of om weefsel te verkrijgen voor microscopisch onderzoek.

Sigmoïdoscopie

Bij een sigmoïdoscopie wordt het onderste deel van de dikke darm van binnen bekeken met een flexibele slang (een endoscoop). Het voordeel ten opzichte van een volledig dikke darm onderzoek is dat de darm niet helemaal gereinigd hoeft te zijn. Met klysma's wordt het laatste deel van de darm schoongemaakt. Het onderzoek gaat sneller en is minder vervelend dan een colonoscopie. Poliepen of tumoren die hogerop in de darm zitten worden met dit onderzoek gemist. Geschat wordt dat 30-65% van eventuele poliepen of darmkanker met dit onderzoek kan worden gemist. Desondanks kan het risico op het krijgen van darmkanker met 33% worden teruggebracht wanneer iemand eens in de 5 jaar een sigmoïdoscopie ondergaat (Bron: Atkin et. al., Lancet 2010).
Folder Sigmoïdoscopie

Bloedonderzoek niet mogelijk

Een bloedonderzoek naar darmkanker is niet mogelijk. In het bloed kan wel een ‘tumormarker' worden bepaald (het CEA). Deze is bij darmkanker soms verhoogd. Bloedonderzoek is echter niet betrouwbaar genoeg om als screeningsonderzoek te dienen. In het geval van poliepen en zelfs bij de meeste mensen met een aangetoonde darmtumor is het CEA niet verhoogd. Daarnaast kan de waarde verhoogd zijn bij verschillende andere aandoeningen, zowel goedaardig als kwaadaardig.





Darmonderzoeken

Wanneer u volgens uw huisarts tot een risicogroep behoort voor darmkanker, specifieke klachten heeft, of als u een positieve testuitslag heeft bij het bevolkingsonderzoek, zal de huisarts u voor nader onderzoek naar het ziekenhuis verwijzen.

Verwijzing naar MDL-arts

Als u een verwijzing naar de MDL-arts krijgt zal de secretaresse van de MDL-polikliniek telefonisch contact opnemen om een afspraak te maken. Hierbij wordt uw e-mailadres gevraagd zodat u toegang kunt krijgen tot de digitale voorlichtingsmiddelen en een vragenlijst. Ook kan gekozen worden voor een telefonische intake. De telefonische intake duurt ongeveer een half uur. Een gespecialiseerde verpleegkundige zal u een aantal vragen stellen en u informeren over het onderzoek. De vragen gaan o.a. over:
  • uw medische voorgeschiedenis;
  • uw eventuele klachten;
  • uw medicatie;
  • de vraag of darmkanker in uw familie voorkomt.
Verder krijgt u informatie over het kijkonderzoek van de dikke darm.
De gespecialiseerde verpleegkundige legt u uit welke voorbereidingen voor het onderzoek van belang zijn en wat u daarvoor moet doen. Soms zijn er speciale maatregelen nodig, bijvoorbeeld als u diabetespatiënt bent of bloedverdunnende medicijnen gebruikt. De verpleegkundige informeert u hierover en legt het onderzoek uit. De schriftelijke informatie over het onderzoek en de bevestiging van de afspraak ontvangt u per post.

Endoscopische onderzoeken

In het Slingeland Ziekenhuis kunt u terecht voor alle gangbare endoscopische onderzoeken (in het endoscopiecentrum op de poli MDL), zoals een onderzoek van de endeldarm (sigmoïdoscopie) of van de hele dikkedarm (coloscopie). Bij een endoscopie wordt met een flexibele slang de binnenzijde van maag en/of darmen bekeken.
  • Sigmoïdoscopie (endeldarmonderzoek)

Bij een sigmoïdoscopie wordt het onderste deel van de dikkedarm bekeken (de endeldarm). Het voordeel ten opzichte van een volledig dikkedarm onderzoek is dat de darm niet helemaal gereinigd hoeft te zijn. Met klysma's wordt het laatste deel van de darm schoongemaakt. Eventuele afwijkingen hogerop in de darm kunnen met dit onderzoek echter gemist worden. Dit onderzoek duurt ongeveer 5 minuten en een verdoving is niet noodzakelijk.
Bij mensen die jonger zijn dan 50 jaar met klachten die wijzen op bloedverlies aan het eind van de dikke darm, zoals bij aambeien, wordt dit onderzoek gedaan.
Er is een uitgebreide folder over de sigmoïdoscopie beschikbaar.
  • Coloscopie (dikkedarmonderzoek)

Bij een coloscopie (colonoscopie) wordt de hele dikkedarm en eventueel een klein stukje van de dunnedarm bekeken. Vooraf moet de darm gereinigd worden door het innemen van laxeer tabletten en laxeervloeistof. Dit onderzoek gebeurt normaal gesproken onder verdoving ("roesje") en duurt ongeveer 20-30 minuten. Indien tijdens een onderzoek poliepen (mogelijke voorlopers van darmkanker) worden gevonden dan worden deze normaalgesproken direct verwijderd.
Er is een uitgebreide folder over een coloscopie beschikbaar.
Behalve bovenstaande onderzoeken worden ook de volgende onderzoeken uitgevoerd in het endoscopiecentrum:

Het verwijderen van poliepen

Bij een inwendig onderzoek van de dikke darm kunnen poliepen verwijderd worden. Dit gebeurt vaak met behulp van een lisje met stroom. De patiënt voelt hier niets van. Om de poliep te verwijderen kan de dokter gebruik maken van instrumentjes die door de buis naar binnen worden geschoven zoals een tangetje of een metalen lisje. Een poliep die verwijderd is wordt in principe altijd opgestuurd voor microscopisch onderzoek. De patholoog kan beoordelen of er kwaadaardige cellen aanwezig zijn.
Het verwijderen van een poliep kan soms gepaard gaan met complicaties zoals een nabloeding of een perforatie. De kans hierop is klein, er wordt natuurlijk alles aan gedaan om dit te voorkomen. Een perforatie betekent dat er een gaatje is ontstaan in de wand van de darm. Hierdoor lekt darminhoud naar de buikholte. Om het gaatje te dichten is vrijwel altijd een operatie nodig.






Bestraling

Wat is radiotherapie

Bestraling is het gebruik van radioactieve straling om ziektes te genezen of te verminderen. De straling vernietigt ongezonde cellen, bijvoorbeeld kankercellen.
Bestraling is een plaatselijke behandeling. Artsen kunnen het gebied waar de kanker zit heel precies bestralen. Kankercellen kunnen minder goed tegen straling dan gezonde cellen en gaan uiteindelijk dood. Bestraling geeft vaak wel bijwerkingen doordat gezonde cellen ook beschadigd raken. De gezonde cellen herstellen zich na een tijdje weer van de straling. De bijwerkingen gaan dan weer over.

Bij mensen met darmkanker wordt bestraling (radiotherapie) alleen toegepast bij een deel van de patiënten met een tumor in de endeldarm. De bestraling vindt voorafgaand aan de operatie plaats. Of bestraling noodzakelijk is, is onder meer afhankelijk van de plek en de grootte van de tumor, en of er op de scan die gemaakt is vergrote lymfklieren te zien zijn.

Radiotherapiegroep

Wanneer bestraling een onderdeel is van uw behandeling, wordt deze uitgevoerd door de Radiotherapiegroep in Arnhem. Het Slingeland Ziekenhuis werkt nauw samen met de specialisten van de Radiotherapiegroep. Een radiotherapeut neemt deel aan de wekelijkse oncologiebespreking. De radiotherapeut houdt ook elke week spreekuur in het Slingeland Ziekenhuis.

Hoe werkt bestraling?

De straling komt uit een bestralingstoestel (lineaire versneller). Het te behandelen gebied wordt van buitenaf - door de huid heen - bestraald. De radiotherapeut of radiotherapeutisch laborant zorgt ervoor dat de stralenbundel nauwkeurig wordt gericht en dat het omliggende, gezonde weefsel zo veel mogelijk buiten het te bestralen gebied blijft.

Voorbestraling

Bestraling van de endeldarm (rectum) vindt voorafgaande aan de operatie plaats (voorbestraling). Het doel is de kankercellen daarmee minder levensvatbaar te maken. Als er na de operatie toch kankercellen in het operatiegebied achterblijven, is het risico kleiner dat zij opnieuw tot een tumor uitgroeien. Ook kan bestraling vóór de operatie gericht zijn op het verkleinen van een dieper doorgegroeide tumor, zodat deze bij de operatie beter te verwijderen is. Dergelijke bestraling noemt men ook wel een neoadjuvante behandeling. Deze maakt deel uit van een curatieve (genezende) behandeling.
Een voorbestraling is geen uitstel van de behandeling, maar een wezenlijk onderdeel daarvan.

Korte of lange serie

Een voorbestraling kan bestaan uit een korte of lange serie bestralingen. Waar uiteindelijk voor gekozen wordt hangt samen met de mate waarin de tumor is doorgegroeid en de plaats van de tumor.
Een korte serie bestaat uit vijf bestralingen in een week. Daarna vindt de operatie plaats. De tijd tussen de bestraling en de operatie is afhankelijk van het stadium van de tumor. Soms vindt de operatie plaats binnen een week na het afronden van de bestraling, soms is het beter om nog zes tot acht weken te wachten.
Bij een lange serie bestralingen krijgt de patiënt vier tot vijf weken lang vijf maal per week bestraling. Aan de lange voorbestraling wordt meestal ook chemotherapie in de vorm van tabletten toegevoegd. De chemotherapie zorgt ervoor dat de tumor gevoeliger is voor de bestraling. De operatie vindt dan zes tot tien weken na de bestraling plaats.

Bestraling als palliatieve behandeling

Bestraling wordt soms ook toegepast bij patiënten die niet (meer) operatief kunnen worden behandeld. Met deze palliatieve behandeling probeert men klachten door de ziekte te verminderen of te voorkomen. Meestal gaat het om pijn en problemen met de doorgankelijkheid van de endeldarm. Soms gaat het vooral om bloedverlies. Deze bestraling is vaak eenmalig of wordt in de loop van enkele dagen gegeven.

Bijwerkingen

Bestraling geeft vaak bijwerkingen omdat gezonde cellen ook beschadigd raken. De gezonde cellen herstellen zich na een tijdje weer van de straling. De meeste klachten verdwijnen meestal enkele weken na de behandeling. Sommige mensen hebben nog lang na hun behandeling last van vermoeidheid.
Bijwerkingen ten gevolge van bestraling van een tumor in de endeldarm kunnen zijn:
  • verstoring van het ontlastingspatroon;
  • vaker plassen door irritatie van de blaas;
  • plaatselijke reactie van de huid (roodheid, pijn, soms gaat de huid stuk);
  • vermoeidheid.
Bij de Radiotherapiegroep krijgt u gerichte adviezen om zo min mogelijk last te hebben van de bijwerkingen. Op welk moment de eventuele bijwerkingen optreden, heeft te maken een korte of een lange bestralingsbehandeling. Bij een korte bestralingsbehandeling direct gevolgd door de operatie vallen de bijwerkingen van de bestraling samen met de periode kort na de operatie. Bij een lange bestralingsserie treden de meeste bijwerkingen tijdens of kort na de bestraling op.

Chemotherapie bij darmkankerpatiënten

Wat is chemotherapie?

Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdodende of celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen werking. De medicijnen kunnen  in de vorm van tabletten worden toegediend, maar ook als injectie of infuus. De behandeling is erop gericht het proces van celdeling stop te zetten. Alle delende cellen, dus ook gezonde cellen, worden hierdoor getroffen, maar met name de kankercellen omdat deze cellen vaker delen. Gezonde cellen herstellen zich na de toediening van chemotherapie, de kankercellen herstellen meestal niet. Vaak worden verschillende combinaties van medicijnen gegeven. Per patiënt wordt bekeken welke chemotherapie binnen het behandelplan past.
Chemotherapie kan adjuvant (aanvullend op een behandeling, gericht op genezing) of palliatief worden gegeven.
Wanneer chemotherapie een onderdeel van uw behandeling is, wordt u doorverwezen naar de internist-oncoloog. Deze arts zal u uitgebreid voorlichten over de mogelijkheden van behandeling met chemotherapie in uw specifieke situatie. U krijgt uitleg over de bijwerkingen, het verwachte verloop en de te behalen resultaten. Op basis van deze informatie maakt u samen met uw arts de keuze voor een behandeling.
Wanneer u kiest om te starten met de chemotherapie krijgt u een afspraak mee voor het verpleegkundig oncologisch spreekuur. De oncologie verpleegkundige informeert u uitgebreid over de behandeling en de te verwachte bijwerkingen. Ook tijdens of na de behandeling kunt u op het spreekuur terecht. Een afspraak voor het verpleegkundig oncologisch spreekuur kunt u maken via de dagbehandeling Oncologie.

Meer informatie vindt u in de folder Verpleegkundig oncologisch spreekuur

Hoe ziet de behandeling er uit?

De kuren worden meestal poliklinisch toegediend op de dagbehandeling Oncologie. Na de toediening gaat u weer naar huis. Bij sommige kuren duurt de toedeining langer en is een korte opname nodig.
Zie ook: chemotherapie

Meerdere kuren chemotherapie

De behandeling is met pauzes. U krijgt een chemokuur en daarna een korte periode rust. Zo'n kuur wordt een paar keer herhaald. De cytostatica hebben ook invloed op gezonde cellen. Die kunnen zich in de rustperiode herstellen. Gezonde cellen herstellen veel sneller dan kankercellen.
Door de dosis chemotherapie te verdelen in meerdere kuren wordt geprobeerd de bijwerkingen zoveel mogelijk te beperken. De totale dosis in één keer geven is onmogelijk door het risico op te veel of ernstige bijwerkingen.
Cellen zijn het gevoeligst voor chemotherapie op het moment van deling. Tijdens een tussenliggende 'rustfase' is de cel dus ongevoeliger. Omdat niet alle cellen tegelijk in delingsfase zijn, verhoogt het dus ook de effectiviteit van de chemotherapie als deze verspreid worden over meerdere kuren in de tijd.

Adjuvante (aanvullende) chemotherapie bij darmkanker

Adjuvante systemische therapie wordt toegepast nadat eerst de tumor door een operatie is verwijderd. Het doel van deze aanvullende behandeling is mogelijke (niet-aantoonbare) zogenaamde micrometastasen te doden. Micrometastasen zijn uitzaaiingen die zeer klein en niet aantoonbaar zijn. Door ze te doden verbetert de prognose van de ziekte. De keuze voor adjuvante behandeling is voor een groot deel afhankelijk van het stadium van de ziekte (het al dan niet aanwezig zijn van tumorcellen in de verwijderde lymfklieren) maar ook factoren als leeftijd, conditie en voorkeuren van de patiënt spelen een rol bij de uiteindelijke keuze van behandeling.

Palliatieve chemotherapie bij darmkanker

Chemotherapie wordt ook ingezet wanneer de ziekte in een verder gevorderd stadium is. Bij uitgezaaide kanker heeft de dikkedarmkanker zich verspreid naar andere delen van het lichaam zoals longen en/of lever. Het doel van de palliatieve behandeling is om de groei en verspreiding van de tumor te remmen, waardoor de kwaliteit van leven en vaak ook de levensduur kunnen toenemen. De keuze voor een palliatieve behandeling is afhankelijk van vele factoren zoals, wens van de patiënt, de aanwezigheid van mogelijke andere aandoeningen, de behandeling die (mogelijk) al eerder is gegeven, de leeftijd van de patiënt en de uitslag van de RAS-test. De behandeling kan bestaan uit chemotherapie en/of doelgerichte therapie.

Doelgerichte therapie

Doelgerichte therapie is een behandeling met een type geneesmiddel dat de groei en deling van kankercellen blokkeert door zich te koppelen aan specifieke moleculen (receptoren op/in de tumorcel) die nodig zijn voor de groei en overleving van de tumorcellen. Deze stoffen worden ook wel 'monoklonale antilichamen' genoemd.
Bij dikkedarmkanker zijn de monoklonale antilichamen o.a. de zogenaamde Epidermale Groeifactor receptor-remmers (EGFR-remmers). Deze medicijnen remmen de deling van de kankercellen. Zo wordt de groei en uitbreiding van kankercellen tegengegaan. Voorbeeld hiervan is het middel panitumumab.

RAS test

Voordat een behandeling met een EGFR-remmer kan plaatsvinden, dient eerst een zogenaamde RAS-test te worden gedaan. Bij deze test wordt genetisch materiaal van de tumor onderzocht op de aanwezigheid van een verandering (ook wel mutatie genoemd) in een specifiek stukje DNA. Met de RAS-test wordt bepaald of de darmtumor veranderingen heeft in het RAS-gen. Patiënten waarbij er geen mutatie in het RAS gen is aangetoond (zogenaamd wildtype RAS) kunnen (ook) behandeld worden met een EGFR remmer. Voor patiënten die een mutatie hebben in het RAS-gen is deze behandeling tot nu toe niet zinvol gebleken.
Monoklonale antilichamen worden meestal aan de behandeling met chemotherapie toegevoegd. Het is belangrijk dat uw behandelend arts weet welke medicijnen u inneemt, ook als het lichte pijnstillers of vitaminetabletten zijn. Andere medicijnen kunnen de werking van cytostatica namelijk beïnvloeden. Ook is het belangrijk dat andere artsen (zoals uw tandarts) weten dat u chemotherapie krijgt.

Film over voorlichtingsgesprek met de verpleegkundige

Wanneer u kiest om te starten met de chemotherapie krijgt u een afspraak mee voor het verpleegkundig oncologisch spreekuur.
In onderstaande film ziet u wat kunt u verwachten van het gesprek met de verpleegkundige voorafgaand aan de behandeling met chemotherapie.


Uitzaaiingen bij darmkanker

Een tumorcel kan door de vaatwand in de bloedbaan komen. Zo kan de kankercel zich verspreiding via de bloedbaan en elders voor uitzaaiingen zorgen.Kankercellen kunnen losraken van een tumor en zich verspreiden door het lichaam. Die verspreiding vindt plaats via de bloedbaan in het bloed en/of het lymfe-stelsel (weefselvocht). Hierdoor kunnen op andere plaatsen tumoren ontstaan. Een dergelijke tumor heet een uitzaaiing (metastase). Patiënten met uitzaaiingen hebben doorgaans een slechtere prognose dan patiënten zonder uitzaaiingen.

Zoals bij de meeste vormen van kanker kunnen er uitzaaiingen van de darmtumor ontstaan in andere organen. Soms wordt dit al tegelijk met de darmtumor ontdekt, soms pas (veel) later. Meestal betreft het een uitzaaiing in de lever of de longen.

De behandeling hiervan bestaat uit een operatie of chemotherapie. De artsen bespreken de toestand van de patiënt en de (on)mogelijkheden in het multidisciplinair oncologisch overleg.

Operatie

In een aantal gevallen kunnen uitzaaiingen van darmkanker in de longen of de lever als deze beperkt zijn met een nieuwe operatie worden verwijderd. Daarbij bestaat nog de kans op een volledige genezing.
Darmkanker kan ook uitzaaien naar lymfklieren. De klieren in de directe omgeving van een tumor zijn meestal het eerste aangedaan. Deze worden samen met het gezwel verwijderd tijdens de operatie en nagekeken door de patholoog. Lymfklieren die verder weggelegen zijn, bijvoorbeeld langs de aorta, kunnen niet operatief worden verwijderd.
Uitzaaiingen in de lever kunnen soms ook worden behandeld met lokale verhitting van de afwijking. Als een operatie niet mogelijk is (of als aanvulling op een operatie), wordt vaak gekozen voor chemotherapie om de groei van de uitzaaiingen te onderdrukken. Voor de chirurgische behandeling van uitzaaiingen in de lever, wordt nauw samengewerkt met het Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede.

Chemotherapie bij uitzaaiingen

Er zijn verschillende situaties waarin chemotherapie kan worden toegepast. De artsen bepreken de toestand van de patiënt en deze mogelijkheid altijd eerst in het multidisciplinaire oncologisch overleg. Hierbij is ook een oncologisch expert aanwezig uit het UMC St. Radboud Ziekenhuis en de radiotherapeut van de Radioherapiegroep.
Een patiënt die chemotherapie krijgt wordt altijd begeleid door de oncoloog.
Als na een operatie blijkt dat er uitzaaiingen aanwezig zijn in de lymfklieren, of als de tumor door de wand van de darm is gegroeid, zal in veel gevallen worden geadviseerd om aanvullend te behandelen met chemotherapie. Het is in dit soort gevallen niet goed mogelijk om met zekerheid te zeggen of alle kwaadaardige cellen bij de operatie zijn verwijderd. Als er uitzaaiingen zijn in andere organen zoals de lever of longen, beoordelen de artsen eerst of een operatie mogelijk is.
Uitzaaiingen in de lever kunnen soms ook worden behandeld met lokale verhitting van de afwijking. Als een operatie niet mogelijk is (of als aanvulling op een operatie), wordt vaak gekozen voor chemotherapie om de groei van de uitzaaiingen te onderdrukken. Tot slot wordt chemotherapie vaak ingezet als de ziekte in een later stadium toch weer actief blijkt te zijn. In veel gevallen is een nieuwe operatie of genezing dan niet meer mogelijk. Chemotherapie kan dan de groei van de tumor afremmen.
Er is de laatste jaren veel vooruitgang geboekt op het gebied van chemotherapie: betere effectiviteit en minder bijwerkingen.

Samenwerking

Ook de behandeling van uitzaaiingen kan in veel gevallen in het Slingeland Ziekenhuis plaatsvinden. Voor leverchirurgie wordt samengewerkt met het Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede

In het Slingeland Ziekenhuis werken twee oncologen. Zij worden ondersteund door oncologisch verpleegkundige.
De mogelijkheden van behandeling bij uitzaaiingen en recidieven verschillen per patiënt. Als er tijdens de controles die volgen op de operatie, aanwijzingen zijn van een recidief of uitzaaiingen, dan bespreekt het multidisciplinaire team wat de beste behandeling is. Daarna zal de arts dit in de vorm van een advies aan de patiënt voorleggen.








dr. S.J. van den Hazel

  • Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 2003
  • Opleiding Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam
    Artsexamen 1996
  • Opleiding tot specialist in:
    • Ziekenhuis Rijnstate (Arnhem)
    • UMC St Radboud (Nijmegen)
    • Erasmus MC (Rotterdam)
  • Promotie-onderzoek: 1996, Universiteit van Amsterdam,
    over de rol die antibiotica kunnen spelen in het voorkomen van galweginfecties.
    Titel proefschrift: Antibiotics in the prevention of cholangitis.
  • Aandachtsgebieden: algemeen maag-darm-leverarts met specifieke interesse in leverziekten.
  • Sinds 2016 ook werkzaam in het Streekziekenhuis Koningin Beatrix

Even voorstellen

Sinds 2003 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis. Na te zijn opgegroeid in Arnhem en Zevenaar en een verblijf van enkele jaren in de Verenigde Staten ben ik geneeskunde gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hier raakte ik geïnteresseerd in infectieziekten en in maag-darm-leverziekten. Na mijn studie heb ik enkele jaren onderzoek gedaan in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam op het gebied van galweginfecties. Dit heeft in 1996 geresulteerd in een proefschrift "Antibiotics in de prevention of cholangitis".
Hierna heb ik er voor gekozen om toch weer meer naar het Oosten te trekken. Mijn opleiding tot maag-darm-leverarts kreeg ik in Arnhem (Rijnstate ziekenhuis) en Nijmegen (UMC St Radboud). Tussendoor verbleef ik nog 8 leerzame maanden in Rotterdam voor een stage op het gebied van leverziekten. In het Slingeland Ziekenhuis ben ik, net als de andere MDL-artsen, werkzaam als allround maag-darm-lever dokter. Dit betekent o.a. een ruime ervaring op het gebied van endoscopische onderzoeken en alles wat met darmkanker te maken heeft. Helaas moet ik nog bijna dagelijks aan mensen vertellen dat ze een kwaadaardig gezwel in hun darm hebben. Sinds de invoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker vinden we de tumor gelukkig steeds vaker in een vroeg stadium waardoor de kans op genezing sterk toeneemt. En door het weghalen van poliepen, de voorlopers van darmkanker, hoop ik samen met mijn collega's het aantal gevallen van darmkanker uiteindelijk omlaag te brengen. Een ambitieus plan, maar ik weet dat het kan en welke narigheid je mensen hiermee kunt besparen. Dat motiveert enorm!


dr. S.J. van den Hazel

  • Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 2003
  • Opleiding Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam
    Artsexamen 1996
  • Opleiding tot specialist in:
    • Ziekenhuis Rijnstate (Arnhem)
    • UMC St Radboud (Nijmegen)
    • Erasmus MC (Rotterdam)
  • Promotie-onderzoek: 1996, Universiteit van Amsterdam,
    over de rol die antibiotica kunnen spelen in het voorkomen van galweginfecties.
    Titel proefschrift: Antibiotics in the prevention of cholangitis.
  • Aandachtsgebieden: algemeen maag-darm-leverarts met specifieke interesse in leverziekten.
  • Sinds 2016 ook werkzaam in het Streekziekenhuis Koningin Beatrix

Even voorstellen

Sinds 2003 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis. Na te zijn opgegroeid in Arnhem en Zevenaar en een verblijf van enkele jaren in de Verenigde Staten ben ik geneeskunde gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hier raakte ik geïnteresseerd in infectieziekten en in maag-darm-leverziekten. Na mijn studie heb ik enkele jaren onderzoek gedaan in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam op het gebied van galweginfecties. Dit heeft in 1996 geresulteerd in een proefschrift "Antibiotics in de prevention of cholangitis".
Hierna heb ik er voor gekozen om toch weer meer naar het Oosten te trekken. Mijn opleiding tot maag-darm-leverarts kreeg ik in Arnhem (Rijnstate ziekenhuis) en Nijmegen (UMC St Radboud). Tussendoor verbleef ik nog 8 leerzame maanden in Rotterdam voor een stage op het gebied van leverziekten. In het Slingeland Ziekenhuis ben ik, net als de andere MDL-artsen, werkzaam als allround maag-darm-lever dokter. Dit betekent o.a. een ruime ervaring op het gebied van endoscopische onderzoeken en alles wat met darmkanker te maken heeft. Helaas moet ik nog bijna dagelijks aan mensen vertellen dat ze een kwaadaardig gezwel in hun darm hebben. Sinds de invoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker vinden we de tumor gelukkig steeds vaker in een vroeg stadium waardoor de kans op genezing sterk toeneemt. En door het weghalen van poliepen, de voorlopers van darmkanker, hoop ik samen met mijn collega's het aantal gevallen van darmkanker uiteindelijk omlaag te brengen. Een ambitieus plan, maar ik weet dat het kan en welke narigheid je mensen hiermee kunt besparen. Dat motiveert enorm!


dr. P.C. van de Meeberg

  • Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 1997
  • Opleiding Geneeskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam
  • Artsexamen 1988
  • Opleiding tot specialist aan:
    • Universitair Medisch Centrum Utrecht
    • Ziekenhuis Gooi-Noord
    • Meander Medisch Centrum Amersfoort
  • Promotie onderzoek: Clinical and physiologic aspects of ursodeoxycholic acid in cholestatic liver disease. Universiteit van Utrecht, 15 oktober 1996.
  • Aandachtsgebieden: obesitas, darmkankerscreening

Even voorstellen

Na mij studie geneeskunde wist ik al gauw dat ik het liefst maag-darm leverarts wou worden. Het mooie van dit vak is dat je met slimme kijkertjes de binnenkant van mensen kunt bekijken. Je werkt in een team, samen met endoscopie-verpleegkundigen. Het doen van een endoscopie heeft iets spannends, je weet nooit van te voren wat je gaat aantreffen. Het is ook een uitdaging. De kunst is om een onderzoek dat op zich geen pretje is, toch zo comfortabel mogelijk voor de patiënt uit te voeren. Het geeft voldoening als de patiënt je achteraf zegt dat het enorm is meegevallen.
Het Darmkankercentrum Achterhoek is één van mijn grootste uitdagingen. Vrijwel dagelijks zien we nieuwe gevallen van darmkanker en nog veel vaker zien we poliepen in de dikke darm. Het is werkelijk mijn streven om het aantal mensen in de Achterhoek dat overlijdt aan darmkanker te zien dalen. Dat is mogelijk! Door een goede samenwerking met de huisartsen, meer bewustzijn bij mensen en een optimale zorgketen in ons ziekenhuis.
 

dr. P.C. van de Meeberg

  • Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 1997
  • Opleiding Geneeskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam
  • Artsexamen 1988
  • Opleiding tot specialist aan:
    • Universitair Medisch Centrum Utrecht
    • Ziekenhuis Gooi-Noord
    • Meander Medisch Centrum Amersfoort
  • Promotie onderzoek: Clinical and physiologic aspects of ursodeoxycholic acid in cholestatic liver disease. Universiteit van Utrecht, 15 oktober 1996.
  • Aandachtsgebieden: obesitas, darmkankerscreening

Even voorstellen

Na mij studie geneeskunde wist ik al gauw dat ik het liefst maag-darm leverarts wou worden. Het mooie van dit vak is dat je met slimme kijkertjes de binnenkant van mensen kunt bekijken. Je werkt in een team, samen met endoscopie-verpleegkundigen. Het doen van een endoscopie heeft iets spannends, je weet nooit van te voren wat je gaat aantreffen. Het is ook een uitdaging. De kunst is om een onderzoek dat op zich geen pretje is, toch zo comfortabel mogelijk voor de patiënt uit te voeren. Het geeft voldoening als de patiënt je achteraf zegt dat het enorm is meegevallen.
Het Darmkankercentrum Achterhoek is één van mijn grootste uitdagingen. Vrijwel dagelijks zien we nieuwe gevallen van darmkanker en nog veel vaker zien we poliepen in de dikke darm. Het is werkelijk mijn streven om het aantal mensen in de Achterhoek dat overlijdt aan darmkanker te zien dalen. Dat is mogelijk! Door een goede samenwerking met de huisartsen, meer bewustzijn bij mensen en een optimale zorgketen in ons ziekenhuis.
 

Contactgegevens darmkanker

Als u vragen over darmkanker heeft of u wil zich laten screenen, dan raden wij u aan contact op te nemen met de huisarts. Dit geldt ook voor patiënten buiten het verzorgingsgebied van het Slingeland Ziekenhuis.
Voor andere vragen en correspondentie geldt het volgende adres:

Slingeland Ziekenhuis
Afdeling Maag-, darm- en leverziekten
Postbus 169
7000 AD Doetinchem
Tel.: (0314) 32 93 35
Fax: (0314) 32 90 67
E-mail: secretariaat.mdl@slingeland.nl
www.darmkankercentrum.nl

Onderzoek naar erfelijke tumoren

Klinisch Genetisch Centrum Nijmegen

Het Klinisch Genetisch Centrum in Nijmegen is een onderdeel van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen. Dit is één van de negen centra in Nederland waar DNA-diagnostiek naar erfelijke ziekten wordt verricht.
Als er een verdenking is op een mogelijke erfelijke oorzaak bij darmkanker, kunnen patiënten hier naartoe verwezen worden.

Werkwijze

In een gesprek wordt de stamboom van de familie in kaart gebracht waarbij aandacht is voor de familieleden met darmkanker of andere vormen van kanker. De voor- en nadelen van genetisch onderzoek worden besproken. Omdat dit voor de hele familie relevant is, is het belangrijk om hier goed over na te denken.
Ook als er al zekerheid is over een mutatie in de familie, kan u bij het KGCN terecht om uitsluitsel te krijgen over eventueel dragerschap.

Erfelijke afwijking

Als iemand de afwijking niet heeft geërfd, dan is het risico op de ziekte niet hoger dan gemiddeld. Het periodieke darmonderzoek is dan ook niet langer nodig.
Als iemand het gen heeft geërfd, betekent dit dat die de rest van zijn leven gecontroleerd moet worden. Daarnaast zal de afwijking worden doorgegeven aan 50% van het nageslacht.
Als geen erfelijke afwijking kan worden aangetoond kan het toch raadzaam zijn om de dikke darm periodiek te controleren als er in de familie veel darmkanker voorkomt.

Stichting tot opsporing van erfelijke tumoren, STOET

Naast het KGCN werkt het Slingeland Ziekenhuis ook samen met de STOET, de stichting tot opsporing van erfelijke tumoren. Deze stichting in Leiden probeert zoveel mogelijk families met erfelijke vormen van kanker zoals FAP en Lynch syndroom op te sporen en in kaart te brengen. Hierdoor worden ook familieleden opgespoord met een verhoogd risico en wordt erop toegezien dat patiënten tijdig worden opgeroepen voor een controle coloscopie. Met alle gegevens wordt ook wetenschappelijk onderzoek verricht.
Van oudsher wonen er in de Achterhoek veel patiënten uit een Lynch familie. De meeste daarvan hebben ingestemd met registratie van hun gegevens bij de STOET.





Kenniscentrum Darmkanker

Darmkanker is een ziekte die veel voorkomt: in Nederland krijgen jaarlijks meer dan 15.000 inwoners de diagnose darmkanker te horen en sterven elk jaar gemiddeld 4.800 mensen aan deze ziekte. En dat terwijl darmkanker een ziekte is die, mits vroegtijdig opgespoord, goed kan worden behandeld en zelfs kan worden voorkomen.
De Maag-, darm- en leverartsen van het Slingeland Ziekenhuis willen de bevolking en de huisartsen bewuster maken van het risico op darmkanker en hoe men daar zelf iets aan kan doen.


      ziekenhuischeck








Polikliniek Maag-, darm- en leverziekten

Waar moet u zijn?

De polikliniek Maag-, darm- en leverziekten van het Slingeland Ziekenhuis en de functieafdeling bevinden zich op de eerste etage. U volgt routenummer 52.

De polikliniek is van maandag tot en met vrijdag bereikbaar van 8.30 uur tot 17.00 uur via het telefoonnummer:
(0314) 32 93 35.







Afspraak maken

Wanneer u een afspraak* wilt maken kan dat aan de balie van de polikliniek Maag-, darm- en leverziekten (routenummer 52) of via telefoonnummer (0314) 32 93 35, op werkdagen tussen 8.30 uur en 17.00 uur.

Als u een controle afspraak wilt maken (niet voor nieuwe patiënten) kunt u ook via Mijn Slingeland een afspraak maken met de mdl-arts.
Onze wachttijd voor niet-spoedeisende onderzoeken kunt u zien in het wachttijden-overzicht.

Neemt u het afsprakenkaartje mee, voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 

Melden

Meldt u zich bij uw bezoek aan de polikliniek, eerst bij de secretaresse voordat u plaatsneemt in de wachtruimte. U wordt door de arts of de verpleegkundige opgehaald uit de wachtruimte.






Polikliniek Maag-, darm- en leverziekten

Waar moet u zijn?

De polikliniek Maag-, darm- en leverziekten van het Slingeland Ziekenhuis en de functieafdeling bevinden zich op de eerste etage. U volgt routenummer 52.

De polikliniek is van maandag tot en met vrijdag bereikbaar van 8.30 uur tot 17.00 uur via het telefoonnummer:
(0314) 32 93 35.







Afspraak maken

Wanneer u een afspraak* wilt maken kan dat aan de balie van de polikliniek Maag-, darm- en leverziekten (routenummer 52) of via telefoonnummer (0314) 32 93 35, op werkdagen tussen 8.30 uur en 17.00 uur.

Als u een controle afspraak wilt maken (niet voor nieuwe patiënten) kunt u ook via Mijn Slingeland een afspraak maken met de mdl-arts.
Onze wachttijd voor niet-spoedeisende onderzoeken kunt u zien in het wachttijden-overzicht.

Neemt u het afsprakenkaartje mee, voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 

Melden

Meldt u zich bij uw bezoek aan de polikliniek, eerst bij de secretaresse voordat u plaatsneemt in de wachtruimte. U wordt door de arts of de verpleegkundige opgehaald uit de wachtruimte.






Afspraak maken

Maak eerst een afspraak met uw huisarts

Als u vragen heeft over uw risico op darmkanker of als u specifieke (darm-)klachten heeft, kunt u een afspraak maken bij uw huisarts. Die zal in het gesprek ingaan op algemene adviezen en beoordelen of u tot een risicogroep behoort. Indien uw huisarts vindt dat u tot een risicogroep behoort of als er specifieke klachten zijn, dan kan de huisarts u direct verwijzen naar de MDL-arts met de vraag of er reden is voor aanvullend onderzoek door middel van een coloscopie (kijkonderzoek van de dikke darm).

Als u niet tot een risicogroep behoort, en u bent tussen 55 en 75 jaar, dan komt u in aanmerking voor het Bevolkingsonderzoek op darmkanker. In dat geval krijgt u elke 2 jaar automatisch een uitnodiging voor een screeningstest thuis gestuurd. Alleen bij een positieve testuitslag (spoortjes bloed in de ontlasting aangetroffen) dan volgt aansluitend een oproep voor een coloscopie (kijkonderzoek van de dikke darm). De afspraak hiervoor wordt niet door uw huisarts gemaakt maar door het RIVM, de instantie die het bevolkingsonderzoek coördineert.
Het kan zijn dat u een afspraak voor een darmonderzoek krijgt in een ander ziekenhuis als de wachttijd daar op dat moment korter is. U kunt, als u dat wenst, in overleg met het RIVM de afspraak toch laten omzetten naar een afspraak in het Slingeland Ziekenhuis.

Verwijzing: de huisarts verwijst u voor een darmonderzoek naar het ziekenhuis

Als uw huisarts een verwijzing naar de MDL-arts van het Slingeland Ziekenhuis heeft gestuurd voor een darmonderzoek, kunt u vervolgens zelf contact opnemen met de polikliniek MDL via telefoonnummer 0314-329335.
U krijgt vervolgens via uw email een digitale link toegestuurd, waarmee u de voorlichtingsfilmp kunt bekijken en een vragenlijst invult. Is dit voor u niet mogelijk, dan krijgt u een afspraak voor een telefonische intake. Een gespecialiseerde verpleegkundige stelt u een aantal vragen en informeert u over het onderzoek. De vragen gaan o.a. over:
  • uw lichamelijke klachten
  • uw medische voorgeschiedenis
  • de medicijnen die u gebruikt
  • de vraag of darmkanker in uw naaste familie voorkomt.
Ook als er nog vragen of onduidelijkheden zijn naar aanleiding van de door u ingevulde digitale vragenlijst, kan er nog een telefonische intake volgen. Wanneer alle benodigde gegevens zijn verzameld, en u voldoende geinformeerd bent, zal vervolgens het darmonderzoek voor u worden ingepland.

Contact

Als u vragen over darmkanker heeft, dan raden wij u aan contact op te nemen met de huisarts. Dit geldt ook voor patiënten buiten het verzorgingsgebied van het Slingeland Ziekenhuis.
Voor andere vragen en correspondentie geldt het volgende adres:
Slingeland Ziekenhuis
Afdeling Maag-, darm- en leverziekten
Postbus 169
7000 AD Doetinchem
Tel.: (0314) 32 93 35
Fax: (0314) 32 90 67
E-mail: secretariaat.mdl@slingeland.nl

Edith de Vries

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: september 2009
(BIG  89007647381)
Edith de Vries.10x15
  • Voornaam: Edith
  • Achternaam: de Vries
  • Opleiding tot A verpleegkundige in Ziekenhuis Zevenaar
  • Examen: 1992
  • Specialisaties:
    • Cardio Care opleiding, afgerond in 1994
    • Spoedeisende Hulp opleiding, afgerond in 2005
    • Opleiding tot Physician Assistant MDL, afgerond in 2012

Even voorstellen

In september 2009 ben ik begonnen met de masteropleiding tot Physician Assistant. Voordat ik in het Slingeland Ziekenhuis begon, heb ik 20 jaar in ziekenhuis Zevenaar gewerkt. Na tien jaar gewerkt te hebben als verpleegkundige in de acute zorg, was ik toe aan een nieuwe uitdaging en wilde ik me verdiepen in de medische zorg. Deze kans werd me geboden bij de afdeling MDL. Tijdens mijn opleiding ben ik in de volle breedte van de geneeskunde opgeleid en liepen mijn stages parallel aan die van een co-assistent. De laatste zes maanden was ik alleen nog werkzaam op de afdeling MDL en de polikliniek. In maart 2012 heb ik mijn opleiding afgerond.
Ik hou me bezig met medische taken op MDL gebied, waar voorlichting en preventie van darmkanker zeker een grote rol spelen.

Zowel op de verpleegafdeling als op de polikliniek wordt de diagnose darmkanker regelmatig gesteld. Preventie en voorlichting is erg belangrijk. Voorkomen is altijd nog beter dan genezen. In het Slingeland Ziekenhuis wordt hier hard aan gewerkt. Als de diagnose darmkanker toch gesteld wordt, is goede behandeling, maar ook goede begeleiding ons streven.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

Second Opinion Service

Een tweede mening, vaak second opinion genoemd, is een (medisch) oordeel van een andere arts of medisch deskundige dan degene die u behandelt. De tweede mening is bedoeld om u zo uitgebreid mogelijk te informeren voordat u een beslissing neemt over een behandeling of over het voortzetten van een behandeling.

Een patiënt heeft recht op de mening van een andere hulpverlener als de patiënt ernstige twijfels heeft over een diagnose of behandeling, of voor een beslissing staat met ingrijpende gevolgen. Het vragen van een tweede mening (second opinion) kan de patiënt helpen een keuze te maken. De patiënt heeft het recht om 'nee' te zeggen tegen een bepaalde behandeling en om te kiezen voor een andere methode.

Voor alle behandelingen

U kunt over alle behandelingen in de gezondheidszorg een tweede mening vragen. U heeft van niemand toestemming nodig, ook niet van uw eigen hulpverlener. Het is wel aan te bevelen er met uw eigen arts over te praten.
Bent u patiënt in een ander ziekenhuis? Voor een second opinion in het Slingeland Ziekenhuis heeft u wel een verwijzing van uw huisarts of de specialist in het ziekenhuis waar u onder behandeling bent.

Vergoeding second opinion

Zorgverzekeraars vergoeden een second opinion vaak alleen als uw behandelend arts u doorverwijst naar een andere arts. Als u zelf een second opinion regelt (zonder verwijzing), is het mogelijk dat uw zorgverzekeraar niet alles vergoedt. Informeer altijd bij uw zorgverzekeraar welke voorwaarden zij hanteren.

dr. S.Y. de Boer

  • Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 1992
  • Opleiding Geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen
  • Artsexamen 1982
  • Opleiding tot internist: Gemeente Ziekenhuis Arnhem 1988
  • Opleiding tot MDL-arts: Academisch Ziekenhuis Leiden 1992
  • Promotie-onderzoek: 1992, Rijks Universiteit Leiden
  • Titel proefschrift: Effect of intravenous nutrients on gastrointestinal motitlity with emphasis on glucose
  • Aandachtsgebieden: bijzondere belangstelling voor endoscopische technieken en oncologie.
  • Werkzaam als regio-coördinator MDL-arts voor het bevolkingonderzoek darmkanker bij Bevolkingonderzoek Midden-West te Amsterdam.

Even voorstellen

Sinds 1992 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis, aanvankelijk als internist met als belangrijkste aandachtspunt gastro-enterologie. Later kwam de nadruk in het werk meer te liggen op het werk van de maag, darm en leverziekten, zodat ik me in 1998 heb laten registreren als MDL-arts. In 2004 werd ik uitgenodigd om lid te worden van de maatschap MDL-artsen in Ziekenhuis Rijnstate te Arnhem. Alhier heb ik van 2004 tot eind 2008 gewerkt alwaar ik veel endoscopische ervaring heb opgedaan. Sinds 2008 werk ik weer als MDL-arts in het Slingeland Ziekenhuis, waarbij ik  belangstelling heb voor therapeutische endoscopie,waaronder ERCP en echo-endoscopie, en oncologie. Van 2011 tot 2014 was ik bestuurslid van de Nederlandse Vereniging van Maag Darm Leverartsen. Sinds 2015 coördineer ik als MDL-arts tussen alle deelnemende klinieken aan het bevolkingsonderzoek darmkanker in Noord Holland, Utrecht en Flevoland, en Bevolkingonderzoek Midden-West te Amsterdam.

dr. S.Y. de Boer

  • Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 1992
  • Opleiding Geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen
  • Artsexamen 1982
  • Opleiding tot internist: Gemeente Ziekenhuis Arnhem 1988
  • Opleiding tot MDL-arts: Academisch Ziekenhuis Leiden 1992
  • Promotie-onderzoek: 1992, Rijks Universiteit Leiden
  • Titel proefschrift: Effect of intravenous nutrients on gastrointestinal motitlity with emphasis on glucose
  • Aandachtsgebieden: bijzondere belangstelling voor endoscopische technieken en oncologie.
  • Werkzaam als regio-coördinator MDL-arts voor het bevolkingonderzoek darmkanker bij Bevolkingonderzoek Midden-West te Amsterdam.

Even voorstellen

Sinds 1992 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis, aanvankelijk als internist met als belangrijkste aandachtspunt gastro-enterologie. Later kwam de nadruk in het werk meer te liggen op het werk van de maag, darm en leverziekten, zodat ik me in 1998 heb laten registreren als MDL-arts. In 2004 werd ik uitgenodigd om lid te worden van de maatschap MDL-artsen in Ziekenhuis Rijnstate te Arnhem. Alhier heb ik van 2004 tot eind 2008 gewerkt alwaar ik veel endoscopische ervaring heb opgedaan. Sinds 2008 werk ik weer als MDL-arts in het Slingeland Ziekenhuis, waarbij ik  belangstelling heb voor therapeutische endoscopie,waaronder ERCP en echo-endoscopie, en oncologie. Van 2011 tot 2014 was ik bestuurslid van de Nederlandse Vereniging van Maag Darm Leverartsen. Sinds 2015 coördineer ik als MDL-arts tussen alle deelnemende klinieken aan het bevolkingsonderzoek darmkanker in Noord Holland, Utrecht en Flevoland, en Bevolkingonderzoek Midden-West te Amsterdam.

Sylvia Kok

  • THF-Sylvia Kok-72 dpi-04Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 1988
  • Opleiding verpleegkunde
  • Examen: 1991
  • Verpleegkundige specialisaties:
    • Maag- darm leververpleegkundige Hogeschool Arnhem Nijmegen; 2002
    • Master in Advanced Nursing Practice (MANP) Hogeschool Arnhem Nijmegen; 2010
  • Aandachtsgebieden: darmchirurgie, oncologie

Even voorstellen

Sinds september 2008 ben ik als Verpleegkundig Specialist (VS) coloncare in het Slingeland Ziekenhuis werkzaam. 
Na een aantal jaren als verpleegkundige en zorgcoördinator op de verpleegafdeling Chirurgie gewerkt te hebben, heb ik de masteropleiding Master in Advanced Nursing Practice (MANP) gevolgd. Hierbij heb ik mij gespecialiseerd in de patiëntenzorg rondom darmchirurgie.
Als verpleegkundig specialist coloncare hou ik me met name bezig met patiënten die een darmoperatie moeten ondergaan. Ik volg patiënten gedurende het traject van diagnose tot nacontrole. Ik werk dan ook op zowel de afdeling Maag-, Darm- Leverziekten (MDL) met de MDL-artsen als op de afdeling Chirurgie samen met de chirurgen.

Verpleegkundig specialist (VS) is een functie die zich qua bevoegdheid bevindt tussen arts en verpleegkundige. Zij/hij kan verschillende taken van de arts overnemen en in bepaalde gevallen zelf diagnoses stellen en medicatie voorschrijven.
De VS coloncare speelt een centrale rol in het traject dat de patiënt aflegt die een darmoperatie moet ondergaan. Hierbij werk ik intensief samen met de chirurgen en de maag-, darm- en leverartsen.
Tijdens het eerste bezoek op de polikliniek MDL  geef ik uitleg over het behandelplan, de operatie en over het te doorlopen traject. Tijdens een volgend gesprek op de polikliniek Chirurgie geef ik verdere uitleg over de ziekenhuisopname etc. Daarnaast geef ik begeleiding, coördineer de zorg en ben ik het aanspreekpunt voor de patiënt en zijn naasten in de periode rondom de operatie. Gedurende de controleperiode die volgt na de operatie neem ik een deel van de controleafspraken op me.

Naast de patientenzorg houdt de VS zich ook bezig met het verbeteren van de kwaliteit van deze zorg door nieuwe kennis en innovaties toe te passen. Een ander aandachtsgebied van de VS is de deskundigheids-bevordering van collega zorgverleners, dit geldt zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten. Daarnaast houdt de VS zich bezig met onderzoek en het vertalen van onderzoeksresutaten naar de praktijk. 
Als verpleegkundig specialist kan ik het beste uit de medische en de verpleegkundige wereld combineren binnen de zorg voor de patiënten die een darmoperatie moeten ondergaan. Een prachtig vak.
 

Sylvia Kok

  • THF-Sylvia Kok-72 dpi-04Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 1988
  • Opleiding verpleegkunde
  • Examen: 1991
  • Verpleegkundige specialisaties:
    • Maag- darm leververpleegkundige Hogeschool Arnhem Nijmegen; 2002
    • Master in Advanced Nursing Practice (MANP) Hogeschool Arnhem Nijmegen; 2010
  • Aandachtsgebieden: darmchirurgie, oncologie

Even voorstellen

Sinds september 2008 ben ik als Verpleegkundig Specialist (VS) coloncare in het Slingeland Ziekenhuis werkzaam. 
Na een aantal jaren als verpleegkundige en zorgcoördinator op de verpleegafdeling Chirurgie gewerkt te hebben, heb ik de masteropleiding Master in Advanced Nursing Practice (MANP) gevolgd. Hierbij heb ik mij gespecialiseerd in de patiëntenzorg rondom darmchirurgie.
Als verpleegkundig specialist coloncare hou ik me met name bezig met patiënten die een darmoperatie moeten ondergaan. Ik volg patiënten gedurende het traject van diagnose tot nacontrole. Ik werk dan ook op zowel de afdeling Maag-, Darm- Leverziekten (MDL) met de MDL-artsen als op de afdeling Chirurgie samen met de chirurgen.

Verpleegkundig specialist (VS) is een functie die zich qua bevoegdheid bevindt tussen arts en verpleegkundige. Zij/hij kan verschillende taken van de arts overnemen en in bepaalde gevallen zelf diagnoses stellen en medicatie voorschrijven.
De VS coloncare speelt een centrale rol in het traject dat de patiënt aflegt die een darmoperatie moet ondergaan. Hierbij werk ik intensief samen met de chirurgen en de maag-, darm- en leverartsen.
Tijdens het eerste bezoek op de polikliniek MDL  geef ik uitleg over het behandelplan, de operatie en over het te doorlopen traject. Tijdens een volgend gesprek op de polikliniek Chirurgie geef ik verdere uitleg over de ziekenhuisopname etc. Daarnaast geef ik begeleiding, coördineer de zorg en ben ik het aanspreekpunt voor de patiënt en zijn naasten in de periode rondom de operatie. Gedurende de controleperiode die volgt na de operatie neem ik een deel van de controleafspraken op me.

Naast de patientenzorg houdt de VS zich ook bezig met het verbeteren van de kwaliteit van deze zorg door nieuwe kennis en innovaties toe te passen. Een ander aandachtsgebied van de VS is de deskundigheids-bevordering van collega zorgverleners, dit geldt zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten. Daarnaast houdt de VS zich bezig met onderzoek en het vertalen van onderzoeksresutaten naar de praktijk. 
Als verpleegkundig specialist kan ik het beste uit de medische en de verpleegkundige wereld combineren binnen de zorg voor de patiënten die een darmoperatie moeten ondergaan. Een prachtig vak.
 

Els Meuleman

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 1978
Opleiding verpleegkunde:1978-1981 inservice opleiding verpleegkundige A te Doetinchem.

Specialisaties:

  • 1986-1988: Middle management gezondheidszorg Hogeschool Enschede
  • 1988-1989: Opleiding oncologieverpleegkundige VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005: Complementmodule hematologie VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005-2007: Master advanced nursing practice Hogeschool Arnhem/ Nijmegen
  • 2009: Farmacotherapie voor Nurse practitioners Hogeschool Arnhem/Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • chemotherapie
  • darmkanker
  • borstkanker
  • lymfklierkanker

Even voorstellen

Sinds 1978 ben ik werkzaam in het Slingeland ziekenhuis. Vanaf 1987 heb ik mij gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met een kwaadaardige (oncologische) aandoening, met als aandachtspunt de chemotherapie (behandeling met celgroeiremmende middelen).
Na een aantal jaren op de dagbehandeling oncologie gewerkt te hebben en mede als taak had patiënten voorlichting te geven over de behandeling, ben ik de masteropleiding 'Master advanced Nursing Practice' gaan volgen. Nadien heb ik mij o.a. gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met kanker die na de operatie in aanmerking komen voor chemotherapie.
Verpleegkundig specialist (VS) is een functie die zich qua bevoegdheid bevindt tussen arts en verpleegkundige. Zij kan verschillende taken van de arts overnemen en in bepaalde gevallen zelf diagnoses stellen en medicatie voorschrijven.
Naast de patientenzorg houdt de VS zich ook bezig met het verbeteren van de kwaliteit van deze zorg door nieuwe kennis en innovaties toe te passen. Een ander aandachtsgebied van de VS is de deskundigheids-bevordering van collega zorgverleners, dit geldt zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten. Daarnaast houdt de VS zich bezig met onderzoek en het vertalen van onderzoeksresultaten naar de praktijk.
Indien wordt besloten dat de patiënt in aanmerking komt voor aanvullende chemotherapie zal hij doorverwezen worden naar de oncoloog. Als Verpleegkundig specialist werk ik intensief samen met de oncoloog. Tijdens de periode van behandeling zie ik de patiënt voor elke kuur op de polikliniek, coördineer de zorg, geef begeleiding en ben ik het aanspreekpunt bij problemen. Gedurende de controleperiode die volgt na de chemotherapie neem ik een deel van de controleafspraken op me.
Samen met collega's streef ik er naar om bijwerkingen van de behandeling zoveel mogelijk te beperken door de patiënten goed te begeleiden en goede medische en verpleegkundige zorg te bieden.





 

Els Meuleman

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 1978
Opleiding verpleegkunde:1978-1981 inservice opleiding verpleegkundige A te Doetinchem.

Specialisaties:

  • 1986-1988: Middle management gezondheidszorg Hogeschool Enschede
  • 1988-1989: Opleiding oncologieverpleegkundige VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005: Complementmodule hematologie VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005-2007: Master advanced nursing practice Hogeschool Arnhem/ Nijmegen
  • 2009: Farmacotherapie voor Nurse practitioners Hogeschool Arnhem/Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • chemotherapie
  • darmkanker
  • borstkanker
  • lymfklierkanker

Even voorstellen

Sinds 1978 ben ik werkzaam in het Slingeland ziekenhuis. Vanaf 1987 heb ik mij gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met een kwaadaardige (oncologische) aandoening, met als aandachtspunt de chemotherapie (behandeling met celgroeiremmende middelen).
Na een aantal jaren op de dagbehandeling oncologie gewerkt te hebben en mede als taak had patiënten voorlichting te geven over de behandeling, ben ik de masteropleiding 'Master advanced Nursing Practice' gaan volgen. Nadien heb ik mij o.a. gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met kanker die na de operatie in aanmerking komen voor chemotherapie.
Verpleegkundig specialist (VS) is een functie die zich qua bevoegdheid bevindt tussen arts en verpleegkundige. Zij kan verschillende taken van de arts overnemen en in bepaalde gevallen zelf diagnoses stellen en medicatie voorschrijven.
Naast de patientenzorg houdt de VS zich ook bezig met het verbeteren van de kwaliteit van deze zorg door nieuwe kennis en innovaties toe te passen. Een ander aandachtsgebied van de VS is de deskundigheids-bevordering van collega zorgverleners, dit geldt zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten. Daarnaast houdt de VS zich bezig met onderzoek en het vertalen van onderzoeksresultaten naar de praktijk.
Indien wordt besloten dat de patiënt in aanmerking komt voor aanvullende chemotherapie zal hij doorverwezen worden naar de oncoloog. Als Verpleegkundig specialist werk ik intensief samen met de oncoloog. Tijdens de periode van behandeling zie ik de patiënt voor elke kuur op de polikliniek, coördineer de zorg, geef begeleiding en ben ik het aanspreekpunt bij problemen. Gedurende de controleperiode die volgt na de chemotherapie neem ik een deel van de controleafspraken op me.
Samen met collega's streef ik er naar om bijwerkingen van de behandeling zoveel mogelijk te beperken door de patiënten goed te begeleiden en goede medische en verpleegkundige zorg te bieden.





 

Els Meuleman

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 1978
Opleiding verpleegkunde:1978-1981 inservice opleiding verpleegkundige A te Doetinchem.

Specialisaties:

  • 1986-1988: Middle management gezondheidszorg Hogeschool Enschede
  • 1988-1989: Opleiding oncologieverpleegkundige VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005: Complementmodule hematologie VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005-2007: Master advanced nursing practice Hogeschool Arnhem/ Nijmegen
  • 2009: Farmacotherapie voor Nurse practitioners Hogeschool Arnhem/Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • chemotherapie
  • darmkanker
  • borstkanker
  • lymfklierkanker

Even voorstellen

Sinds 1978 ben ik werkzaam in het Slingeland ziekenhuis. Vanaf 1987 heb ik mij gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met een kwaadaardige (oncologische) aandoening, met als aandachtspunt de chemotherapie (behandeling met celgroeiremmende middelen).
Na een aantal jaren op de dagbehandeling oncologie gewerkt te hebben en mede als taak had patiënten voorlichting te geven over de behandeling, ben ik de masteropleiding 'Master advanced Nursing Practice' gaan volgen. Nadien heb ik mij o.a. gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met kanker die na de operatie in aanmerking komen voor chemotherapie.
Verpleegkundig specialist (VS) is een functie die zich qua bevoegdheid bevindt tussen arts en verpleegkundige. Zij kan verschillende taken van de arts overnemen en in bepaalde gevallen zelf diagnoses stellen en medicatie voorschrijven.
Naast de patientenzorg houdt de VS zich ook bezig met het verbeteren van de kwaliteit van deze zorg door nieuwe kennis en innovaties toe te passen. Een ander aandachtsgebied van de VS is de deskundigheids-bevordering van collega zorgverleners, dit geldt zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten. Daarnaast houdt de VS zich bezig met onderzoek en het vertalen van onderzoeksresultaten naar de praktijk.
Indien wordt besloten dat de patiënt in aanmerking komt voor aanvullende chemotherapie zal hij doorverwezen worden naar de oncoloog. Als Verpleegkundig specialist werk ik intensief samen met de oncoloog. Tijdens de periode van behandeling zie ik de patiënt voor elke kuur op de polikliniek, coördineer de zorg, geef begeleiding en ben ik het aanspreekpunt bij problemen. Gedurende de controleperiode die volgt na de chemotherapie neem ik een deel van de controleafspraken op me.
Samen met collega's streef ik er naar om bijwerkingen van de behandeling zoveel mogelijk te beperken door de patiënten goed te begeleiden en goede medische en verpleegkundige zorg te bieden.





 

Els Meuleman

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 1978
Opleiding verpleegkunde:1978-1981 inservice opleiding verpleegkundige A te Doetinchem.

Specialisaties:

  • 1986-1988: Middle management gezondheidszorg Hogeschool Enschede
  • 1988-1989: Opleiding oncologieverpleegkundige VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005: Complementmodule hematologie VVO/UMC Radboud Nijmegen
  • 2005-2007: Master advanced nursing practice Hogeschool Arnhem/ Nijmegen
  • 2009: Farmacotherapie voor Nurse practitioners Hogeschool Arnhem/Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • chemotherapie
  • darmkanker
  • borstkanker
  • lymfklierkanker

Even voorstellen

Sinds 1978 ben ik werkzaam in het Slingeland ziekenhuis. Vanaf 1987 heb ik mij gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met een kwaadaardige (oncologische) aandoening, met als aandachtspunt de chemotherapie (behandeling met celgroeiremmende middelen).
Na een aantal jaren op de dagbehandeling oncologie gewerkt te hebben en mede als taak had patiënten voorlichting te geven over de behandeling, ben ik de masteropleiding 'Master advanced Nursing Practice' gaan volgen. Nadien heb ik mij o.a. gespecialiseerd in de zorg voor patiënten met kanker die na de operatie in aanmerking komen voor chemotherapie.
Verpleegkundig specialist (VS) is een functie die zich qua bevoegdheid bevindt tussen arts en verpleegkundige. Zij kan verschillende taken van de arts overnemen en in bepaalde gevallen zelf diagnoses stellen en medicatie voorschrijven.
Naast de patientenzorg houdt de VS zich ook bezig met het verbeteren van de kwaliteit van deze zorg door nieuwe kennis en innovaties toe te passen. Een ander aandachtsgebied van de VS is de deskundigheids-bevordering van collega zorgverleners, dit geldt zowel binnen het ziekenhuis als daarbuiten. Daarnaast houdt de VS zich bezig met onderzoek en het vertalen van onderzoeksresultaten naar de praktijk.
Indien wordt besloten dat de patiënt in aanmerking komt voor aanvullende chemotherapie zal hij doorverwezen worden naar de oncoloog. Als Verpleegkundig specialist werk ik intensief samen met de oncoloog. Tijdens de periode van behandeling zie ik de patiënt voor elke kuur op de polikliniek, coördineer de zorg, geef begeleiding en ben ik het aanspreekpunt bij problemen. Gedurende de controleperiode die volgt na de chemotherapie neem ik een deel van de controleafspraken op me.
Samen met collega's streef ik er naar om bijwerkingen van de behandeling zoveel mogelijk te beperken door de patiënten goed te begeleiden en goede medische en verpleegkundige zorg te bieden.





 

drs. K. Reijnders

Werkzaam in Slingeland sinds: 2007
(BIG 49045619201)

Opleiding geneeskunde (universiteit): Universiteit van Utrecht

  • Artsexamen (jaartal): 1995

Opleiding tot specialist:

  • 1996 - 1998 Arts-assistent chirurgie Twenteborg Ziekenhuis, Almelo
  • 1998 - 2001 Arts-assistent chirurgie Deventer Ziekenhuis, Deventer
  • 2001 - 2002 Research Fellow NIH, Bethesda, Maryland, USA
  • 2002 - 2005 Arts-assistent chirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen. Laatste jaar specialisatie vaatchirurgie.
  • 2005 - 2007 Chirurg in vervolgopleiding tot chirurg oncoloog, Universitair Medisch Centrum Groningen

Aandachtsgebieden:

dikkedarmkanker, borstkanker, huidkanker, schildklierchirurgie, anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie) en algemene chirurgie (lies- en buikwandbreuken, galstenen, blinde darm en andere goedaardige darmziekten)


Even voorstellen

De zorg voor mensen met kanker is veelomvattend, en bij uitstek teamwerk. Deze facetten van de oncologie (=kankerzorg) maken het een uitdagend geheel, waar ik me elke dag volledig en met veel plezier voor inzet. Door de goede sfeer en de korte lijnen in ons ziekenhuis is uw zorg onze zorg. Als lid van het chirurgische team sta ik voor u klaar met alle moderne hulpmiddelen nodig voor adequate, snelle en kundige hulp. Al jaren staan wij dan ook hoog genoteerd in de verschillende ziekenhuislijsten met betrekking tot kwaliteit van zorg.

 

drs. K. Reijnders

Werkzaam in Slingeland sinds: 2007
(BIG 49045619201)

Opleiding geneeskunde (universiteit): Universiteit van Utrecht

  • Artsexamen (jaartal): 1995

Opleiding tot specialist:

  • 1996 - 1998 Arts-assistent chirurgie Twenteborg Ziekenhuis, Almelo
  • 1998 - 2001 Arts-assistent chirurgie Deventer Ziekenhuis, Deventer
  • 2001 - 2002 Research Fellow NIH, Bethesda, Maryland, USA
  • 2002 - 2005 Arts-assistent chirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen. Laatste jaar specialisatie vaatchirurgie.
  • 2005 - 2007 Chirurg in vervolgopleiding tot chirurg oncoloog, Universitair Medisch Centrum Groningen

Aandachtsgebieden:

dikkedarmkanker, borstkanker, huidkanker, schildklierchirurgie, anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie) en algemene chirurgie (lies- en buikwandbreuken, galstenen, blinde darm en andere goedaardige darmziekten)


Even voorstellen

De zorg voor mensen met kanker is veelomvattend, en bij uitstek teamwerk. Deze facetten van de oncologie (=kankerzorg) maken het een uitdagend geheel, waar ik me elke dag volledig en met veel plezier voor inzet. Door de goede sfeer en de korte lijnen in ons ziekenhuis is uw zorg onze zorg. Als lid van het chirurgische team sta ik voor u klaar met alle moderne hulpmiddelen nodig voor adequate, snelle en kundige hulp. Al jaren staan wij dan ook hoog genoteerd in de verschillende ziekenhuislijsten met betrekking tot kwaliteit van zorg.

 

drs. K. Reijnders

Werkzaam in Slingeland sinds: 2007
(BIG 49045619201)

Opleiding geneeskunde (universiteit): Universiteit van Utrecht

  • Artsexamen (jaartal): 1995

Opleiding tot specialist:

  • 1996 - 1998 Arts-assistent chirurgie Twenteborg Ziekenhuis, Almelo
  • 1998 - 2001 Arts-assistent chirurgie Deventer Ziekenhuis, Deventer
  • 2001 - 2002 Research Fellow NIH, Bethesda, Maryland, USA
  • 2002 - 2005 Arts-assistent chirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen. Laatste jaar specialisatie vaatchirurgie.
  • 2005 - 2007 Chirurg in vervolgopleiding tot chirurg oncoloog, Universitair Medisch Centrum Groningen

Aandachtsgebieden:

dikkedarmkanker, borstkanker, huidkanker, schildklierchirurgie, anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie) en algemene chirurgie (lies- en buikwandbreuken, galstenen, blinde darm en andere goedaardige darmziekten)


Even voorstellen

De zorg voor mensen met kanker is veelomvattend, en bij uitstek teamwerk. Deze facetten van de oncologie (=kankerzorg) maken het een uitdagend geheel, waar ik me elke dag volledig en met veel plezier voor inzet. Door de goede sfeer en de korte lijnen in ons ziekenhuis is uw zorg onze zorg. Als lid van het chirurgische team sta ik voor u klaar met alle moderne hulpmiddelen nodig voor adequate, snelle en kundige hulp. Al jaren staan wij dan ook hoog genoteerd in de verschillende ziekenhuislijsten met betrekking tot kwaliteit van zorg.

 

drs. K. Reijnders

Werkzaam in Slingeland sinds: 2007
(BIG 49045619201)

Opleiding geneeskunde (universiteit): Universiteit van Utrecht

  • Artsexamen (jaartal): 1995

Opleiding tot specialist:

  • 1996 - 1998 Arts-assistent chirurgie Twenteborg Ziekenhuis, Almelo
  • 1998 - 2001 Arts-assistent chirurgie Deventer Ziekenhuis, Deventer
  • 2001 - 2002 Research Fellow NIH, Bethesda, Maryland, USA
  • 2002 - 2005 Arts-assistent chirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen. Laatste jaar specialisatie vaatchirurgie.
  • 2005 - 2007 Chirurg in vervolgopleiding tot chirurg oncoloog, Universitair Medisch Centrum Groningen

Aandachtsgebieden:

dikkedarmkanker, borstkanker, huidkanker, schildklierchirurgie, anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie) en algemene chirurgie (lies- en buikwandbreuken, galstenen, blinde darm en andere goedaardige darmziekten)


Even voorstellen

De zorg voor mensen met kanker is veelomvattend, en bij uitstek teamwerk. Deze facetten van de oncologie (=kankerzorg) maken het een uitdagend geheel, waar ik me elke dag volledig en met veel plezier voor inzet. Door de goede sfeer en de korte lijnen in ons ziekenhuis is uw zorg onze zorg. Als lid van het chirurgische team sta ik voor u klaar met alle moderne hulpmiddelen nodig voor adequate, snelle en kundige hulp. Al jaren staan wij dan ook hoog genoteerd in de verschillende ziekenhuislijsten met betrekking tot kwaliteit van zorg.

 

Hamerteen

Een hamerteen is een gebogen teen die niet meer gestrekt kan worden. Het gewricht van de teen staat omhoog en is krom gegroeid.

Oorzaken

Een hamerteen kan ontstaan als gevolg van een andere aandoening aan de voet, zoals een doorgezakte voet.

Klachten

Doordat de teen krom staat, ontstaat er veel wrijving tijdens het lopen. Zo komt er eelt bovenop de teen en bij de nagel. Dit kan pijnklachten geven, vooral bij het dragen van gesloten schoenen.

Diagnose stellen

Om te onderzoeken waar de vervorming zit kan er een röntgenfoto van de voet worden gemaakt.

Behandeling

In sommige gevallen kan een steunzool helpen om de klachten te verminderen, maar in veel gevallen is een operatie (hamerteencorrectie) nodig. De orthopedisch chirurg verwijdert dan een stukje van het kootje van de teen, waardoor de teen weer gestrekt kan worden. Soms wordt het gewricht tijdelijk gespalkt met een metalen pennetje dat er na enkele weken weer uitgehaald wordt.

drs. K.C.A. van Engelenburg

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 2001
(BIG 39029794101)

Opleiding geneeskunde: UMC St. Radboud te Nijmegen

  • Artsexamen: 1990

Opleiding tot specialist:

  • 1992 Arts-assistent Afdeling Heelkunde UMC St. Radboud, Nijmegen
  • 1993 - 1995 Arts-assistent Afdeling chirurgie St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg
  • 1996 - 1998 Arts-assistent Afdeling Heelkunde St. Radboud, Nijmegen
  • 1999 - 2001 Chirurg in vervolgopleiding Longchirurgie Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • dikkedarmkanker
  • borstkanker
  • longkanker
  • schildklierchirurgie
  • anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie).

Even voorstellen

Sinds 2001 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis als chirurg met als aandachtsgebieden de chirurgische oncologie, de longchirurgie en de chirurgische aandoeningen van het maagdarmstelsel.
Mijn belangstelling voor de behandeling van patiënten met een kwaadaardige aandoening is mede ingegeven door het feit, dat deze behandeling meestal plaatsvindt in een multidisciplinair team, waarbij alle betrokken hulpverleners frequent overleg voeren om samen de beste behandeling te kiezen voor elke individuele patiënt. De chirurg-oncoloog vervult binnen dit team vaak een belangrijke rol.
Wij hebben in het Slingeland Ziekenhuis de beschikking over alle moderne middelen met betrekking tot de diagnostiek en de behandeling van de meeste kwaadaardige aandoeningen. Ook het chirurgische team is hooggespecialiseerd in de chirurgische behandelingen van kanker.
Zelf hecht ik er belang aan de menselijke maat daarbij niet uit het oog te verliezen. Gelukkig staat er tegenwoordig een heel team van hulpverleners klaar om patiënten met kanker te begeleiden.
Graag wil ik mij de komende jaren blijven inzetten voor patiënten met kanker en mijn bijdrage leveren aan de gelukkig steeds toenemende kans op genezing.


drs. K.C.A. van Engelenburg

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 2001
(BIG 39029794101)

Opleiding geneeskunde: UMC St. Radboud te Nijmegen

  • Artsexamen: 1990

Opleiding tot specialist:

  • 1992 Arts-assistent Afdeling Heelkunde UMC St. Radboud, Nijmegen
  • 1993 - 1995 Arts-assistent Afdeling chirurgie St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg
  • 1996 - 1998 Arts-assistent Afdeling Heelkunde St. Radboud, Nijmegen
  • 1999 - 2001 Chirurg in vervolgopleiding Longchirurgie Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • dikkedarmkanker
  • borstkanker
  • longkanker
  • schildklierchirurgie
  • anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie).

Even voorstellen

Sinds 2001 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis als chirurg met als aandachtsgebieden de chirurgische oncologie, de longchirurgie en de chirurgische aandoeningen van het maagdarmstelsel.
Mijn belangstelling voor de behandeling van patiënten met een kwaadaardige aandoening is mede ingegeven door het feit, dat deze behandeling meestal plaatsvindt in een multidisciplinair team, waarbij alle betrokken hulpverleners frequent overleg voeren om samen de beste behandeling te kiezen voor elke individuele patiënt. De chirurg-oncoloog vervult binnen dit team vaak een belangrijke rol.
Wij hebben in het Slingeland Ziekenhuis de beschikking over alle moderne middelen met betrekking tot de diagnostiek en de behandeling van de meeste kwaadaardige aandoeningen. Ook het chirurgische team is hooggespecialiseerd in de chirurgische behandelingen van kanker.
Zelf hecht ik er belang aan de menselijke maat daarbij niet uit het oog te verliezen. Gelukkig staat er tegenwoordig een heel team van hulpverleners klaar om patiënten met kanker te begeleiden.
Graag wil ik mij de komende jaren blijven inzetten voor patiënten met kanker en mijn bijdrage leveren aan de gelukkig steeds toenemende kans op genezing.


drs. K.C.A. van Engelenburg

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 2001
(BIG 39029794101)

Opleiding geneeskunde: UMC St. Radboud te Nijmegen

  • Artsexamen: 1990

Opleiding tot specialist:

  • 1992 Arts-assistent Afdeling Heelkunde UMC St. Radboud, Nijmegen
  • 1993 - 1995 Arts-assistent Afdeling chirurgie St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg
  • 1996 - 1998 Arts-assistent Afdeling Heelkunde St. Radboud, Nijmegen
  • 1999 - 2001 Chirurg in vervolgopleiding Longchirurgie Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • dikkedarmkanker
  • borstkanker
  • longkanker
  • schildklierchirurgie
  • anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie).

Even voorstellen

Sinds 2001 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis als chirurg met als aandachtsgebieden de chirurgische oncologie, de longchirurgie en de chirurgische aandoeningen van het maagdarmstelsel.
Mijn belangstelling voor de behandeling van patiënten met een kwaadaardige aandoening is mede ingegeven door het feit, dat deze behandeling meestal plaatsvindt in een multidisciplinair team, waarbij alle betrokken hulpverleners frequent overleg voeren om samen de beste behandeling te kiezen voor elke individuele patiënt. De chirurg-oncoloog vervult binnen dit team vaak een belangrijke rol.
Wij hebben in het Slingeland Ziekenhuis de beschikking over alle moderne middelen met betrekking tot de diagnostiek en de behandeling van de meeste kwaadaardige aandoeningen. Ook het chirurgische team is hooggespecialiseerd in de chirurgische behandelingen van kanker.
Zelf hecht ik er belang aan de menselijke maat daarbij niet uit het oog te verliezen. Gelukkig staat er tegenwoordig een heel team van hulpverleners klaar om patiënten met kanker te begeleiden.
Graag wil ik mij de komende jaren blijven inzetten voor patiënten met kanker en mijn bijdrage leveren aan de gelukkig steeds toenemende kans op genezing.


drs. K.C.A. van Engelenburg

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 2001
(BIG 39029794101)

Opleiding geneeskunde: UMC St. Radboud te Nijmegen

  • Artsexamen: 1990

Opleiding tot specialist:

  • 1992 Arts-assistent Afdeling Heelkunde UMC St. Radboud, Nijmegen
  • 1993 - 1995 Arts-assistent Afdeling chirurgie St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg
  • 1996 - 1998 Arts-assistent Afdeling Heelkunde St. Radboud, Nijmegen
  • 1999 - 2001 Chirurg in vervolgopleiding Longchirurgie Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • dikkedarmkanker
  • borstkanker
  • longkanker
  • schildklierchirurgie
  • anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie).

Even voorstellen

Sinds 2001 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis als chirurg met als aandachtsgebieden de chirurgische oncologie, de longchirurgie en de chirurgische aandoeningen van het maagdarmstelsel.
Mijn belangstelling voor de behandeling van patiënten met een kwaadaardige aandoening is mede ingegeven door het feit, dat deze behandeling meestal plaatsvindt in een multidisciplinair team, waarbij alle betrokken hulpverleners frequent overleg voeren om samen de beste behandeling te kiezen voor elke individuele patiënt. De chirurg-oncoloog vervult binnen dit team vaak een belangrijke rol.
Wij hebben in het Slingeland Ziekenhuis de beschikking over alle moderne middelen met betrekking tot de diagnostiek en de behandeling van de meeste kwaadaardige aandoeningen. Ook het chirurgische team is hooggespecialiseerd in de chirurgische behandelingen van kanker.
Zelf hecht ik er belang aan de menselijke maat daarbij niet uit het oog te verliezen. Gelukkig staat er tegenwoordig een heel team van hulpverleners klaar om patiënten met kanker te begeleiden.
Graag wil ik mij de komende jaren blijven inzetten voor patiënten met kanker en mijn bijdrage leveren aan de gelukkig steeds toenemende kans op genezing.


drs. K.C.A. van Engelenburg

Werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds: 2001
(BIG 39029794101)

Opleiding geneeskunde: UMC St. Radboud te Nijmegen

  • Artsexamen: 1990

Opleiding tot specialist:

  • 1992 Arts-assistent Afdeling Heelkunde UMC St. Radboud, Nijmegen
  • 1993 - 1995 Arts-assistent Afdeling chirurgie St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg
  • 1996 - 1998 Arts-assistent Afdeling Heelkunde St. Radboud, Nijmegen
  • 1999 - 2001 Chirurg in vervolgopleiding Longchirurgie Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen

Aandachtsgebieden:

  • dikkedarmkanker
  • borstkanker
  • longkanker
  • schildklierchirurgie
  • anale problematiek (fistels, fissuren, aambeien, incontinentie).

Even voorstellen

Sinds 2001 ben ik werkzaam in het Slingeland Ziekenhuis als chirurg met als aandachtsgebieden de chirurgische oncologie, de longchirurgie en de chirurgische aandoeningen van het maagdarmstelsel.
Mijn belangstelling voor de behandeling van patiënten met een kwaadaardige aandoening is mede ingegeven door het feit, dat deze behandeling meestal plaatsvindt in een multidisciplinair team, waarbij alle betrokken hulpverleners frequent overleg voeren om samen de beste behandeling te kiezen voor elke individuele patiënt. De chirurg-oncoloog vervult binnen dit team vaak een belangrijke rol.
Wij hebben in het Slingeland Ziekenhuis de beschikking over alle moderne middelen met betrekking tot de diagnostiek en de behandeling van de meeste kwaadaardige aandoeningen. Ook het chirurgische team is hooggespecialiseerd in de chirurgische behandelingen van kanker.
Zelf hecht ik er belang aan de menselijke maat daarbij niet uit het oog te verliezen. Gelukkig staat er tegenwoordig een heel team van hulpverleners klaar om patiënten met kanker te begeleiden.
Graag wil ik mij de komende jaren blijven inzetten voor patiënten met kanker en mijn bijdrage leveren aan de gelukkig steeds toenemende kans op genezing.


Artrose van de heup

Röntgenfoto van de heupen. Links in beeld een gezonde heup, rechts artrose.Artrose is een aandoening waarbij het kraakbeen in de gewrichten beschadigd is. Bij artrose in de heup (coxartrose) slijt het kraakbeen in het heupgewricht. Het kraakbeen zorgt ervoor dat de botten in het heupgewricht soepel kunnen bewegen. Als het kraakbeen slijt, schuren de botten langs elkaar en ontstaan er pijnklachten.
Artrose is de meest voorkomende gewrichtsaandoening. In West-Europa heeft 50% van de bevolking artrose aan ten minste één gewricht. Artrose komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen en naarmate men ouder wordt neemt de kans op artrose toe. De verwachting is dat het aantal mensen met artrose de komende jaren flink zal toenemen. Dat komt doordat mensen steeds ouder worden en door de toename van het aantal mensen met overgewicht.

Oorzaken heupslijtage

Bij de meeste vormen van heupslijtage is de oorzaak niet te achterhalen.
Er zijn echter wel enkele oorzaken van artrose te noemen:
  • Door een aangeboren heupaandoening of botbreuk in het verleden, kan de stand van de heup veranderd zijn, waardoor er slijtage van het heupgewricht ontstaat;
  • Door overgewicht kunnen de gewrichten teveel belast worden, waardoor het kraakbeen sneller slijt;
  • Bij sommige mensen ontstaat artrose als gevolg van een langdurige gewrichtsontsteking zoals bij reuma.

Klachten

De meest voorkomende klacht bij artrose is pijn. De pijn wordt vooral gevoeld in de lies en het bovenbeen tot in de knie. De klachten zijn er vooral tijdens belasting van de heup, maar in een later stadium kan er ook in rust pijn ontstaan. Ook startpijn is een veelvoorkomende klacht bij heupartrose. Dat houdt in dat de pijn het hevigste is bij het opstaan, en afneemt na wat beweging. Naast pijn is er ook veel stijfheid in het gewricht, wat het lopen lastiger maakt.
Naarmate de slijtage erger wordt, zullen klachten steeds vaker en heftiger gaan voorkomen. Dit heeft vaak een wisselend beloop. Dat wil zeggen dat ‘goede' dagen worden afgewisseld met ‘slechte' dagen.

Diagnose stellen

Vaak geeft het klachtenpatroon van de patiënt en de uitkomst van het lichamelijk onderzoek genoeg informatie om de diagnose artrose te kunnen stellen. Daarnaast is matige tot ernstige heupslijtage goed zichtbaar op een röntgenfoto.

Behandeling

De conservatieve behandeling van artrose bestaat uit het aanpassen van de belasting van de heup, eventueel begeleid door een fysiotherapeut. Zware inspanningen worden afgeraden, maar lichte belasting zoals bij fietsen is juist wel goed. Daarnaast is er medicatie om de pijn te verlichten. Afhankelijk van de conditie van de patiënt kan er ook een operatie worden gedaan. De operatie bestaat uit het plaatsen van een heupprothese.

Het Slingeland Ziekenhuis organiseert voorlichtingsbijeenkomsten over het plaatsen van een heupprothese.

Anatomie van de heup

Heupgewrichten met bekken. Bron: Nederlandse Orthopedische Vereniging www.zorgvoorbeweging.nl

Heupgewricht, heupkop en heupkom

Het heupgewricht is de verbinding tussen het bovenbeen en het bekken. Het bestaat uit een kop en een kom. De kom wordt gevormd door het bekken. De heupkop zit vast aan het dijbeen en past precies in de heupkom. Beide botdelen zijn bedekt met kraakbeen. Dat is een gladde elastische laag, die schokken en stoten opvangt, zodat de heup soepel kan bewegen. In grote gewrichten, zoals de heup, kan het kraakbeen tot 6 mm dik worden.
Het heupgewricht is een kogelgewricht. Kogelgewrichten zijn erg flexibel. Het bovenbeen kan ten opzichte van het bekken in bijna alle richtingen bewegen.

Gewrichtsbanden

Om de botten van het gewricht zitten gewrichtsbanden. Deze banden worden ook wel ligamenten genoemd. In het heupgewricht zitten vijf gewrichtsbanden, die zijn opgebouwd uit bindweefsel. Bindweefsel is bedoeld om stevigheid te geven aan gewrichten. De gewrichtsbanden zorgen voor stevigheid en voor de bloedtoevoer.

Spieren

Om de gewrichtsbanden zitten spieren en pezen. Spieren zorgen voor de beweging van het been, pezen zorgen voor de aanhechting van de spieren aan het bot. Er zijn spieren die zorgen voor het strekken van het been, deze lopen aan de voorkant van het bovenbeen naar de knie. Aan de binnenkant van het bovenbeen liggen spieren die zorgen dat de benen naar elkaar toe kunnen bewegen. Aan de achterkant van het been lopen de hamstrings, die zorgen voor het buigen van het been. Enkele kleine spieren tussen het bekken en de heup spelen een rol bij het stabiliseren van de heup.

Anatomie van de heup

Heupgewrichten met bekken. Bron: Nederlandse Orthopedische Vereniging www.zorgvoorbeweging.nl

Heupgewricht, heupkop en heupkom

Het heupgewricht is de verbinding tussen het bovenbeen en het bekken. Het bestaat uit een kop en een kom. De kom wordt gevormd door het bekken. De heupkop zit vast aan het dijbeen en past precies in de heupkom. Beide botdelen zijn bedekt met kraakbeen. Dat is een gladde elastische laag, die schokken en stoten opvangt, zodat de heup soepel kan bewegen. In grote gewrichten, zoals de heup, kan het kraakbeen tot 6 mm dik worden.
Het heupgewricht is een kogelgewricht. Kogelgewrichten zijn erg flexibel. Het bovenbeen kan ten opzichte van het bekken in bijna alle richtingen bewegen.

Gewrichtsbanden

Om de botten van het gewricht zitten gewrichtsbanden. Deze banden worden ook wel ligamenten genoemd. In het heupgewricht zitten vijf gewrichtsbanden, die zijn opgebouwd uit bindweefsel. Bindweefsel is bedoeld om stevigheid te geven aan gewrichten. De gewrichtsbanden zorgen voor stevigheid en voor de bloedtoevoer.

Spieren

Om de gewrichtsbanden zitten spieren en pezen. Spieren zorgen voor de beweging van het been, pezen zorgen voor de aanhechting van de spieren aan het bot. Er zijn spieren die zorgen voor het strekken van het been, deze lopen aan de voorkant van het bovenbeen naar de knie. Aan de binnenkant van het bovenbeen liggen spieren die zorgen dat de benen naar elkaar toe kunnen bewegen. Aan de achterkant van het been lopen de hamstrings, die zorgen voor het buigen van het been. Enkele kleine spieren tussen het bekken en de heup spelen een rol bij het stabiliseren van de heup.

Avasculaire kopnecrose

Alle organen en weefsels in het lichaam zijn afhankelijk van bloedvaten waardoor zuurstof en voedingsstoffen vervoerd worden. Bij de meeste weefsels komen er meerdere bloedvaten uit diverse richtingen het weefsel binnen. Als er dan een bloedvat beschadigd wordt, kunnen andere bloedvaten de taak overnemen. Botten hebben bloed nodig om beschadigde botcellen te kunnen herstellen. Sommige botten en gewrichten in het lichaam hebben maar een beperkte bloedvoorziening, en één daarvan is de heup.

Bloedvoorziening naar de heup

Als de bloedvoorziening van de heup tekortschiet, kan het bot zich niet meer herstellen en sterft het bot af. Dat noemen we avasculaire necrose. Als er een avasculaire necrose ontstaat in de heupkop, wordt het bot zwakker en wordt de bolle vorm van de heupkop afgeplat. De kop past dan niet meer mooi in de heupkom, waardoor de botten niet soepel kunnen bewegen. Bij de vergevorderde vorm van avasculaire kopnecrose sterft de heupkop helemaal af.

Oorzaken

Avasculaire necrose ontstaat als de bloedtoevoer naar de heup niet meer goed werkt, doordat de bloedvaten beschadigd zijn. Dit kan meerdere oorzaken hebben:
  • De bloedvaten kunnen beschadigd zijn door een gebroken heup;
  • Langdurig gebruik van sommige medicijnen, zoals cortisonen, kan bloedvaten beschadigen;
  • Er is een verband tussen avasculaire kopnecrose en overmatig alcoholgebruik.

Klachten

De eerste klacht van avasculaire necrose is pijn bij het steunen op de aangedane heup. Deze pijn kan gevoeld worden in de bilstreek, in de lies en uitstralend naar voren over het bovenbeen. Naarmate de klachten erger worden, zal de heup ook stijver worden en wordt het lopen moeilijker. De pijn neemt dan ook langzamerhand toe en wordt niet alleen bij het lopen gevoeld, maar ook bij rust en ‘s nachts.

Diagnose stellen

Avasculaire necrose kan worden vastgesteld door een onderzoek naar het looppatroon en de beweeglijkheid van het heupgewricht. Ook wordt er rekening gehouden met andere ziekten en met het medicijngebruik van de patiënt. Om de diagnose definitief te stellen maakt de orthopeed gebruik van röntgenfoto's en eventueel MRI-onderzoek.

Behandeling

De behandeling van avasculaire kopnecrose bestaat uit het plaatsen van een totale heupprothese.

Heupdysplasie

Heupdysplasie is een aangeboren afwijking aan het heupgewricht. De heupkop past niet goed in de heupkom, omdat de kom niet diep genoeg is. Een andere vorm van een aangeboren afwijking is de heupluxatie. Hierbij zit de kop niet in de kom maar is uit de kom naar boven verplaatst en kan niet terug in de kom.
Heupdysplasie is een van de meest voorkomende aangeboren afwijkingen. Het komt voor bij ongeveer 2% van de baby's, vaker bij meisjes dan bij jongens.

Oorzaken

Er zijn meerdere oorzaken voor heupdysplasie. Toch is er niet bij iedereen een duidelijke oorzaak te noemen. Soms gaat het om een erfelijke afwijking. Bij baby's van wie één van de ouders, broertjes of zusjes heupdysplasie heeft, is de kans op een afwijking groter. Ook de ligging van de baby tijdens de zwangerschap kan een rol spelen: bij baby's in een stuitligging komt heupdysplasie vaker voor.

Klachten

Voor een baby is heupdysplasie niet pijnlijk, maar als de aandoening niet wordt behandeld, kan er op latere leeftijd heupartrose ontstaan. Baby's worden direct na de geboorte en later ook bij het consultatiebureau onderzocht. Als de arts vermoedt dat de baby een heupafwijking heeft, wordt er verder onderzoek gedaan.

Diagnose stellen

Het is belangrijk om heupdysplasie op tijd te ontdekken en te behandelen, om toekomstige gewrichtsproblemen te voorkomen. Om heupafwijkingen vast te stellen wordt er een echo gemaakt. Indien op de echo een heupdysplasie zichtbaar is, wordt op een leeftijd van ongeveer drie maanden een röntgenfoto gemaakt. Als blijkt dat de heupkop zo ver uit de kom is, dat die niet gemakkelijk kan worden teruggezet, maakt de radioloog een artrogram. Soms zit er weefsel tussen de heupkop en de kom, waardoor de kop niet terug in de kom geplaatst kan worden. Met een röntgencontrastonderzoek wordt onderzocht of er weefsel aanwezig is.

Behandeling

Als heupdysplasie op tijd wordt behandeld, is er bijna altijd een goed resultaat. Vrijwel alle kinderen ontwikkelen dan een gezond heupgewricht. Door de behandeling worden gewrichtsproblemen in de toekomst voorkomen. Soms bestaat de behandeling alleen uit het dragen van een spreidbroek. Wanneer deze behandeling niet lukt of wanneer de heup uit de kom is, wordt na het röntgencontrastonderzoek een gipsbroek aangelegd op de operatiekamer. Als de heupkop niet meer terug in de kom te plaatsen is, kan een heupoperatie nodig zijn.

Tractiebehandeling

Een tractiebehandeling wordt geadviseerd bij kinderen bij wie de heup uit de kom is geraakt (heupluxatie). Dit is een pijnloze behandeling, om de heup weer terug in de kom te plaatsen. De spieren en de pezen in de heup worden met gewichtjes voorzichtig opgerekt, zodat na enkele weken de heupkop weer soepel in de heupkom kan glijden.

Tractiekind in tractie

Bij een tractiebehandeling ligt het kind op bed met de beentjes in de lucht. Er wordt met gewichtjes aan de benen getrokken, waardoor de spieren en pezen langzaam opgerekt worden. Dit gebeurt eerst in de lengterichting. Na enkele dagen wordt de beentjes langzaam uit elkaar bewogen tot ze helemaal gespreid zijn. Zo komt de heupkop in de goede positie in de kom te staan.

Artrogram en gipsbroek

Na de tractiebehandeling wordt een artrogram gemaakt om te controleren of de heup goed in de kom zit. Daarna wordt een gipsbroek aangelegd. Het artrogram en het aanleggen van de gipsbroek wordt op de operatiekamer gedaan, waarbij het kind onder volledige narcose is. Door de gipsbroek kan het kind de beentjes niet bewegen, maar het doet geen pijn. Het dragen van de gipsbroek duurt zes weken tot drie maanden.

Alternatieve behandeling

Bij sommige kinderen wordt gekozen voor een spreidbroek in plaats van een tractiebehandeling. Dit hangt af van de ernst van de aandoening en de leeftijd van het kind. Ongeveer 95 procent van de kinderen met heupluxatie kan succesvol worden behandeld zonder operatie. Als de spreidbroek en/of een tractiebehandeling onvoldoende resultaat opleveren, dan kan er een operatie plaatsvinden. Kinderen die toch een operatie ondergaan, dragen daarna ook nog een gipsbroek.

Afspraak maken

Polikliniek Orthopedie

Wij plannen graag een afspraak voor u bij één van onze orthopeden. Een afspraak op de polikliniek Orthopedie maakt u via Mijn Slingeland, telefonisch of aan de balie bij het secretariaat. De polikliniek is op werkdagen bereikbaar van 8.30 tot 17.00 uur via telefoonnummer (0314) 32 96 18.

Verhinderd

Mocht u voor een afspraak verhinderd zijn, dan verzoeken wij u vriendelijk om dit tijdig door te geven via telefoonnummer (0314) 32 96 18. Een andere patiënt kan dan uw plaats innemen.

Afsprakenkaart en verwijsbrief

Bij het bezoek aan de polikliniek heeft u een afsprakenkaartje voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
Verder is het handig voor de orthopeed als u de verwijsbrief van uw arts meebrengt.

MRSA

Als u of een gezinslid van u beroepsmatig in contact komt met levende varkens of vleeskalveren, wilt u dit dan melden bij het maken van een afspraak? Dit in verband met maatregelen tegen de MRSA-bacterie.



Op alle diensten van het Slingeland Ziekenhuis en daaraan verbonden vrijgevestigde medisch specialisten zijn algemene betalingsvoorwaarden van toepassing. De betalingsvoorwaarden zijn verkrijgbaar bij Bureau Patiëntenvoorlichting.

Afspraak maken

Polikliniek Orthopedie

Wij plannen graag een afspraak voor u bij één van onze orthopeden. Een afspraak op de polikliniek Orthopedie maakt u via Mijn Slingeland, telefonisch of aan de balie bij het secretariaat. De polikliniek is op werkdagen bereikbaar van 8.30 tot 17.00 uur via telefoonnummer (0314) 32 96 18.

Verhinderd

Mocht u voor een afspraak verhinderd zijn, dan verzoeken wij u vriendelijk om dit tijdig door te geven via telefoonnummer (0314) 32 96 18. Een andere patiënt kan dan uw plaats innemen.

Afsprakenkaart en verwijsbrief

Bij het bezoek aan de polikliniek heeft u een afsprakenkaartje voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 
Verder is het handig voor de orthopeed als u de verwijsbrief van uw arts meebrengt.

MRSA

Als u of een gezinslid van u beroepsmatig in contact komt met levende varkens of vleeskalveren, wilt u dit dan melden bij het maken van een afspraak? Dit in verband met maatregelen tegen de MRSA-bacterie.



Op alle diensten van het Slingeland Ziekenhuis en daaraan verbonden vrijgevestigde medisch specialisten zijn algemene betalingsvoorwaarden van toepassing. De betalingsvoorwaarden zijn verkrijgbaar bij Bureau Patiëntenvoorlichting.

Spreidbroek

Een spreidbroek is een hulpmiddel bij de behandeling van heupdysplasie, een aangeboren heupafwijking bij kinderen. Bij heupdysplasie zit de heupkop wel op de juiste plaats in de heupkom, maar de kom - en soms ook de kop - is onvoldoende ontwikkeld. Wanneer een heupdysplasie vroeg wordt ontdekt, is de aandoening goed te behandelen.

Behandeling met een spreidbroek

De behandeling van de heupdyplasie bestaat uit het spreiden van de beentjes waardoor de heupkop optimaal in de kom wordt geplaatst. Door deze positie ontwikkelt de heupkom zich in de meeste gevallen goed. De beentjes worden gespreid gehouden door de spreidbroek, dit is een kunststof broek met een beugel die de beentjes uit elkaar houdt.
De spreidbroek moet 23 uur per dag gedragen worden. Alleen tijdens het wassen of omkleden mag de beugel even af. De behandeling met een spreidbeugel doet geen pijn en remt het kind niet in de ontwikkeling.

Alternatieve behandelingen

Gipsbroek

Voor sommige kinderen is het nodig na de spreidbroek ook nog enkele weken een gipsbroek te dragen. Het gips zorgt ervoor dat de heupkop in de kom blijft. Voorafgaand aan het aanleggen van de gipsbroek wordt een artrogram gemaakt om te controleren of de heup goed in de kom zit. Het röntgencontrastonderzoek en het aanleggen van de gipsbroek wordt op de operatiekamer gedaan, waarbij het kind onder volledige narcose is. Het dragen van de gipsbroek duurt zes weken tot drie maanden.

Tractiebehandeling

Als er onvoldoende resultaat behaald is met de spreidbroek of de gipsbroek, is een tractiebehandeling mogelijk. Bijna alle kinderen hebben daarna een gezond heupgewricht. Slechts bij enkele kinderen is daarna nog een operatie nodig.

Anatomie van de schouder

De schouder vormt de verbinding tussen de bovenarm en het lichaam. In de schouder zitten twee gewrichten.

Glenohumerale gewricht

Het glenohumerale gewricht zit tussen het schouderblad en de bovenarm en zorgt dat de bovenarm kan bewegen in de schouderkom. Het gewricht bestaat uit twee botten; de kom die in het schouderblad zit, en de kop van het opperarmbeen. Op beide botten zit kraakbeen, een gladde en elastische laag die functioneert als schokdemper en ervoor zorgt dat de schouder soepel kan bewegen. Dit gewricht is net als de heup een kogelgewricht. In dit gewricht is de kom veel kleiner dan de kop. Hierdoor is de bovenarm gemakkelijk in bijna alle richtingen te bewegen.

AC-gewricht

Het tweede gewricht in de schouder is het AC-gewricht. Dit zit tussen het schouderblad en het sleutelbeen en zorgt dat de schouder kan bewegen ten opzichte van de rug.

Spieren en pezen

Omdat de kop van de bovenarm groter is dan de kom in het schouderblad is het schoudergewricht erg flexibel, maar bestaat er ook gevaar dat de bovenarm uit de kom schiet (schouderluxatie). Om de schouder te verstevigen zit er een ring van kraakbeen om de kom (labrum) en een gewrichtskapsel van bindweefsel. Hier omheen zitten de spieren.
De beweging in het schoudergewricht is afhankelijk van een groep van 4 spieren (rotatoren). Deze spieren worden door pezen verbonden aan het bot. Het gewrichtskapsel, de spieren en de pezen vormen samen de cuff, een beschermlaag voor het gewricht. Op de plekken waar wrijving kan ontstaan tijdens het bewegen van de arm, zitten slijmbeurzen. Dit zijn holtes met een stroperige vloeistof, die ervoor zorgt dat de gewrichten soepel kunnen bewegen. De belangrijkste slijmbeurzen in de schouders zitten tussen het schouderblad en de bovenarm.
Aan de schouder kunnen klachten ontstaan als gevolg van overbelasting, artrose, of door een ongeval.

Anatomie van de schouder

De schouder vormt de verbinding tussen de bovenarm en het lichaam. In de schouder zitten twee gewrichten.

Glenohumerale gewricht

Het glenohumerale gewricht zit tussen het schouderblad en de bovenarm en zorgt dat de bovenarm kan bewegen in de schouderkom. Het gewricht bestaat uit twee botten; de kom die in het schouderblad zit, en de kop van het opperarmbeen. Op beide botten zit kraakbeen, een gladde en elastische laag die functioneert als schokdemper en ervoor zorgt dat de schouder soepel kan bewegen. Dit gewricht is net als de heup een kogelgewricht. In dit gewricht is de kom veel kleiner dan de kop. Hierdoor is de bovenarm gemakkelijk in bijna alle richtingen te bewegen.

AC-gewricht

Het tweede gewricht in de schouder is het AC-gewricht. Dit zit tussen het schouderblad en het sleutelbeen en zorgt dat de schouder kan bewegen ten opzichte van de rug.

Spieren en pezen

Omdat de kop van de bovenarm groter is dan de kom in het schouderblad is het schoudergewricht erg flexibel, maar bestaat er ook gevaar dat de bovenarm uit de kom schiet (schouderluxatie). Om de schouder te verstevigen zit er een ring van kraakbeen om de kom (labrum) en een gewrichtskapsel van bindweefsel. Hier omheen zitten de spieren.
De beweging in het schoudergewricht is afhankelijk van een groep van 4 spieren (rotatoren). Deze spieren worden door pezen verbonden aan het bot. Het gewrichtskapsel, de spieren en de pezen vormen samen de cuff, een beschermlaag voor het gewricht. Op de plekken waar wrijving kan ontstaan tijdens het bewegen van de arm, zitten slijmbeurzen. Dit zijn holtes met een stroperige vloeistof, die ervoor zorgt dat de gewrichten soepel kunnen bewegen. De belangrijkste slijmbeurzen in de schouders zitten tussen het schouderblad en de bovenarm.
Aan de schouder kunnen klachten ontstaan als gevolg van overbelasting, artrose, of door een ongeval.

Anatomie van de voet

Een voet bestaat uit drie delen: de tenen, de middenvoet en de voetwortel. De tenen hebben allemaal drie kootjes, alleen de grote teen heeft er twee. In de middenvoet zitten vijf beenderen, en in de voetwortel zeven. In de voetwortel bevindt zich het sprongbeen (talus). Dit bot is de basis van het enkelgewricht en past precies in de ‘kom', die het scheenbeen en kuitbeen vormen. Op de botten van het enkelgewricht en de voet zit kraakbeen, een elastische laag die werkt als schokdemper en die zorgt dat de voet en de enkel soepel kunnen bewegen. Ter hoogte van de middenvoetsbeenderen zit de voetboog. De voetboog is het deel van de voet dat de grond niet raakt, bij een staande houding.
Door afwijkingen aan de botstructuur kunnen pijn of vermoeidheidsklachten ontstaan. Ook kan de voet op bepaalde plekken overbelast worden, waardoor drukplekken kunnen ontstaan.

Gewrichtsbanden

De stevigheid van de voet wordt niet alleen bepaald door de botten, maar vooral door de gewrichtsbanden. Deze bestaan uit bindweefsel, dat ervoor zorgt dat de voet stabiel is en dat de botten op hun plek blijven zitten.
Aan de voeten en enkels kunnen klachten ontstaan als gevolg van artrose, overbelasting, of een ongeval.

Anatomie van de voet. Bron: Nederlandse Orthopaedische Vereniging www.zorgvoorbeweging.nl

Anatomie van de voet

Een voet bestaat uit drie delen: de tenen, de middenvoet en de voetwortel. De tenen hebben allemaal drie kootjes, alleen de grote teen heeft er twee. In de middenvoet zitten vijf beenderen, en in de voetwortel zeven. In de voetwortel bevindt zich het sprongbeen (talus). Dit bot is de basis van het enkelgewricht en past precies in de ‘kom', die het scheenbeen en kuitbeen vormen. Op de botten van het enkelgewricht en de voet zit kraakbeen, een elastische laag die werkt als schokdemper en die zorgt dat de voet en de enkel soepel kunnen bewegen. Ter hoogte van de middenvoetsbeenderen zit de voetboog. De voetboog is het deel van de voet dat de grond niet raakt, bij een staande houding.
Door afwijkingen aan de botstructuur kunnen pijn of vermoeidheidsklachten ontstaan. Ook kan de voet op bepaalde plekken overbelast worden, waardoor drukplekken kunnen ontstaan.

Gewrichtsbanden

De stevigheid van de voet wordt niet alleen bepaald door de botten, maar vooral door de gewrichtsbanden. Deze bestaan uit bindweefsel, dat ervoor zorgt dat de voet stabiel is en dat de botten op hun plek blijven zitten.
Aan de voeten en enkels kunnen klachten ontstaan als gevolg van artrose, overbelasting, of een ongeval.

Anatomie van de voet. Bron: Nederlandse Orthopaedische Vereniging www.zorgvoorbeweging.nl

Artrose van de knie

Artrose is een aandoening waarbij het kraakbeen in de gewrichten beschadigd is. Bij artrose in de knie (gonartrose), slijt het kraakbeen in het kniegewricht. Het kraakbeen zorgt ervoor dat de botten in het kniegewricht soepel kunnen bewegen. Als het kraakbeen slijt, schuren de botten langs elkaar en ontstaan er pijnklachten.
Artrose van de knie. Links een gezonde knie, rechts een knie met versleten kraakbeen: de botten drukken tegen elkaar waar het kraakbeen is verdwenen.
Artrose is de meest voorkomende gewrichtsaandoening. In West-Europa heeft 50% van de bevolking artrose aan ten minste één gewricht. Artrose komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen en naarmate men ouder wordt neemt de kans op artrose toe. De verwachting is dat het aantal mensen met artrose de komende jaren flink zal toenemen. Dat komt doordat mensen steeds ouder worden en door de toename van het aantal mensen met overgewicht.

Oorzaken van knieslijtage

Bij de meeste vormen van knieslijtage is de oorzaak niet te achterhalen. Er zijn echter wel enkele oorzaken van artrose te noemen:
  • Door letsel aan de knie in het verleden (bijvoorbeeld aan de kruisband of de meniscus), kan het gewricht beschadigd zijn, waardoor er slijtage van het kniegewricht ontstaat;
  • Door overgewicht kunnen de gewrichten teveel belast worden, waardoor het kraakbeen sneller slijt;
  • Bij sommige mensen ontstaat artrose als gevolg van een langdurige gewrichtsontsteking zoals bij reuma.

Klachten

Patiënten met artrose hebben veel last van pijn. De pijn wordt vooral gevoeld tijdens het staan of lopen, maar in een later stadium kan er ook tijdens rust pijn ontstaan. Ook startpijn is een veelvoorkomende klacht bij artrose. Dat houdt in dat de pijn het hevigste is bij het opstaan, en weer afneemt na wat beweging. Naast pijn is er vaak ook veel stijfheid in het gewricht, wat het lopen lastiger maakt.
Naarmate de slijtage aan de knie erger wordt, zullen klachten steeds vaker en heviger gaan voorkomen. Dit heeft vaak een wisselend beloop. Dat wil zeggen dat ‘goede' dagen worden afgewisseld met ‘slechte' dagen.
Artrose ontstaat soms maar aan één kant van het kniegewricht. Hierdoor kan door artrose in de knie uiteindelijk een afwijkende stand van het been ontstaan.

Diagnose stellen

Om artrose te kunnen vaststellen voert de arts een lichamelijk onderzoek uit. In combinatie met het klachtenpatroon geeft dit vaak al genoeg informatie om de diagnose te stellen. Daarnaast is knieslijtage zichtbaar op een röntgenfoto.

Behandeling

De conservatieve (niet-operatieve) behandeling van artrose bestaat uit het aanpassen van de belasting van de knie, spierversterkende oefeningen eventueel begeleid door een fysiotherapeut. Zware inspanningen worden afgeraden, maar lichte belasting, zoals bij fietsen, is juist wel goed voor de knie. Daarnaast is er medicatie om de pijn te verlichten.
Voor patiënten met een goede conditie, is een operatie ook een mogelijkheid.  De operatie bestaat uit een standscorrectie of het plaatsen van een knieprothese.

Het Slingeland Ziekenhuis organiseert voorlichtingsbijeenkomsten over het plaatsen van een knieprothese.

Hallux valgus

Hallux valgus is een gewrichtsaandoening aan de voet. De grote teen staat scheef richting de kleinere tenen, waardoor er aan de zijkant van de voet een knobbel ontstaat. Het is een aandoening die vooral voorkomt bij oudere mensen. Bij kinderen met hallux valgus is er vaak sprake van een aangeboren afwijking.

Röntgenfoto van een hallux valgus (scheefstand van de grote teen)Oorzaken

Een hallux valgus ontstaat meestal door een doorgezakte voet (platvoet). Soms is het een gevolg van het dragen van slecht passende schoenen. Sommige mensen krijgen hallux valgus doordat ze ook een andere afwijking in de voet hebben. Ook kan het een aandoening zijn, die in de familie voorkomt.

Klachten

Meestal geeft een hallux valgus geen klachten. Als er pijnklachten ontstaan, is dit meestal aan de binnenkant van de voet, of aan de grote teen. Doordat de teen scheef staat, ontstaat er een verdikking aan de zijkant van de voet. Wrijving in de schoen zorgt dat de verdikking rood en pijnlijk wordt en zelfs kan ontsteken. Ook kan de tweede teen pijnlijk worden, doordat deze klem komt te zitten. Soms ontstaat dan een hamerteen. Voor mensen met hallux valgus wordt het steeds lastiger om goed passende schoenen te vinden, die pijnloos gedragen kunnen worden.

Diagnose stellen

De diagnose wordt gesteld door middel van lichamelijk onderzoek, aangevuld met een röntgenfoto. Hiermee kan gemeten worden hoe ernstig de scheefstand is en of er eventueel sprake is van slijtage van de gewrichten in de voet.

Behandeling

Een hallux valgus kan zowel conservatief (zonder operatie) als operatief worden behandeld.
Om de pijn te verlichten en de belasting van de voet te verbeteren, is het belangrijk goede schoenen te kopen (geen extreem hoge hakken, ruim aan de voorvoet) en eventueel steunzolen te laten aanmeten. Een behandeling met een spalk die patiënten 's nachts moeten dragen is een ook optie.
Als de conservatieve behandelingen niet voldoende resultaat opleveren, is het mogelijk om de stand van de grote teen operatief te corrigeren. Er zijn drie mogelijkheden:

Knieprothese

Illustratie van positie Knieprothese in de bestaande knie. Bestaande uit metalen dijbeencomponent en scheenbeencomponent en daartussen een kunststof knieschijf.Het aanbrengen van een knieprothese is een effectieve behandeling voor mensen die een versleten knie hebben. Doordat het kraakbeen in de knie slijt (artrose), bewegen de botten in het kniegewricht direct tegen elkaar. Dit veroorzaakt veel pijn, vooral bij lopen, traplopen en staan. Daarnaast zit er vaak vocht in de knie en is de knie stijf.
Als de slijtage aan de knie steeds erger wordt en de klachten toenemen, is een operatie vaak de enige oplossing. Het kniegewricht wordt vervangen door een prothese (kunstgewricht). Het vervangen van (een deel van) het kniegewricht door een knieprothese is een veelvoorkomende operatie. De pijn zal sterk verminderen of helemaal verdwijnen. Lopen zal een stuk makkelijker gaan en de knie is gemakkelijker te bewegen.
Bij veel patiënten met artrose zit de slijtage vooral aan de binnenkant van de knie en is het kraakbeen aan de buitenkant van de knie nog goed. Het is dan mogelijk om een halve knieprothese (hemiprothese) te plaatsen. Voordelen van een hemiprothese zijn dat er meer weefsel behouden kan blijven en dat de revalidatie korter duurt. Een voorwaarde voor het plaatsen van een halve knieprothese is een intacte voorste kruisband en geen slijtage aan de buitenzijde van de knie.
Bij sommige patiënten is de knieschijf ook deels versleten. Dan wordt soms ook een deel van de knieschijf vervangen door een prothese.

De knieprothese

Een knieprothese bestaat uit twee metalen delen. Een deel wordt aan het dijbeen (bovenbeen) vastgemaakt en een deel aan het scheenbeen (onderbeen). Tussen de twee delen zit een kunststof schijf die er voor zorgt dat het gewricht soepel kan buigen en strekken.

Röntgenfoto's van knieprotheses waarop de metalen componenten goed zichtbaar zijn.

Alternatieve behandelingen

Bij lichte slijtage aan de knie kunnen pijnstilling en fysiotherapie effectief zijn. De patiënt mag de knie dan minder belasten en krijgt oefeningen om de beenspieren te versterken. Ook pijnstilling middels tabletten (paracetamol, middelen als diclofenac etc) of een corticosteroiden infiltratie in de knie behoren tot de mogelijkheden. Als de slijtage erger wordt en de klachten toe nemen, kan voor een operatie gekozen worden.

Voorlichtingsbijeenkomst

Er is een voorlichtingsbijeenkomst voor mensen die in aanmerking komen voor een knieoperatie en voor hun partner. Tijdens deze bijeenkomst krijgen patiënten uitgebreide informatie van de orthopeed, de orthopedie-verpleegkundige en de fysiotherapeut. De operatie en de revalidatie komen uitgebreid aan bod.

De operatie

plaatsing totale knieprothese: het versleten kniegewricht, het bot wordt passend gemaakt en het kunstgewricht wordt geplaatst.Het plaatsen van een knieprothese duurt ongeveer anderhalf uur. Tijdens en na de operatie wordt via een infuus antibiotica toegediend om infecties te voorkomen.
De knie wordt aan de voorkant opengemaakt met een spiersparende huidsnede. De beschadiging van spieren blijft zo beperkt, waardoor de revalidatie sneller gaat. De orthopedisch chirurg verwijdert de beschadigde delen van het dijbeen en scheenbeen. Daarna worden de botten passend gemaakt op de vorm van de prothese.
De prothese wordt in het dijbeen en het scheenbeen vastgemaakt met botcement. Door dit cement zit de prothese direct goed vast. Bij sommige patiënten is de knieschijf ook deels versleten. Dan wordt ook een deel van de knieschijf vervangen door een prothese.
Na afloop wordt de wond gehecht met een draad die onder de huid ligt, alleen de knoopjes zijn aan de buitenkant zichtbaar en vallen na 2-3 weken van de huid

Mogelijke complicaties

Bloeduitstorting en vochtophoping

Bij de meeste patiënten ontstaat een bloeduitstorting in het operatiegebied. Het been kan na enkele dagen ook dikker worden door vochtophoping. Overdag moeten patiënten een elastisch kous dragen om vochtophoping zoveel mogelijk te beperken.

Trombose en embolie

Omdat na een knieoperatie het been minder gebruikt wordt, en patiënten meer zitten en/of liggen, is er een verhoogde kans op trombose of embolie. Om dit te voorkomen krijgt u dagelijks tot 5 weken na de operatie tabletten met bloedverdunnende middelen.

Doorliggen (decubitus)

Doorliggen veroorzaakt een beschadiging van de huid of het onderliggende weefsel, wat vooral ontstaat bij patiënten die veel liggen. Het ontstaat door voortdurende druk op de huid en door schuiven in bed. Om dit te voorkomen dient u voldoende en gevarieerd te eten en oefeningen te doen in bed, maar vooral snel uit bed te komen 

Ontsteking of infectie in uw lichaam

Tijdens en na de operatie krijgt u antibiotica via een infuus. Na de operatie of zelfs jaren later kan er een ontsteking ontstaan in de knie. Als de knie warm aanvoelt of rood wordt, of wanneer er vocht uit de wond lekt, dient u contact op te nemen met de polikliniek Orthopedie. Een infectie is een vervelende complicatie en kan in enkele gevallen leiden tot loslating van de knieprothese. De knieprothese moet dan worden verwijderd en na twee tot zes weken, indien mogelijk, worden vervangen door een nieuwe prothese. Ook bij infecties in andere delen van het lichaam, is het belangrijk tijdig te starten met antibiotica, om een infectie van de prothese te voorkomen.

Loslating prothese

Op de lange duur, tussen de vijftien en twintig jaar, kan een knieprothese los gaan zitten. Contact tussen de kunstknie en het bot of tussen het bot en het botcement waarmee de nieuwe knie is bevestigd, kan verloren gaan. Een nieuwe operatie is dan nodig om de oude knieprothese te verwijderen en indien mogelijk een nieuwe knieprothese te plaatsen.

Ziekenhuischeck

De websie Ziekenhuischeck.nl geeft de kwaliteit en behandelresultaten voor knieslijtage weer van het Slingeland Ziekenhuis. Tevens kunt u de resultaten vergelijken met andere ziekenhuizen.

Fast Track behandelprogramma

In het Slingeland Ziekenhuis is het behandelprogramma 'Fast Track' ingevoerd. Het doel van dit programma is het welbevinden van de patiënt te bevorderen. Dit betekent dat de patiënt na de operatie minder pijn heeft en niet of minder misselijk is. Hierdoor kan de revalidatie beter en eerder plaatsvinden. Op de dag van de operatie, binnen 4 tot 6 uur na de operatie, start de revalidatie onder begeleiding van de fysiotherapeut en de verpleegkundige.
Doordat het revalideren beter en sneller gaat, kan de opnameduur ook korter zijn. 
De patiënt kan meestal op de 2e dag na de operatie al naar huis, mits:
  • de patiënt niet te veel pijnklachten heeft
  • de wond er goed uit ziet
  • de patiënt kan staan en lopen en dit veilig en verantwoord is
Onder begeleiding van de fysiotherapeut gaat de revalidatie thuis verder.
Een goede voorbereiding voor deze ingreep is erg belangrijk. Alle informatie krijgt de patiënt tijdens het bezoek aan de polikliniek mee naar huis. Tevens zijn er voorlichtingsmiddagen, waar de fysiotherapeut, de verpleegkundige en de orthopedisch chirurg u informeren over de benodigde voorbereiding thuis, de opname, de operatie en de revalidatie.

Meer informatie over Fast Track bij heup- en knieoperaties

Blogbericht: Nieuwe aanpak bevordert snel herstel patiënt
Folder: Totale knieprothese

Heupluxatie

Heupluxatie is een aangeboren afwijking van het heupgewricht. De heupkop zit dan niet mooi in de heupkom, maar ernaast.

Oorzaken

Er is een aantal oorzaken van heupluxatie bekend. De ligging van de baby tijdens de zwangerschap kan een rol spelen: bij baby’s in een stuitligging komt heupluxatie vaker voor. Soms gaat het om een erfelijke afwijking. Niet bij alle kinderen met heupluxatie is een duidelijke oorzaak aan te wijzen.

Klachten

Voor een baby is heupluxatie niet pijnlijk, maar als de aandoening niet op tijd wordt behandeld, kan er op latere leeftijd heupartrose ontstaan.

Diagnose stellen

Baby’s worden vlak na de geboorte en bij het consultatiebureau onderzocht op heupafwijkingen. Als de arts vermoedt dat de baby een heupafwijking heeft, wordt er verder onderzoek gedaan. Om een heupluxatie vast te stellen, wordt een artrogram (röntgencontrastfoto) gemaakt. Soms zit er weefsel tussen de heupkop en de heupkom, waardoor de kop niet terug in de kom geplaatst kan worden. Op het artrogram kan de arts zien of er weefsel aanwezig is. Als dit het geval is, kan een operatie nodig zijn.

Behandeling

De behandeling van heupluxatie bestaat uit een tractiebehandeling en het dragen van een gipsbroek. Als dit niet voldoende effect heeft, kan een operatie nodig zijn. Ook als er weefsel tussen de heupkop en heupkom zit, wordt meestal een operatie geadviseerd. Als heupluxatie op tijd wordt behandeld, geeft dat bijna altijd een goed resultaat. Vrijwel alle kinderen ontwikkelen dan een gezond heupgewricht.
 
 
 
 

Totale heupprothese

Het plaatsen van een heupprothese ("een nieuwe heup") is een effectieve behandeling voor mensen met een versleten heup. Doordat het kraakbeen in de heup slijt, bewegen de botten in het heupgewricht direct langs elkaar. Dit veroorzaakt veel pijn, vooral bij lopen, traplopen en staan. Naarmate de slijtage (artrose) erger wordt, nemen de pijnklachten toe en ontstaat er ook in rust pijn.
Ook voor patiënten met een heupfractuur wordt er in sommige gevallen gekozen voor een heupprothese.

Het Slingeland Ziekenhuis organiseert voorlichtingsbijeenkomsten over het plaatsen van een heupprothese.

Heupprothese

Een totale heupprothese is een kunstgewricht dat de kop en de kom van de heup vervangt. Het bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een metalen pen, met een kogelvormig uiteinde. Dit deel komt op de plaats van de versleten heupkop. De heupkom wordt vervangen door een kunststofdeel dat precies om de metalen kop past. Bij normaal gebruik, kan een heupprothese ongeveer 15 tot 20 jaar meegaan. Daarna is het vaak nog mogelijk om de prothese te vervangen.

Röntgenfoto van een heupprothese.

Alternatieve behandelingen

Bij lichte slijtage aan de heup is een operatie vaak niet nodig. Meestal is effectieve behandeling door de fysiotherapeut mogelijk. De patiënt mag de heup dan zo weinig mogelijk belasten en krijgt oefeningen om de heup soepel te houden. Veel lopen of traplopen is dan niet verstandig. Fietsen is juist wel goed.

De operatie

plaatsing totale heupprotheseAls de slijtage aan de heup steeds erger wordt, is een operatie vaak de enige oplossing. Het vervangen van het heupgewricht door een heupprothese is een veelvoorkomende operatie. Mensen met een versleten heup hebben hier baat bij. De pijn vermindert sterk of verdwijnt helemaal. Lopen zal een stuk makkelijker gaan en het been is beter te bewegen.

Tijdens een operatie van het heupgewricht vervangt de orthopedisch chirurg het aangetaste gewricht door een kunstgewricht (een prothese). Om bij het heupgewricht te kunnen komen maakt hij een snee aan de zijkant van het bovenbeen. Vervolgens maakt de orthopedisch chirurg het gewrichtskapsel open om de heupkop uit de kom te kunnen halen. Wanneer dat gebeurd is, wordt de kop verwijderd en de kom schoongemaakt.

De chirurg plaatst de nieuwe heup in het gewricht. In het dijbeen wordt een metalen pin gebracht met daarop een kop. Deze kop past precies in de nieuwe heupkom. De prothese wordt, net als het oude gewricht, op de plaats gehouden door de gewrichtsbanden. Als de kop in de kom is gezet, worden de gewrichtsbanden, de spieren en de huid weer op hun oorspronkelijke plaats gelegd en gehecht.
Er zijn twee typen heupprotheses. Deze verschillen in de manier waarop ze worden vastgemaakt aan het bot. Bij een gecementeerde prothese wordt de prothese met botcement in het bot verankerd. Een voordeel van deze prothese is dat de heup na de operatie meteen volledig kan worden belast.

Bij een ongecementeerde prothese maakt de chirurg gebruik van een ingroeiprothese. Deze prothese is gemaakt van titanium en kunststof. Titanium heeft de eigenschap dat het stevig in bot kan vastgroeien. Een ingroeiprothese zit door de pasvorm wel meteen klem, maar het bot zal hier nog op vastgroeien.

Het is onder andere afhankelijk van de leeftijd en de conditie van de patiënt, welk type prothese het meest geschikt is.

Mogelijke complicaties

Heupluxatie

In de eerste weken na de plaatsing van de heupprothese is er een verhoogde kans op een heupluxatie (uit de kom schieten van het bovenbeen). Tijdens de operatie beoordeelt de chirurg of de heupkop met de juiste spanning in de kom staat, om de kans dat de heup uit de kom raakt te verkleinen. Als de heup door een onverwachte beweging of een val uit de kom schiet, moet de heup in het ziekenhuis weer in de kom gezet worden. Daarna mag het been weinig belast worden, om de uitgerekte spieren en het gewrichtskapsel weer te laten genezen. Soms is het nodig om een brace te dragen.

Beenlengteverschil

Soms komt het voor dat na de heupoperatie het gevoel bestaat van een beenlengteverschil. Na de revalidatieperiode en de behandeling door de fysiotherapeut verdwijnt dit gevoel meestal. Een enkele keer is er een blijvend beenlengteverschil. Dit verschil is doorgaans niet groter dan één of twee centimeter, wat ook vaak voorkomt bij mensen die niet geopereerd zijn. Als u last heeft van het verschil in beenlengte, kunt u een ‘inlay' in de schoen doen, of een hakverhoging aan de schoen laten maken. Bij een verschil van meer dan drie centimeter, is het mogelijk dat uw ziektekostenverzekeraar de kosten van schoenaanpassing vergoedt, afhankelijk van uw polis.

Bloeduitstorting en vochtophoping

Bij de meeste patiënten ontstaat er een bloeduitstorting rondom de wond. Het been kan na enkele dagen ook dikker worden door vochtophoping. Overdag dragen patiënten een elastische kous om vochtophoping zoveel mogelijk te voorkomen. Na ongeveer zes weken ziet het been er meestal weer slank uit.

Trombose en embolie

Omdat na een heupoperatie het been niet veel gebruikt wordt, en patiënten veel zitten en/of liggen, is er een verhoogde kans op trombose of embolie. Om dit te voorkomen krijgt u dagelijks tot 35 dagen na de operatie een bloedverdunnend tabletje of in sommige gevallen een kleine injectie met bloedverdunnende middelen.

Doorliggen (decubitus)

Doorliggen veroorzaakt decubitus, een beschadiging van de huid of het onderliggende weefsel, die vooral ontstaat bij patiënten die veel liggen. Door voortdurende druk op de huid en het schuiven in bed ontstaan wonden. Om doorligwonden te voorkomen dient u voldoende en gevarieerd te eten en regelmatig oefeningen te doen in bed.

Ontsteking of infectie in uw lichaam

Na de operatie of zelfs jaren later kan er een ontsteking ontstaan bij het kunstgewricht. Als de heup warm aanvoelt of rood wordt, of wanneer er vocht uit de wond lekt, dient u contact op te nemen met de polikliniek Orthopedie. Een infectie is een vervelende complicatie en kan in enkele gevallen leiden tot loslating van de prothese. De heupprothese moet dan worden verwijderd. Indien mogelijk wordt na twee tot zes weken een nieuwe prothese geplaatst.

Ziekenhuischeck

De websie Ziekenhuischeck.nl geeft de kwaliteit en behandelresultaten voor heupslijtage weer van het Slingeland Ziekenhuis. Tevens kunt u de resultaten vergelijken met andere ziekenhuizen.

Fast Track behandelprogramma

In het Slingeland Ziekenhuis is het behandelprogramma 'Fast Track' ingevoerd. Het doel van dit programma is het welbevinden van de patiënt te bevorderen. Dit betekent dat de patiënt na de operatie minder pijn heeft en niet of minder misselijk is. Hierdoor kan de revalidatie beter en eerder plaatsvinden. Op de dag van de operatie, binnen 4 tot 6 uur na de operatie, start de revalidatie onder begeleiding van de fysiotherapeut en de verpleegkundige.
Doordat het revalideren beter en sneller gaat, kan de opnameduur ook korter zijn.
De patiënt kan meestal op de 2e dag na de operatie al naar huis, mits:
  • de patiënt niet te veel pijnklachten heeft
  • de wond er goed uit ziet
  • de patiënt kan staan en lopen en dit veilig en verantwoord is
Onder begeleiding van de fysiotherapeut gaat de revalidatie thuis verder.
Een goede voorbereiding voor deze ingreep is erg belangrijk. Alle informatie krijgt de patiënt tijdens het bezoek aan de polikliniek mee naar huis. Tevens zijn er voorlichtingsmiddagen, waar de fysiotherapeut, de verpleegkundige en de orthopedisch chirurg u informeren over de benodigde voorbereiding thuis, de opname, de operatie en de revalidatie.

Meer informatie over Fast Track bij heup- en knieoperaties

Blogbericht: Nieuwe aanpak bevordert snel herstel patiënt
Folder: Totale heupprothese

Anatomie van de knie

Kniegewricht, knieschijf en kraakbeen

De knie is een gewricht dat nodig is om soepel te kunnen lopen. Een gewricht is een scharnierpunt tussen botten. Het kniegewricht bestaat uit drie botten: de knieschijf, het scheenbeen en het dijbeen. De uiteinden van deze botten zijn bedekt met een laagje kraakbeen. Dat is een gladde elastische laag, die schokken en stoten opvangt, zodat de knie soepel kan bewegen.
Aan de voorkant van het kniegewricht zit de knieschijf. Deze beschermt het gewricht, zorgt er ook voor dat de knie soepel beweegt en speelt een rol bij afremmen tijdens het lopen.

Meniscus

Tussen het gewrichtskraakbeen bevinden zich twee stukjes weefsel in de vorm van een halve maan, de binnenmeniscus (mediale meniscus) en de buitenmeniscus (laterale meniscus). Deze zorgen er voor dat het boven- en onderbeen goed op elkaar passen en ze functioneren als schokdemper tijdens het lopen. Wanneer er gewicht op het been wordt gezet, kunnen de menisci naar buiten uitwijken waardoor de neerwaartse kracht naar buiten wordt omgezet. Dit is vergelijkbaar met een bal, die plat wordt als je er op gaat staan.

Gewrichtsbanden

Het kniegewricht wordt op zijn plaats gehouden door gewrichtsbanden. De gewrichtsbanden zijn opgebouwd uit bindweefsel, De binnen- (mediale band) en buitenband (laterale band) zorgen ervoor dat het onderbeen niet naar links of rechts kan verschuiven. De voorste kruisband voorkomt dat het onderbeen naar voren schuift. De achterste kruisband zorgt dat het onderbeen niet naar achteren verschuift.

Spieren en pezen

De spieren en pezen zorgen voor beweging van de knie. Een spier wordt via pezen verbonden met het bot. De hamstrings lopen aan de achterkant van het bovenbeen en zorgen voor het buigen van de knie. De vierkoppige bovenbeenstrekker (musculus quadriceps) loopt aan de voorkant van het bovenbeen en zit vast aan de knieschijf. Deze spier zorgt voor het strekken van het been. De knieschijf is met de knieschijfpees (ligamentum patellae) verbonden met het scheenbeen.
Op de plekken waar wrijving kan ontstaan tijdens het lopen, zitten slijmbeurzen. Dat zijn holtes die gevuld zijn met een stroperige vloeistof. De slijmbeurzen zorgen dat de gewrichten soepel kunnen bewegen. De belangrijkste slijmbeurzen in de knie zitten tussen de knieschijf en de huid en tussen de knieschijfpees en de huid.

Aan de knie kunnen vele klachten ontstaan als gevolg van sportblessures, artrose, of door een ongeval.

Anatomie van de knie





Anatomie van de knie

Kniegewricht, knieschijf en kraakbeen

De knie is een gewricht dat nodig is om soepel te kunnen lopen. Een gewricht is een scharnierpunt tussen botten. Het kniegewricht bestaat uit drie botten: de knieschijf, het scheenbeen en het dijbeen. De uiteinden van deze botten zijn bedekt met een laagje kraakbeen. Dat is een gladde elastische laag, die schokken en stoten opvangt, zodat de knie soepel kan bewegen.
Aan de voorkant van het kniegewricht zit de knieschijf. Deze beschermt het gewricht, zorgt er ook voor dat de knie soepel beweegt en speelt een rol bij afremmen tijdens het lopen.

Meniscus

Tussen het gewrichtskraakbeen bevinden zich twee stukjes weefsel in de vorm van een halve maan, de binnenmeniscus (mediale meniscus) en de buitenmeniscus (laterale meniscus). Deze zorgen er voor dat het boven- en onderbeen goed op elkaar passen en ze functioneren als schokdemper tijdens het lopen. Wanneer er gewicht op het been wordt gezet, kunnen de menisci naar buiten uitwijken waardoor de neerwaartse kracht naar buiten wordt omgezet. Dit is vergelijkbaar met een bal, die plat wordt als je er op gaat staan.

Gewrichtsbanden

Het kniegewricht wordt op zijn plaats gehouden door gewrichtsbanden. De gewrichtsbanden zijn opgebouwd uit bindweefsel, De binnen- (mediale band) en buitenband (laterale band) zorgen ervoor dat het onderbeen niet naar links of rechts kan verschuiven. De voorste kruisband voorkomt dat het onderbeen naar voren schuift. De achterste kruisband zorgt dat het onderbeen niet naar achteren verschuift.

Spieren en pezen

De spieren en pezen zorgen voor beweging van de knie. Een spier wordt via pezen verbonden met het bot. De hamstrings lopen aan de achterkant van het bovenbeen en zorgen voor het buigen van de knie. De vierkoppige bovenbeenstrekker (musculus quadriceps) loopt aan de voorkant van het bovenbeen en zit vast aan de knieschijf. Deze spier zorgt voor het strekken van het been. De knieschijf is met de knieschijfpees (ligamentum patellae) verbonden met het scheenbeen.
Op de plekken waar wrijving kan ontstaan tijdens het lopen, zitten slijmbeurzen. Dat zijn holtes die gevuld zijn met een stroperige vloeistof. De slijmbeurzen zorgen dat de gewrichten soepel kunnen bewegen. De belangrijkste slijmbeurzen in de knie zitten tussen de knieschijf en de huid en tussen de knieschijfpees en de huid.

Aan de knie kunnen vele klachten ontstaan als gevolg van sportblessures, artrose, of door een ongeval.

Anatomie van de knie





Artrose van de schouder

Artrose is een aandoening waarbij het kraakbeen in de gewrichten beschadigd is. Bij artrose in de schouder (omartrose), slijt het kraakbeen in het schoudergewricht. Het kraakbeen zorgt ervoor dat de botten in het gewricht soepel kunnen bewegen. Als het kraakbeen slijt, schuren de botten langs elkaar en ontstaan er pijnklachten. Artrose is de meest voorkomende gewrichtsaandoening. In West-Europa heeft 50% van de bevolking artrose aan ten minste één gewricht. Artrose komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen en naarmate men ouder wordt neemt de kans op artrose toe. De verwachting is dat het aantal mensen met artrose de komende jaren flink zal toenemen. Dat komt doordat mensen steeds ouder worden en door de toename van het aantal mensen met overgewicht.

Oorzaken

Bij de meeste vormen van schouderslijtage is de oorzaak niet te achterhalen.
Er zijn echter wel enkele oorzaken van artrose te noemen:
  • Door een ongeval kan het gewricht beschadigd zijn, waardoor er slijtage van het kraakbeen ontstaat;
  • Door sommige activiteiten kunnen de gewrichten teveel belast worden, waardoor het kraakbeen sneller slijt;
  • Bij sommige mensen ontstaat artrose als gevolg van een langdurige gewrichtsontsteking zoals bij reuma;

Klachten

De meest voorkomende klacht bij artrose is pijn. Bij artrose tussen de kop en kom van de schouder zit de pijn diep in de schouder. Bij artrose in het AC-gewricht (tussen de schouder en het sleutelbeen) wordt de pijn vooral aan de bovenkant van de schouder gevoeld. De klachten komen vooral voor tijdens belasting van de arm, maar in een later stadium kan er ook bij rust pijn ontstaan. Naast pijn is er vaak ook veel stijfheid in het gewricht. Vaak zit er dan vocht in de schouder. Het gewricht wordt dan dik en de arm kan nog maar moeilijk worden gebruikt.
Naarmate de slijtage erger wordt, zullen klachten steeds vaker en heftiger voorkomen. Dit heeft vaak een wisselend beloop, dat wil zeggen dat ‘goede' dagen worden afgewisseld met ‘slechte' dagen.

Diagnose stellen

Artrose aan de schouder. Bij de pijl zitten de kop en kom dicht tegen elkaar, omdat het kraakbeen is gesleten.
Vaak geeft het klachtenpatroon van de patiënt en de uitkomst van het lichamelijk onderzoek genoeg informatie om de diagnose artrose te kunnen stellen. Daarnaast is matige tot ernstige artrose goed zichtbaar op een röntgenfoto.

Behandeling

De behandeling van artrose bestaat uit het anders belasten van de schouder, eventueel begeleid door een fysiotherapeut. Zware inspanning wordt afgeraden, maar regelmatig bewegen met een lichte inspanning is juist wel goed. Daarnaast is er medicatie om de pijn te verlichten. Afhankelijk van de lichamelijke conditie van de patiënt kan er ook een operatie worden gedaan. De operatie bestaat uit het plaatsen van een schouderprothese.

Schouderluxatie

Schouderluxatie is het ‘uit de kom gaan' van de arm. De kop van de bovenarm zit dan niet meer op zijn plek in de schouderkom. De kop kan gedeeltelijk uit de kom geschoven zijn (subluxatie), maar kan ook helemaal uit de kom zijn (totale luxatie).

Oorzaken

Een schouderluxatie ontstaat meestal door een val op de arm of de schouder. Ook kan de schouder uit de kom schieten door een beweging, zoals een worp of door een plotseling tegengehouden beweging. Bij sommige sporten komt een schouderluxatie vaker voor, zoals bij voetbal, rugby, skiën, hockey en basketbal.

Hyperlaxiteit

Sommige mensen hebben vaker last van schouderluxatie of schouderinstabiliteit door hyperlaxiteit (overmatig elastische gewrichtsbanden). Omdat de kop van de schouder groter is dan de schouderkom, is het schoudergewrichterg flexibel. De gewrichtsbanden moeten het gewricht bij elkaar houden. Als deze banden te elastisch zijn, kan de kop van de bovenarm gemakkelijk uit de kom schuiven. Bij sommige mensen is deze laxiteit aangeboren, maar ook overmatig sporten kan laxiteit veroorzaken.

Klachten

Een schouderluxatie geeft veel pijn. Door de verkeerde positie van het bot staan de spieren, pezen en gewrichtsbanden erg strak. Daardoor is de arm bijna niet meer te bewegen.
Bij de meeste gevallen van schouderluxatie (95%) schiet de bovenarm aan de voorkant uit de kom. Dat is goed te zien aan een zwelling aan de voorkant van de schouder. Een luxatie naar achteren ontstaat vaak na een val op een gestrekte arm. Dit is minder goed te zien aan de vorm van de schouder en het wordt dan ook niet altijd als een luxatie herkend.

Diagnose stellen

Een schouderluxatie is in de meeste gevallen goed te zien aan de positie van de bovenarm ten opzichte van de schouder. Toch maakt de arts vaak nog een röntgenfoto, om te controleren op ander letsel zoals een botbreuk.

Behandeling

Met een schouderluxatie moet u altijd naar de huisarts of de Spoedeisende Hulp. De arts plaatst de arm weer terug in de kom. Vanwege de strak aangespannen spieren gaat dit niet altijd gemakkelijk. Meestal krijgt de patiënt spierverslappers, zodat het terugplaatsen van de arm gemakkelijker en minder pijnlijk verloopt.
In sommige gevallen moet de schouder tijdens een operatie terug in de kom worden geplaatst.

Secretariaat Orthopedie

Het secretariaat zorgt voor de administratie van de polikliniek en de ondersteuning van de orthopeden. Daarnaast kunt u bij het secretariaat terecht voor het maken van afspraken. De secretaresses maken voor u afspraken voor een operatie en voor de benodigde onderzoeken en gesprekken. Zij verstrekken informatie over de gang van zaken rondom de behandeling en een eventuele opname in het ziekenhuis. Als er folders beschikbaar zijn over uw behandeling, krijgt u die mee.
Patiënten die vragen hebben over de operatie of de opname kunnen tijdens werkdagen tussen 8.30 en 17.00 uur contact opnemen met het secretariaat op telefoonnummer (0314) 32 96 18.

Orthopedie-verpleegkundige

Een orthopedie-verpleegkundige is een verpleegkundige die gespecialiseerd is in de orthopedie. De orthopedieverpleegkundige werkt zowel op de polikliniek als op de verpleegafdeling.

Ongeveer 2 weken na het plaatsen van een heupprothese, schouderprothese of knieprothese belt zij de patiënt. Zij informeert hoe het u gaat en beantwoordt eventuele vragen.

Spreekuur

De orthopedieverpleegkundige houdt spreekuur voor de controle van patiënten met orthopedische protheses.
  • Patienten die een nieuwe knie hebben gekregen, komen 6 weken na de operatie (röntgenfoto nog niet nodig) en 3 maanden na de operatie terug.
  • Patiënten die een nieuwe heup of schouder hebben gekregen, komen ongeveer drie maanden na de operatie terug. Vooraf aan de controle wordt een röntgenfoto gemaakt.
  • Tevens komen de patienten met een nieuwe knie, heup of schouder, een jaar na de operatie terug voor controle. De orthopedie-verpleegkundige heeft een gesprek om te horen hoe het met u gaat en of er nog klachten zijn. Daarnaast komt de orthopeed nog bij u kijken. Als er geen klachten zijn hoeven de patienten daarna niet meer terug te komen.

Mortons neuroom

Een neuroom is een goedaardige verdikking van een zenuw. Bij Morton's neuroom is sprake van een (kleine) verdikking van het weefsel om de zenuw van de teen. Dit komt meestal voor tussen de tweede en derde teen of de tussen de derde en de vierde teen (geteld vanaf de grote teen). Deze zenuw loopt onder de band die de middenvoetsbeentjes van de voorvoet verbindt. De naam van dit neuroom komt van de orthopeed Morton die deze afwijking als eerste beschreef in 1876. Het Morton's neuroom komt veel vaker voor bij vrouwen dan bij mannen en meestal slechts aan één van beide voeten. De klacht komt het meest voor bij vrouwen tussen de 25 en 40 jaar.

Oorzaken

Hoe de verdikking van de zenuw in de voorvoet precies ontstaat, is niet duidelijk. Er kan sprake zijn van een beknelling of een beschadiging van de zenuw. Als de kopjes van de middenvoetsbeentjes teveel bewegen ten opzichte van elkaar, kan de zenuw even klem komen te zitten. Hierdoor kan een beschadiging of irritatie ontstaan. Een doorgezakte voorvoet of een holvoet kan er ook voor zorgen dat er te veel druk op de zenuw wordt uitgeoefend.

Klachten

Patiënten die last hebben van Morton's neuroom ervaren pijn in de voorvoet (bal van de voet) bij de aanhechting van de middelste tenen. De pijn wordt erger als er druk op de voet staat zoals bij lopen en als de voet wordt samengeknepen zoals bij het dragen van te strakke schoenen of hoge hakken. Meestal wordt de pijn omschreven als een stekende pijn, brandend of als een prikkeling in de tenen. Patiënten geven ook aan dat het soms voelt alsof er iets verschiet in de voet of ze ervaren gevoelloosheid in de twee tenen.
De pijn neemt af als de druk op de voet afneemt door bijvoorbeeld te gaan zitten en de schoenen uit te doen. Ook het masseren van de voet kan de klachten verhelpen.

Diagnose stellen

De arts onderzoekt of er een zwelling tussen de middenvoetsbeentjes zit en zal druk uitoefenen op de voorvoet om te kijken waar de pijnlijke plek zit. Vaak wordt ook een röntgenfoto en een echo gemaakt van de voet.

Behandeling

In eerste instantie zullen de klachten niet operatief worden behandeld. Het dragen van schoenen zonder hakken, waarin de voet genoeg ruimte heeft, kan ervoor zorgen dat de druk op de voet afneemt. Bij een doorgezakte voet of holvoet kan een steunzool zorgen dat de voet een andere stand krijgt, waardoor de zenuw wat meer ruimte krijgt en de pijn afneemt. Zo krijgt de zenuw de gelegenheid om te herstellen. Pijnstillers of een injectie met ontstekingsremmers (corticosteroïden) behoren ook tot de mogelijkheden. Zo zal de pijn afnemen.
Als deze niet-operatieve methoden niet voldoende helpen, kan de orthopeed een operatie adviseren.

Operatie bij Mortons neuroom

Morton's neuroom is een verdikking van een zenuw in de voorvoet. Deze aandoening hoeft niet altijd met een operatie behandeld te worden. Alternatieve behandelingen zijn het aanpassen van de schoenen, dragen van steunzolen, pijnstillers of ontstekingsremmers. Mochten deze behandelingen niet voldoende zijn, dan is er een operatie mogelijk.

Operatie

Bij deze operatie maakt de orthopeed een snee aan de bovenzijde van de voet, tussen de twee tenen in. Een deel van de zenuw en het verdikte weefsel om de zenuw wordt verwijderd, om te voorkomen dat de verdikking snel terugkomt. De gewrichtsbandjes die de middenvoetsbeentjes met elkaar verbinden worden doorgesneden om de zenuw meer ruimte te geven. Het stukje zenuw dat is verwijderd, wordt naar het laboratorium gestuurd voor verder onderzoek.
De snee wordt gehecht en er wordt een drukverband aangelegd dat twee dagen blijft zitten. De patiënt dient twee weken rustig aan moeten doen om de wond op de voet te laten genezen. De voet mag dan wel worden belast. Na ongeveer 14 dagen komt de patiënt terug op de polikliniek om de hechtingen te laten verwijderen. De arts zal de uitslag van het weefselonderzoek bespreken.
De (voor)voet kan na de operatie nog een paar weken dik blijven. Dit is normaal. Ook het gevoel in de twee tenen kan (tijdelijk) verminderd zijn omdat er zenuwtakjes zijn weggehaald.

Complicaties

Over het algemeen zijn patiënten na een operatie volledig klachtenvrij. In zeldzame gevallen kan er na de operatie opnieuw een Morton's neuroom ontstaan. Dit komt door het litteken dat ontstaat aan het uiteinde van de verwijderde zenuw.

Gescheurde kruisband

De kruisbanden zijn stevige banden in de knie, die het dijbeen en het onderbeen met elkaar verbinden. De voorste kruisband voorkomt dat het onderbeen ten opzichte van het bovenbeen naar voren schuift. De achterste kruisband voorkomt dat het onderbeen naar achteren schuift. Door een ongeluk of een verkeerde beweging kan een gescheurde kruisband (ook wel kruisbandruptuur genoemd) ontstaan.

Oorzaken

Een kruisband kan scheuren door een ongeval of een verkeerde beweging van het been. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij een val tijdens het skiën. Het scheuren van een kruisband voelt aan alsof er iets knapt in de knie en maakt soms ook een knappend geluid.

Klachten

De kruisbanden zorgen voor steun in het gewricht. Door een gescheurde kruisband, ontstaat er een bloeding in de knie. De knie is hierdoor dik en pijnlijk. Door de scheur is het gewricht instabiel geworden.
Bij een scheur in de voorste kruisband is het been soms niet meer te strekken. Ook is staan of lopen moeilijk en soms zelfs niet mogelijk.
Bij een scheur in de achterste kruisband kan het been juist overstrekken.

Diagnose stellen

Een gescheurde kruisband wordt vastgesteld door lichamelijk onderzoek. De arts onderzoekt of het onderbeen naar voren of naar achteren bewogen kan worden ten opzichte van het bovenbeen. Als dat mogelijk is, kan er sprake zijn van een gescheurde kruisband.

Behandeling

Een deel van de patiënten kan na enkele weken rust het been weer voorzichtig gaan belasten. Met behulp van fysiotherapie moeten de spieren rondom de knie sterker worden. Zo zijn onverwachte bewegingen in de knie beter op te vangen.
Patiënten kunnen klachten blijven houden bij een gescheurde kruisband. Ze zakken er vaak door, waardoor pijnklachten ontstaan. Afhankelijk van de conditie van de patiënt kan de orthopedisch chirurg een kruisbandreconstructie uitvoeren.

Voorste kruisbandreconstructie

Door een ongeluk of een verkeerde beweging kan een kruisband in de knie scheuren. Dit geeft pijnklachten en veroorzaakt instabiliteit, omdat het onderbeen nu naar voren of naar achteren kan bewegen ten opzichte van het bovenbeen. Een deel van de patiënten herstelt door veel rust te nemen en door de spieren rondom de knie te versterken met behulp van fysiotherapie. Andere patiënten blijven klachten houden. Voor mensen met een actieve levensstijl kan een operatie een oplossing zijn.

De voorste kruisbandreconstructie

In het Slingeland Ziekenhuis worden twee verschillende methoden gebruikt om een gescheurde voorste kruisband te herstellen: de patellapees en de hamstringtechniek. Voor iedere patiënt zal de orthopedisch chirurg bekijken welke methode het meest geschikt is en in overleg met de patiënt één van onderstaande methoden kiezen.

De patellapeestechniek (bot-patellapees-bot)

Bij de patellapeestechniek maakt de orthopedisch chirurg een nieuwe voorste kruisband van het middelste deel van de pees tussen de knieschijf en het scheenbeen (patellapees). Aan de uiteinden van deze pees zit een stukje bot, waarmee de pees vastgezet kan worden in het scheenbeen en het dijbeen. Een voordeel hiervan is dat de pees meteen stevig vast zit. Een nadeel is echter dat de revalidatie soms langer duurt omdat er pijnklachten kunnen ontstaan op de plek waar de pees is weggehaald.

De hamstringtechniek

Bij de hamstringtechniek maakt de orthopedisch chirurg gebruik van 1 pees van de hamstrings (de buigspieren van het bovenbeen). De pees wordt vastgezet op de plek van de oorspronkelijke voorste kruisband. Een voordeel van deze methode ten opzichte van de patellapees-techniek is dat de revalidatie vaak sneller gaat, omdat er minder pijn ontstaat op de plek waar de pees is weggehaald.

De operatie aan de achterste kruisband

Een scheur in de achterste kruisband kan worden behandeld met een kijkoperatie. Tijdens deze operatie wordt de kruisband vervangen. Ook wordt eventuele andere schade aan knie verholpen. Vanwege de ligging van de achterste kruisband in de knie, is deze operatie complexer dan een voorste kruisbandreconstructie.

Alternatieve behandelingen

Voor sommige patiënten met een gescheurde kruisband volstaat een behandeling door de fysiotherapeut. Door oefeningen kunnen de beenspieren versterken, waardoor de stabiliteit van de knie verbetert. Veel patiënten blijven echter klachten houden en moeten toch geopereerd worden.

Na de operatie

Een kruisbandreconstructie duurt ongeveer een uur. Om de knie komt na de operatie een drukverband en gaat een patiënt naar de uitslaapkamer. Daar wordt ter controle een röntgenfoto gemaakt en worden de bloeddruk, ademhaling en hartslag gecontroleerd. Als dat stabiel is, gaat de patiënt weer naar de verpleegafdeling A2.
Op vaste tijden wordt er pijnstilling toegediend. Dit gebeurt via een infuus, of soms via een PCA-pompje. Dit is een pompje dat pijnstilling afgeeft en dat de patiënt zelf kan bedienen.

Revalidatie

De eerste dag na de operatie krijgt de patiënt bezoek van de fysiotherapeut, waarna deze naar huis mag. Soms kan de operatie en opname in dagbehandeling gedaan worden afhankelijk van het moment van opereren.
Na ontslag uit het ziekenhuis duurt de volledige revalidatie ongeveer 9 maanden tot 1 jaar.  Vier tot zes weken na de operatie zijn lichte werkzaamheden weer toegestaan. Fysiek zwaardere beroepen kunnen, in overleg met de arts, na ongeveer tien tot twaalf weken weer uitgeoefend worden.

Mogelijke complicaties

Bloeduitstorting en vochtophoping

Na de operatie kan er een bloeduitstorting ontstaan in het operatiegebied. Het been kan na enkele dagen ook dikker worden door vochtophoping. Overdag moeten patiënten een elastische kous dragen om vochtophoping zoveel mogelijk te voorkomen. Na ongeveer zes weken ziet het been er meestal weer slank uit.

Trombose en embolie

Omdat na een knieoperatie het been niet veel gebruikt wordt, en patiënten veel zitten en/of liggen, is er een verhoogde kans op trombose of embolie (afsluiting van de slagader). Om dit te voorkomen krijgen patiënten na de operatie dagelijks een injectie met bloedverdunnende middelen gedurende 6 weken

Ontsteking of infectie in uw lichaam

Na de operatie kan een ontsteking ontstaan in de knie. Als de knie warm aanvoelt of rood wordt, of wanneer er vocht uit de wond lekt, dient u contact op te nemen met de polikliniek Orthopedie.

Artrose van de enkel / voet

Artrose is een aandoening van het kraakbeen in de gewrichten. Bij artrose in de enkel of voet, is er sprake van slijtage in de enkel of in het voetgewricht.
De botten die in een gewricht samenkomen zijn voorzien van een dun laagje glad kraakbeen. Dat laagje zorgt ervoor dat het gewricht soepel kan bewegen. Naarmate men ouder wordt, neemt het kraakbeen in dikte af. Dat is een normaal verschijnsel. Bij artrose slijt het kraakbeen sneller dan normaal. Het gladde oppervlak wordt dan brokkelig en het kraakbeen is nog slechts een dun laagje of is helemaal verdwenen. Het lichaam kan dit niet zelf herstellen.

Klachten

Omdat de uiteinden van de botten niet meer bedekt zijn met een laag kraakbeen, kan het gewricht niet meer soepel bewegen. Er kunnen ook ruwe uitsteeksels ontstaan op het bot. De wrijving tussen de botten neemt toe en dat doet pijn. Er kan een zwelling in de enkel of de voet ontstaan, omdat er vocht ophoopt. Zowel de pijn als de zwelling maakt het lastig om de enkel of voet te bewegen.

Oorzaken artrose in de enkel

Er zijn meerdere mogelijke oorzaken voor artrose in de enkel:
  • Artrose kan ontstaan na een andere aandoening zoals een botbreuk of instabiliteit van de enkelbanden (na veelvuldig verzwikken van de enkel). Zo kan het kraakbeen in de enkel beschadigd raken. Dit noem je posttraumatische artrose.
  • Een ontsteking in het gewricht kan het kraakbeen aantasten (zoals bij reumatoïde artritis). Meestal worden beide voeten of enkels aangetast en kan ook in andere gewrichten artrose ontstaan;
Bij sommige patiënten is niet duidelijk waardoor de slijtage veroorzaakt wordt. Dit is vaak het geval bij mensen van middelbare leeftijd of ouder.

Diagnose stellen

Lichamelijk onderzoek door een arts in combinatie met de klachten en de medische voorgeschiedenis zorgen dat de arts een diagnose kan stellen. Ook een röntgenfoto kan artrose in een gewricht aantonen.
Soms wil de orthopeed bekijken hoe een patiënt loopt, hoe de botten van het been bewegen ten opzichte van de voet. Dit heeft te maken met het achterhalen van de oorzaak van de artrose.

Behandelingen

Er zijn verschillende behandelingen mogelijk bij artrose in de enkel of voet. Welke behandeling er gekozen wordt, hangt af van de conditie van de patiënt en de ernst van de artrose.
Pijnbestrijding door medicijnen;
  • Ontstekingsremmers (medicijnen) om de zwelling te verminderen;
  • Afvallen om de belasting door uw lichaamsgewicht te verminderen;
  • Fysiotherapie om de bewegelijkheid van de voet en/of enkel te bevorderen en om de spieren te versterken;
  • Injectie met corticosteroïden in het gewricht om de ontsteking te remmen;
  • Operatieve behandelingen, waarbij het gewricht wordt schoongemaakt (artroscopie) of vastgezet (artrodese).
  • Vervanging van het enkelgewricht door een prothese is zelden geschikt voor artrosepatiënten. Een prothese is meer geschikt voor reumapatiënten. Deze operatie wordt in het Slingeland Ziekenhuis niet uitgevoerd.

Spreekuren

Op werkdagen kunt u op de diverse spreekuren terecht. Hiervoor kunt u een afspraak maken via het secretariaat van de polikliniek Orthopedie op telefoonnummer (0314) 32 96 18. Op dinsdagavond is er van 17.00 tot 20.00 uur ook een avondspreekuur.

Vóór een operatie

Pre-operatief spreekuur

Als u een operatie moet ondergaan, krijgt u daaraan voorafgaand een afspraak op het pre-operatief spreekuur. De anesthesioloog bespreekt met u op welke manier u verdoofd wordt tijdens de operatie en welke pijnbestrijding u na de operatie krijgt. Ook bespreekt hij of er aanvullend onderzoek nodig is. Neem uw medicijnen of medicijnkaart mee naar het pre-operatief spreekuur. De anesthesioloog vertelt u welke medicijnen u dient te gebruiken en waar u eventueel mee moet stoppen. Meer informatie over anesthesie kunt u vinden in de folder Anesthesie .

Verpleegkundig spreekuur

Na het pre-operatief spreekuur brengt u ook een bezoek aan het verpleegkundig spreekuur. De orthopedie-verpleegkundige geeft u informatie over de opname. Daarnaast bespreekt zij met u welke zorg en hulpmiddelen u nodig heeft na ontslag uit het ziekenhuis.

Na een operatie 

Tegenwoordig worden steeds meer hechtingen vervangen door oplosbare hechtingen. Echter na het plaatsen van een knieprothese, komt u altijd na ongeveer 3 weken naar de polikliniek voor controle.

Telefonisch contact

Na het plaatsen van een schouderprothese, knieprothese of heupprothese belt de orthopedie-verpleegkundige u na ongeveer 2 weken. Zij informeert hoe het met u gaat en beantwoordt eventuele vragen.

Prothesecontrole-spreekuur

De orthopedie-verpleegkundige houdt een prothesecontrole-spreekuur. Als u een nieuwe heup of schouder hebt gekregen, komt u na twee tot drie maanden terug voor controle. Als u een nieuwe knie hebt gekregen komt u ongeveer 6 weken na de operatie (röntgenfoto nog niet nodig)  en 3 maanden na de operatie voor controle. In principe komt u ongeveer één jaar na de operatie nogmaals terug. Als hierna klachten ontstaan kunt u alsnog een afspraak maken ter controle.
De orthopedie-verpleegkundige bespreekt met u hoe het met u gaat en of er nog klachten zijn. Daarnaast wordt er een nieuwe röntgenfoto gemaakt. De orthopedisch chirurg bespreekt deze vervolgens met u.

MRI-scan orthopedie

MRI staat voor Magnetic Resonance Imaging (afbeelden door middel van magnetische trillingen). Voor dit onderzoek, dat op de afdeling Radiologie plaatsvindt, worden geen röntgenstralen maar magneetgolven gebruikt.

De patiënt wordt hiervoor in een tunnel geschoven. In de tunnel is een sterk magnetisch veld. Het onderzoek doet geen pijn, maar de patiënt moet wel gedurende 10 tot 40 minuten stil blijven liggen. Bewegingen verstoren het beeld en maken het onmogelijk om een goede diagnose te stellen.
Door een MRI-scan kan de specialist inzicht krijgen in de structuur, afmeting of stand van een lichaamsdeel.

Soms is het nodig om contrastvloeistof in het gewricht te spuiten voor de MRI-scan gemaakt wordt. Door het inspuiten van contrastvloeistof verkrijgt de arts veel bijkomende informatie over de pezen van het gewricht, maar ook van gewrichtsbanden, het gewrichtskapsel en het kraakbeen.
Voor andere structuren zoals bloedvaten en organen kan het mogelijk zijn dat er een contrastmiddel in de bloedbaan wordt gespoten.

Meer informatie vindt u


CT-scan bij orthopedische patiënt

Een CT-scan is een röntgenonderzoek dat wordt gebruikt om een driedimensioneel beeld van de organen te maken. Om een CT-scan te maken, ligt de patiënt op een tafel die in een soort ring wordt geschoven. In deze ring bevindt zich een ronddraaiende buis die röntgenstralen uitzendt. Met behulp van de computer kan zo de dwarsdoorsnede van het lichaam in beeld worden gebracht. Deze informatie wordt door de computer omgezet in verschillende afbeeldingen.

Gebruikelijk is om naar "schijfjes mens" te kijken. Deze kunnen dwars of over de lengte weergegeven zijn. Door meerdere 'schijfjes' op een rij weer te geven, ontstaat een drie dimensionaal beeld van een gewricht. Dit is een handige manier om diagnostiek en behandelingsmogelijkheden te verduidelijken.

Voor de orthopedische patiënt

De Computer Tomografie (CT-scan) biedt een uitstekende beeldvorming van botten en gewrichten. Posttraumatische afwijkingen, zwellingen, vormafwijkingen, aangeboren afwijkingen en andere problemen zijn met de CT-scan goed zichtbaar.
Het is niet zo dat alle ziekten of symptomen door deze scan kunnen worden aangetoond. Daarnaast is dit onderzoek, indien het vaker wordt uitgevoerd, belastend voor de patiënt door de blootstelling aan röntgenstraling.

Meer informatie is beschikbaar in de folder CT-scan.

Afwijkende stand van het been

O-benenX-benenEen afwijkende stand van het been wordt ook wel een X-been of O-been genoemd. Dit betekent dat de knie teveel naar binnen staat (X-been) of juist teveel naar buiten (O-been). Deze aandoening komt veel voor bij artrosepatiënten en bij mensen die contactsporten beoefenen zoals voetbal, hockey en rugby.

Oorzaken

Er zijn meerdere oorzaken voor een afwijkende stand van het been te noemen:
  • Door artrose is het kraakbeen in de knie versleten. Dit gebeurt vaak alleen aan de binnenzijde of alleen aan de buitenzijde van de knie, waardoor het gewricht scheef komt te staan. Het dijbeen en het onderbeen sluiten dan niet meer goed op elkaar aan;
  • Een aandoening aan het skelet kan van invloed zijn op de groei van de botten;
  • Bij sommige mensen is de afwijking aangeboren.

Klachten

Door de scheve stand van de knie, bewegen de botten van het boven- en onderbeen over elkaar heen. Deze wrijving is erg pijnlijk. Lopen, traplopen en lang staan wordt steeds lastiger. Vaak is fietsen minder belastend voor de knie en daardoor beter vol te houden.

Diagnose stellen

De arts maakt een röntgenfoto van de knie om te zien hoe groot de afwijking in de stand van het been is en om te bepalen of er een operatie nodig is.

Behandeling

Bij een lichte afwijking in de stand van het been bestaat de behandeling uit het dragen van steunzolen, spierversterkende oefeningen en soms een brace. Bij een te grote afwijking en pijnklachten kan er een operatie (tibiakop osteotomie) nodig zijn. Het scheenbeen wordt dan een stukje ingezaagd. In de uitsparing wordt kunstbot geplaatst en daarna wordt het bot met een plaat en schroeven verstevigd.

Locatie en gang van zaken

Waar moet u zich melden?

De polikliniek Orthopedie bevindt zich in het souterrain, route 6.
U dient zich eerst te melden bij de secretaresse, voordat u plaats neemt in de wachtruimte. U wordt opgehaald uit de wachtruimte zodra u aan de beurt bent.

Afsprakenkaartje

Bij het bezoek aan de polikliniek heeft u een afsprakenkaartje voorzien van een sticker met uw correcte, actuele gegevens (of uw ponskaartje). Daarvoor kunt u zich wenden tot de Inschrijfbalie in de hal van het ziekenhuis. 

Opleiding

Er kan een co-assistent aanwezig zijn tijdens uw bezoek aan de polikliniek Orthopedie. Dit is een arts in opleiding. Mocht u hier bezwaar tegen hebben dan kunt u dit bij de secretaresse of verpleegkundige melden.

Externe samenwerking

In sommige gevallen is er aanleiding voor nader onderzoek of behandeling op orthopedisch gebied. Uw orthopeed verwijst u zo nodig. Het Slingeland Ziekenhuis werkt hiervoor samen met de vakgroepen Orthopedie van het Radboudumc te Nijmegen en de Sint Maartenskliniek te Nijmegen.

Telefoonnummers

Secretariaat Orthopedie (0314) 32 96 18
Verpleegafdeling A2       (0314) 32 93 62

Artrodese van de enkel

Voor patiënten met ernstige artrose van de enkel kan een artrodese een oplossing zijn. Dit is een operatie waarbij de botten in het beschadigde gewricht worden vastgezet. Over het algemeen is deze ingreep succesvol. De pijn vermindert aanzienlijk of verdwijnt geheel. Het gewricht kan niet meer zoals voor de operatie gebruikt worden. De afwikkeling van de voet wordt belemmerd, doordat het gewricht nu stijf is. Na lange tijd kan er slijtage of overbelasting optreden aan de andere gewrichten in de enkel of voet als gevolg van de artrodese.
Na een artrodese kan de patiënt nog steeds recht lopen en autorijden. Ook is het nog mogelijk om te sporten.

De operatie

Tijdens deze operatie worden de botten in het gewricht aan elkaar vast gemaakt met behulp van pinnen, plaatjes of schroeven. De botten groeien dan aan elkaar vast. Doordat de botten nu niet meer langs elkaar kunnen bewegen, stopt de slijtage en neemt de pijn af.

Na de operatie

De nabehandeling bestaat uit vier weken onbelast lopen met gips om de voet. Dat betekent dat de patiënt vier weken met krukken moet lopen. Daarna wordt er vier weken loopgips gedragen en mag de voet wel belast worden. Na drie maanden start de revalidatie met hulp van de fysiotherapeut. Gedurende acht tot twaalf weken na de operatie kan de voet gezwollen blijven.

Complicaties

Zoals bij alle operaties is er een kleine kans op complicaties, maar gelukkig komt dit niet vaak voor. Algemene complicaties zijn:
  • Zenuwletsel in de huid. De huid kan tijdelijk 'doof' aanvoelen, doordat er een huidzenuw door het operatielitteken loopt. Deze klachten nemen in de loop der tijd langzaam af.
  • Trombose. Omdat patiënten na een operatie veel liggen of zitten en het been nauwelijks gebruiken is er een verhoogde kans op trombose. Om dit te voorkomen worden injecties met bloedverdunnende middelen gegeven.
  • In een enkel geval groeien de botten niet goed aan elkaar. Dan kan een tweede operatie nodig zijn.

Artroscopie in de enkel

Het schoonmaken van het enkel- of voetgewricht tijdens een kijkoperatie (artroscopie) is een oplossing voor milde tot matige artrose in de enkel of de voet. Dit kan een gunstig effect hebben op de pijn gedurende drie tot vijf jaar.

Artroscopie met schoonmaken

De orthopeed verwijdert tijdens de kijkoperatie afwijkend kraakbeen en eventuele uitsteeksel in en rondom het gewricht. Voor de kijkoperatie worden twee kleine sneetjes gemaakt waardoor de instrumenten van de orthopeed worden ingebracht. Het eerste instrument is een artroscoop, een buisje waarop een camera en een lichtpunt vastzitten en waar spoelvloeistof door kan lopen. Door het andere sneetje worden kleine instrumenten ingebracht waarmee de orthopeed het gewricht schoon kan maken.
De ingreep gebeurt in een dagopname.

Complicaties

Zoals bij alle medische behandelingen zijn er risico's verbonden aan een chirurgische ingreep. Algemene complicaties, die overigens niet vaak voorkomen, zijn:
  • Bij de wondjes kan een infectie ontstaan. Om infecties te voorkomen mag de patiënt de eerste dagen niet douchen.
  • Op de lange termijn kunnen de klachten weer terugkomen.
  • Een enkele keer ontstaat er trombose in het onderbeen.
  • Heel soms raakt er een zenuw in de huid beschadigd tijdens de operatie. Hierdoor kan er een (blijvend) gevoelloos plekje op de voet ontstaan.

Impingement van de enkel

Als er sprake is van een ‘impingement' in de enkel, betekent dit dat er in het enkelgewricht een beknelling zit tussen scheenbeen (tibia) en het sprongbeen (talus). Deze beknelling kan veroorzaakt worden door uitsteeksels aan het bot (benig impingement) of een prop van zacht weefsel in het kapsel van het gewricht (weke delen impingement). Meestal zit de beknelling aan de voorzijde van de enkel, hoewel het ook mogelijk is dat deze aan de achterzijde zit.

Oorzaak

Impingement wordt ook wel voetballersenkel genoemd. Een voetballer schiet doorgaans de bal met de binnenkant van de voet of met de wreef. Daarbij doet de enkel ook mee. De vele tikjes die de enkel daarbij krijgt kunnen kleine beschadigingen aan het enkelgewricht veroorzaken. Op lange termijn kan dan een voetballersenkel ontstaan aan de voorzijde van de enkel. Dit kan ook ontstaan bij het beoefenen van andere sporten of bij het (vaak) verzwikken van de enkel.
Als het impingement aan de achterzijde van de enkel zit kan dit veroorzaakt zijn door het veelvuldig op de tenen staan zoals bij een balletdanser. Ook kan dit acuut ontstaan als een voetballer bijvoorbeeld met zijn voet in de grond schiet (geforceerde hyperplantairflexie).

Klachten

Mensen met een impingement van de enkel hebben pijn klachten aan de voor- of achterzijde van de enkel. Aan de voorzijde wordt dit voornamelijk gevoeld als ze de voet omhoog bewegen. Aan de achterzijde ontstaat de pijn voornamelijk als de voet naar beneden wordt bewogen, bijvoorbeeld door op de tenen te gaan staan. Er kan een zwelling ontstaan bij de enkel en het gewricht kan stijf zijn.

Diagnose stellen

De diagnose van een voetballersenkel kan bevestigd worden door een röntgenfoto. Uitsteeksels aan het bot zijn daarop te zien. De beknelling van weefsel in het kapsel van het enkelgewricht is echter niet te zien op de foto. Als er op de röntgenfoto geen afwijkingen worden gevonden, maar de klachten wel wijzen op impingement, wordt een MRI-scan gemaakt.

Behandeling

De behandeling bestaat in eerste instantie uit het advies de enkel minder te belasten (en eventueel minder te sporten). Ook fysiotherapie en/of manuele therapie kunnen effect hebben. Een injectie met corticosteroïden in het enkelgewricht kan de pijn verminderen.
Als de effecten van deze behandelingen gering zijn, is het mogelijk om een kijkoperatie van de enkel te doen (enkelartroscopie). De orthopedisch chirurg kan tijdens deze operatie verdikt en ontstoken slijmvlies en kapsel behandelen. Ook eventuele botuitsteeksels kunnen zo worden verwijderd.

Schouderinstabiliteit

Het schoudergewricht heeft een kleine kom en is daardoor gevoelig voor luxatie (uit de kom gaan van de bovenarm). Het gewrichtskapsel, de spieren, de pezen en het labrum (dit is een ring van bindweefselkraakbeen) zijn belangrijke structuren om de schouder te stabiliseren.
Bij sommige mensen wordt de schouder niet goed verstevigd door de ‘cuff', de pezen rondom de schouder. Dat wordt schouderinstabiliteit genoemd. Er zijn drie soorten schouderinstabiliteit:
  • Instabiliteit zonder luxatie: sommige mensen hebben een aangeboren laxiteit (overmatig elastische gewrichtsbanden) van het kapsel. Ook door bepaalde sporten kan er laxiteit ontstaan.
  • Traumatische luxatie: ten gevolge van een ongeval is de bovenarm uit de kom geraakt.
  • Niet-traumatische luxatie: de schouder is ‘zomaar' uit de kom geraakt. Dit kan gebeuren bij simpele bewegingen zoals iets aanpakken. De kans op dit type luxatie is groter bij instabiliteit of na een traumatische luxatie.

Klachten

Mensen die last hebben van schouderinstabiliteit, hebben last van pijn in de schouder. Schouderinstabiliteit komt vooral voor bij mensen die werpsporten beoefenen (basketbal, tennis, handbal). Ook kunnen patiënten veel last hebben van schouderluxatie. Hoe vaker een luxatie voorkomt, hoe erger de instabiliteit wordt. Uiteindelijk kunnen luxaties voorkomen bij simpele handelingen, zoals iets aanreiken of zelfs tijdens de slaap.
Patiënten met een traumatische luxatie hebben veel pijn en kunnen de arm nauwelijks meer bewegen. Verder is er na een traumatische luxatie een grotere kans op een niet-traumatische luxatie. Bij patiënten ouder dan 50 jaar komt naast een luxatie ook vaak een peesscheur in schouder voor.

Diagnose stellen

Meestal kan de diagnose gesteld worden door lichamelijk onderzoek. Het is goed voelbaar als de arm niet stevig in de kom zit. Bij het onderzoek wordt ook gecontroleerd op bijkomende schade, zoals zenuwletsel of vaatletsel. Daarnaast worden ook een röntgenfoto en eventueel een MRI-scan gemaakt.

Behandeling

Schouderinstabiliteit kan verminderd worden door met behulp van fysiotherapie de schouderspieren te versterken. Een schouderluxatie kan meestal worden behandeld door de schouder te reponeren (terugzetten in de kom) en daarna een mitella te dragen. In enkele gevallen moet dit onder narcose op de operatiekamer worden gedaan. Tijdens een kijkoperatie aan de schouder wordt het gewrichtskapsel strakgetrokken.

Hamerteencorrectie

De operatieve behandeling van een hamerteen is een hamerteencorrectie. Tijdens deze operatie wordt de teen weer recht gezet. Het uiteinde van het eerste kootje van de hamerteen wordt verwijderd, waardoor de stand van de teen verbetert. Vaak is de teen hierdoor wel iets korter.
Bijna altijd wordt een pennetje in de teen gezet zodat het gewricht in de goede stand blijft staan. Alleen bij patiënten met reuma of diabetes mellitus wordt dit niet gedaan, in verband met een iets grotere kans op ontstekingen.
Bij een ernstige vergroeiing van de teen wordt de strekpees verlengd om een optimale stand te verkrijgen.
Het pennetje zal na drie weken op de polikliniek worden verwijderd.
Als er maar één teen behandeld hoeft te worden, kan de operatie onder plaatselijke verdoving worden gedaan. Bij meerdere hamertenen, wordt de operatie onder narcose of met een ruggenprik uitgevoerd tijdens een dagopname.

Na de operatie

Na de operatie wordt de voet verbonden. Lopen op de hak mag wel, maar het advies is om veel te rusten waarbij de voet hoger ligt op een kussen. De teen kan nog een aantal weken wat dikker blijven.

Mogelijke complicaties

Zoals bij iedere medische ingreep is er ook bij een hamerteencorrectie kans op complicaties, die overigens zelden voorkomen. Een specifieke complicatie van de hamerteencorrectie is een nieuwe standsafwijking. Zo kan er opnieuw een hamerteen ontstaan of een te rechte stand van de teen. Gelukkig komt dit maar weinig voor. Andere mogelijke complicaties, die ook zelden voorkomen, zijn:
  • een infectie van de wond;
  • trombose;
  • een doof gevoel in de tenen of in de voet.

Lokale infiltratie

Patiënten met beginnende slijtage (artrose) van de knie, schouder, enkel, voet of pols kunnen een behandeling krijgen met pijnstillers of ontstekingsremmende medicijnen. Deze bestrijden de ontstekingsverschijnselen in het gewricht waardoor de pijn vermindert.

Infiltratie in het gewricht

De klachten van artrose zijn te behandelen door in het gewricht een injectie te geven met bijnierschorshormoon (corticosteroïden, deze werken ontstekingsremmend) in combinatie met een pijnstillend middel. Dit wordt lokale infiltratie genoemd. Een infiltratie mag drie tot vier keer per jaar gegeven worden, als het effect goed is. Voor patiënten bij wie dit voldoende werkt, is een infiltratie een goed alternatief voor een operatie.
De injectie wordt gegeven op de polikliniek Orthopedie. Patiënten dienen van tevoren aan de arts te melden of zij diabetes hebben, bloedverdunners gebruiken, en/ of onder behandeling zijn bij de trombosedienst.

Bijwerkingen

Omdat de injectie plaatselijk in een gewricht wordt gegeven zijn er weinig bijverschijnselen. Voor mensen met diabetes kan een injectie echter problemen geven, omdat in sommige gevallen de bloedsuikerspiegel tijdelijk hoger wordt.
Het kan zijn dat het gewricht na de infiltratie nog enkele uren stijf aanvoelt. Dit gaat vanzelf over. Om deze reden wordt het afgeraden na de behandeling zelf naar huis te rijden.

Lokale infiltratie

Patiënten met beginnende slijtage (artrose) van de knie, schouder, enkel, voet of pols kunnen een behandeling krijgen met pijnstillers of ontstekingsremmende medicijnen. Deze bestrijden de ontstekingsverschijnselen in het gewricht waardoor de pijn vermindert.

Infiltratie in het gewricht

De klachten van artrose zijn te behandelen door in het gewricht een injectie te geven met bijnierschorshormoon (corticosteroïden, deze werken ontstekingsremmend) in combinatie met een pijnstillend middel. Dit wordt lokale infiltratie genoemd. Een infiltratie mag drie tot vier keer per jaar gegeven worden, als het effect goed is. Voor patiënten bij wie dit voldoende werkt, is een infiltratie een goed alternatief voor een operatie.
De injectie wordt gegeven op de polikliniek Orthopedie. Patiënten dienen van tevoren aan de arts te melden of zij diabetes hebben, bloedverdunners gebruiken, en/ of onder behandeling zijn bij de trombosedienst.

Bijwerkingen

Omdat de injectie plaatselijk in een gewricht wordt gegeven zijn er weinig bijverschijnselen. Voor mensen met diabetes kan een injectie echter problemen geven, omdat in sommige gevallen de bloedsuikerspiegel tijdelijk hoger wordt.
Het kan zijn dat het gewricht na de infiltratie nog enkele uren stijf aanvoelt. Dit gaat vanzelf over. Om deze reden wordt het afgeraden na de behandeling zelf naar huis te rijden.

Lokale infiltratie

Patiënten met beginnende slijtage (artrose) van de knie, schouder, enkel, voet of pols kunnen een behandeling krijgen met pijnstillers of ontstekingsremmende medicijnen. Deze bestrijden de ontstekingsverschijnselen in het gewricht waardoor de pijn vermindert.

Infiltratie in het gewricht

De klachten van artrose zijn te behandelen door in het gewricht een injectie te geven met bijnierschorshormoon (corticosteroïden, deze werken ontstekingsremmend) in combinatie met een pijnstillend middel. Dit wordt lokale infiltratie genoemd. Een infiltratie mag drie tot vier keer per jaar gegeven worden, als het effect goed is. Voor patiënten bij wie dit voldoende werkt, is een infiltratie een goed alternatief voor een operatie.
De injectie wordt gegeven op de polikliniek Orthopedie. Patiënten dienen van tevoren aan de arts te melden of zij diabetes hebben, bloedverdunners gebruiken, en/ of onder behandeling zijn bij de trombosedienst.

Bijwerkingen

Omdat de injectie plaatselijk in een gewricht wordt gegeven zijn er weinig bijverschijnselen. Voor mensen met diabetes kan een injectie echter problemen geven, omdat in sommige gevallen de bloedsuikerspiegel tijdelijk hoger wordt.
Het kan zijn dat het gewricht na de infiltratie nog enkele uren stijf aanvoelt. Dit gaat vanzelf over. Om deze reden wordt het afgeraden na de behandeling zelf naar huis te rijden.

Hallux rigidus

Bij hallux rigidus is er sprake van slijtage van het kraakbeen in de grote teen en kan de teen niet goed meer afwikkelen. In het gewricht van de grote teen komen het eerste middenvoetsbeentje en het eerste kootje van de grote teen samen. Deze botjes zijn voorzien van een laagje kraakbeen om te zorgen dat het gewricht soepel kan bewegen. Bij artrose slijt het kraakbeen tussen de gewrichten, waardoor de botjes tegen elkaar aan schuren en het gewricht stijver wordt.

Klachten

Slijtage aan de grote teen kan pijn veroorzaken, maar dat hoeft niet. Pijnklachten kunnen geleidelijk toenemen. De grote teen wordt stijf (soms alleen in de ochtend of bij de eerste stappen met lopen) en de teen kan daardoor minder goed bewegen. Bij het lopen ontstaan pijnklachten in de grote teen of de bal van de voet. Door de stijfheid, wordt de voet niet goed afgewikkeld. Omdat de voet niet op de goede manier wordt belast, kan op den duur pijn in de hele voet ontstaan.
Meestal ontstaan de klachten bij mensen ouder dan vijftig jaar, maar ook bij jongere mensen komt hallux rigidus voor. Meestal is er bij jongeren sprake van een eerder doorgemaakt letsel aan de grote teen door sporten.

Oorzaken

Er zijn meerdere oorzaken van artrose aan de grote teen, hoewel het vaak niet mogelijk is om een duidelijke oorzaak aan te wijzen. Mogelijke oorzaken zijn:
  • Gewrichtsontstekingen zoals bij reumatoïde artritis of jicht;
  • Een breuk in het middenvoetsbeentje of het kootje van de grote teen.
  • Kleine beschadigingen aan het gewricht ontstaan door herhaalde bewegingen (zoals bij het trappen tegen een bal, turnen);
  • Een voetafwijking waarbij de grote teen naar buiten staat en een knobbel aan de zijkant van de voet ontstaat (hallux valgus).

Behandelingen

In eerste instantie wordt een hallux rigidus niet met een operatie behandeld. Eerst zal geprobeerd worden om de pijn te bestrijden met pijnstillers en een eventuele zwelling of ontsteking te verminderen met ontstekingsremmers. Het dragen van aangepaste schoenen met een harde zool zorgt voor een andere afwikkeling van de voet, waardoor de pijn afneemt.
Als de conservatieve behandelingen onvoldoende effect hebben, is een operatie mogelijk. Bij een hallux rigidus zijn drie operatietechnieken mogelijk:
De orthopedisch chirurg overlegt met de patiënt welke techniek het meest geschikt is.

Artroscopie van de knie

Artroscopie is een latijns woord voor een kijkoperatie. Door een artroscopie kan de arts het kniegewricht van binnen bekijken. Zo kan de juiste diagnose worden gesteld. Tijdens een kijkoperatie kunnen bijvoorbeeld de volgende aandoeningen worden vastgesteld:
Meestal kan de orthopedisch chirurg uw knie direct behandelen. Een scheur in de meniscus kan goed worden behandeld tijdens een kijkoperatie. De orthopedisch chirurg verwijdert dan het gescheurde deel van de meniscus of probeert deze te herstellen. Kraakbeenletsel kan in sommige gevallen ook direct worden verwijderd of worden hersteld.

Een gescheurde kruisband kan de orthopedisch chirurg niet direct behandelen. Als hiervan sprake is, bespreekt de orthopedisch chirurg na de operatie met de patiënt welke behandelmogelijkheden er zijn.

Verloop van de artroscopie

Een kijkoperatie vindt meestal plaats tijdens een dagopname. Dit betekent dat de patiënt na de operatie nog dezelfde dag naar huis mag. De operatie, die met een ruggenprik of onder narcose wordt gedaan, duurt ongeveer 30 minuten.
Nadat de knie verdoofd is, komt er een bloeddrukband om het been, zodat er geen bloed meer naar de knie stroomt. De orthopedisch chirurg maakt twee of drie kleine sneetjes van ongeveer 1 cm in de knie. Via één van deze sneetjes brengt hij een camera (artroscoop) in, die gekoppeld is aan een beeldscherm waarop de operatie te volgen is. Via de andere sneetjes worden instrumenten ingebracht om de knie te behandelen. Afhankelijk van de aandoening wordt de knie direct behandeld.
Op de verpleegafdeling bespreekt de orthopedisch chirurg de uitkomsten van de artroscopie met de patiënt.

Mogelijke complicaties

Zoals bij iedere ingreep, bestaat er ook bij een artroscopie een kans op complicaties. Deze komen echter zelden voor. Mogelijke complicaties zijn:
  • Door de bloeddrukband kunnen na de operatie pijnklachten ontstaan of een ‘doof' gevoel in de knie doordat een huidzenuw bekneld is geraakt. Dit verdwijnt vaak na een paar dagen.
  • Het is mogelijk dat er een huidzenuw beschadigd raakt, doordat in de huid gesneden wordt. Hierdoor kan de huid rondom de wondjes ‘doof' aanvoelen of juist erg gevoelig zijn.
  • Soms ontstaat er een trombosebeen. Om dit te voorkomen krijgen patiënten na de operatie een injectie met antistollingsmiddelen.
  • In een enkel geval ontstaat er een langdurige forse zwelling, een bloeding of een ontsteking. In dat geval dient u contact op te nemen met de polikliniek Orthopedie.
  • Na een kijkoperatie blijft de knie soms een paar weken dik. Dat komt doordat het gewrichtsslijmvlies geïrriteerd is. Dit kan verholpen worden met fysiotherapie of medicijnen.

Artroscopie van de knie

Artroscopie is een latijns woord voor een kijkoperatie. Door een artroscopie kan de arts het kniegewricht van binnen bekijken. Zo kan de juiste diagnose worden gesteld. Tijdens een kijkoperatie kunnen bijvoorbeeld de volgende aandoeningen worden vastgesteld:
Meestal kan de orthopedisch chirurg uw knie direct behandelen. Een scheur in de meniscus kan goed worden behandeld tijdens een kijkoperatie. De orthopedisch chirurg verwijdert dan het gescheurde deel van de meniscus of probeert deze te herstellen. Kraakbeenletsel kan in sommige gevallen ook direct worden verwijderd of worden hersteld.

Een gescheurde kruisband kan de orthopedisch chirurg niet direct behandelen. Als hiervan sprake is, bespreekt de orthopedisch chirurg na de operatie met de patiënt welke behandelmogelijkheden er zijn.

Verloop van de artroscopie

Een kijkoperatie vindt meestal plaats tijdens een dagopname. Dit betekent dat de patiënt na de operatie nog dezelfde dag naar huis mag. De operatie, die met een ruggenprik of onder narcose wordt gedaan, duurt ongeveer 30 minuten.
Nadat de knie verdoofd is, komt er een bloeddrukband om het been, zodat er geen bloed meer naar de knie stroomt. De orthopedisch chirurg maakt twee of drie kleine sneetjes van ongeveer 1 cm in de knie. Via één van deze sneetjes brengt hij een camera (artroscoop) in, die gekoppeld is aan een beeldscherm waarop de operatie te volgen is. Via de andere sneetjes worden instrumenten ingebracht om de knie te behandelen. Afhankelijk van de aandoening wordt de knie direct behandeld.
Op de verpleegafdeling bespreekt de orthopedisch chirurg de uitkomsten van de artroscopie met de patiënt.

Mogelijke complicaties

Zoals bij iedere ingreep, bestaat er ook bij een artroscopie een kans op complicaties. Deze komen echter zelden voor. Mogelijke complicaties zijn:
  • Door de bloeddrukband kunnen na de operatie pijnklachten ontstaan of een ‘doof' gevoel in de knie doordat een huidzenuw bekneld is geraakt. Dit verdwijnt vaak na een paar dagen.
  • Het is mogelijk dat er een huidzenuw beschadigd raakt, doordat in de huid gesneden wordt. Hierdoor kan de huid rondom de wondjes ‘doof' aanvoelen of juist erg gevoelig zijn.
  • Soms ontstaat er een trombosebeen. Om dit te voorkomen krijgen patiënten na de operatie een injectie met antistollingsmiddelen.
  • In een enkel geval ontstaat er een langdurige forse zwelling, een bloeding of een ontsteking. In dat geval dient u contact op te nemen met de polikliniek Orthopedie.
  • Na een kijkoperatie blijft de knie soms een paar weken dik. Dat komt doordat het gewrichtsslijmvlies geïrriteerd is. Dit kan verholpen worden met fysiotherapie of medicijnen.

Artrogram van de heup

Een artrogram is een onderzoek dat gebruikt wordt om het kraakbeen in een gewricht te kunnen bekijken. Het wordt ook wel röntgencontrastonderzoek genoemd. Een artrogram wordt op de afdeling Radiologie gemaakt. Een artrogram kan worden gebruikt om een afbeelding van de schouder, de knie of heup te maken.

Toepassingen van een artrogram van de heup

In de volgende gevallen wordt een artrogram gemaakt:
  • Bij baby's met heupluxatie wordt een artrogram gemaakt voordat de gipsbroek wordt aangelegd. De heupkop bestaat bij baby's nog voor een groot deel uit kraakbeen in plaats van gewoon bot. Daardoor is de heupkop niet goed zichtbaar op een gewone röntgenfoto en is het moeilijk te beoordelen of de heup goed in de kom zit.
  • Een artrogram kan gebruikt worden om te onderzoeken of patiënten met een heupprothese een infectie hebben. Door een artrogram kan gemakkelijk vocht uit de heup worden gehaald om te onderzoeken op bacteriën. Daarnaast kan de contrastvloeistof aantonen of de prothese nog goed vast zit. Als de prothese niet goed vast zit, komt de vloeistof tussen het bot en de prothese. Bij een goed vastzittende prothese is dit niet mogelijk.
  • Soms is het niet duidelijk of pijnklachten uit de rug of uit de heup komen. Er wordt dan tijdens het artrogram een pijnstiller in de heup gespoten. Eerst wordt de contrastvloeistof ingespoten om de exacte plaats van het heupgewricht te bepalen. Daarna wordt de pijnstiller ingespoten. Als de pijn blijft, komen de klachten waarschijnlijk uit de rug. Als de pijn afneemt, komt de pijn vanuit de heup en komt een patiënt in aanmerking voor een heupprothese.

Verloop van het onderzoek

Op een gewone röntgenfoto is kraakbeen niet te zien. Bij een artrogram is het kraakbeen wel zichtbaar op een foto. Om het kraakbeen goed zichtbaar te maken, spuit de radioloog een kleine hoeveelheid contrastvloeistof in het heupgewricht. Daarna maakt hij meerdere röntgenfoto's. Bij patiënten met klachten aan de heup, worden de foto's meestal in een staande positie gemaakt. Zo is het beste te zien wat de schade aan het kraakbeen is.

Na het onderzoek

Het onderzoek duurt ongeveer 20 minuten. Daarna gaat de patiënt terug naar de polikliniek Orthopedie. Hier bespreekt de orthopeed de uitslag van het onderzoek met de patiënt.

Bijwerkingen

Na het onderzoek kan het gewricht gevoelig en stijf aanvoelen. Dit is een normaal verschijnsel en verdwijnt binnen enkele dagen.

Scintigrafie voor orthopedische patiënt

Scintigrafie is een onderzoeksmethode die op de afdeling Nucleaire Geneeskunde wordt uitgevoerd.

Bij een scintigrafie-onderzoek wordt een injectie gegeven, waarbij een licht radioactieve vloeistof wordt toegediend. Daarna moet de patiënt enige tijd wachten, omdat de vloeistof zich over de botten moet verdelen. Het duurt twee tot vier uur tot de vloeistof voldoende in de botten is opgenomen. Deze wachttijd hoeft niet in het ziekenhuis te worden doorgebracht. Als de vloeistof in de botten is opgenomen, worden gedurende 15 tot 45 minuten foto's gemaakt..
Soms is het nodig om al tijdens het geven van de injectie foto's te maken. Dat duurt ongeveer tien minuten.
De foto's worden gemaakt met een apparaat dat radioactieve straling kan opvangen en verwerken tot afbeeldingen.
De stralingsdosis die een patiënt ontvangt tijdens de scintigrafie is veilig en vergelijkbaar met een röntgenfoto. Het onderzoek heeft geen nadelig gevolgen.

Voor meer informatie over de scintigrafie:




Operatie peesscheur in de schouder

Een gescheurde schouderpees is een pijnlijke aandoening, waarbij de arm bijna niet te bewegen is. De pees kan niet vanzelf genezen. Bij oudere patiënten worden de klachten behandeld met pijnstilling en fysiotherapie. Bij een operatie is het risico op een nieuwe peesscheur namelijk te groot.
Bij jonge patiënten kan een gescheurde pees in de schouder vaak wel door middel van een operatie behandeld worden. De uiteindelijke keuze voor een behandeling hangt af van de ernst van de aandoening en de duur van de klachten.

Operatie

De operatie vindt plaats onder volledige narcose. Tijdens de operatie wordt de scheur in de pees gehecht (bij een gedeeltelijke scheur), of opnieuw vastgemaakt aan het bot (als de pees helemaal is afgescheurd). De orthopedisch chirurg bevestigt een spijkertje met hechtdraden in het bot. Daarna wordt de pees vastgemaakt met de draden. Dit gaat het beste wanneer de gescheurde pees direct wordt behandeld. Als patiënten niet op tijd met hun klachten naar de huisarts gaan, verdwijnt de elasticiteit van de spier. Het wordt hierdoor steeds moeilijker om de pees te hechten.
De patiënt blijft na de operatie één nacht op de verpleegafdeling A2.

Na de operatie

Na de operatie moet de arm zes weken in een sling gedragen worden. Daarna mag de schouder actief bewogen worden en zijn ook krachtoefeningen toegestaan. De totale revalidatie duurt drie tot zes maanden.

Mogelijke complicaties

Er is een grote kans dat het resultaat van de operatie goed is. De meeste patiënten herstellen goed van de operatie. Zoals bij iedere medische behandeling zijn er enkele complicaties mogelijk.
  • Er kan een infectie ontstaan bij de wond.
  • Er kan een zenuw in de huid geraakt worden, waardoor de huid tijdelijk ‘doof' aanvoelt. Dit gaat vanzelf weer over.
  • Bij sommige patiënten ontstaat na de operatie een frozen shoulder. Dit kan de revalidatie vertragen.

Tibiakop osteotomie

Tibia betekent scheenbeen, osteotomie betekent letterlijk ‘het doorzagen van bot'.
De tibiakop osteotomie wordt toegepast bij mensen bij wie het kraakbeen aan één zijde van de knie is beschadigd. Op de plaats waar het kraakbeen is beschadigd, ontstaat pijn als de knie wordt belast. Dit komt vooral voor bij mensen met met O-benen of X-benen.
Door een osteotomie wordt de stand van het onderbeen veranderd. Hierdoor wordt de knie aan de andere zijde belast dan waar de beschadiging van het kraakbeen is. De pijn zal daardoor afnemen of geheel verdwijnen. Deze verbetering kan jaren blijven bestaan. Sommige patiënten hebben door deze operatie geen knieprothese meer nodig of kunnen dit voor lange tijd uitstellen.

Operatie

Een tibiakop osteotomie is een operatie waarbij het bovenste gedeelte van het scheenbeen bijna helemaal wordt doorgezaagd. Om de verandering van de stand van het onderbeen te verkrijgen heeft de orthopeed twee technieken ter beschikking, de gesloten wig-techniek en de open wig-techniek. Door de orthopeden in het Slingeland Ziekenhuis wordt alleen de open wig-techniek gebruikt. Met deze techniek is de operatie wat minder zwaar en kan de standscorrectie preciezer worden uitgevoerd. Ook wordt met de open wig-techniek voorkomen dat er een belangrijke zenuw aan de buitenzijde van de knie beschadigd wordt.

Open wig-techniek

De orthopedisch chirurg zaagt het scheenbeen bijna door en spreidt het bot. Zo ontstaat een driehoekje. Dit zet hij vast met een metalen plaatje en schroefjes. In de wig wordt kunstbot geplaatst, waardoor het eigen bot sneller aangroeit. De ruimte in de wig groeit uiteindelijk weer dicht. Soms moeten de plaat en schroeven bij pijnklachten een jaar na de operatie worden verwijderd.
Open wig-techniek. Links vóór de operatie, rechts na de operatie.

Mogelijke complicaties

Bij een medische ingreep is er altijd een kleine kans op complicaties. Complicaties die soms voorkomen bij een tibiakop osteotomie zijn:
  • trombose;
  • een doof gevoel in de huid rondom het litteken;
  • een nabloeding;
  • een ontsteking van de wond;
  • het niet dichtgroeien van het bot. Dit komt vooral voor bij rokers. Roken vertraagt het proces van aangroeien sterk en daarom wordt deze operatie bij voorkeur niet bij rokers uitgevoerd. 

Na de operatie

U loopt na de operatie minstens 6 weken met krukken (onbelast) en krijgt direct een verwijzing voor fysiotherapie. Na zes weken mag de belasting van de knie weer worden opgebouwd.

Meer informatie is te vinden in de folder Tibiakop osteotomie.

Ontstekingen in de schouder

De rotatorcuff is de wetenschappelijke benaming voor 4 pezen rond de schouder, die grotendeels verantwoordelijk zijn voor de bewegelijkheid van de arm. Deze pezen van de cuff zijn gevoelig voor ontsteking doordat ze ‘klem zitten' tegen de onderrand van het schouderblad. Een peesontsteking gaat dikwijls gepaard met een ontsteking van de slijmbeurs, die tussen de pees en het schouderblad ligt.

Klachten

Een pees- of slijmbeursontsteking geeft veel pijn boven in de schouder en het is bijna niet mogelijk om de arm te bewegen. De meeste patiënten hebben vooral 's nachts last van de pijn. Ze liggen door de pijn veel wakker en kunnen geen comfortabele lig- of zithouding vinden. Opvallend is dat de pijn uitstraalt van de schouder naar de volledige bovenarm.

Diagnose stellen

Een peesontsteking wordt vastgesteld door lichamelijk onderzoek en door röntgenfoto's en echografie. De röntgenfoto's worden gebruikt om de kwaliteit van het bot in de schouder te controleren. Met behulp van een echo is te controleren of er vocht in de pees of slijmbeurs zit. Deze onderzoeken zijn nodig om te controleren of de klachten niet veroorzaakt worden door een peesscheur, verkalkingen of artrose.

Behandeling

In eerste instantie wordt een ontsteking in de schouder behandeld met fysiotherapie en medicatie. Met oefeningen en door ontstekingsremmers te gebruiken kunnen de meeste patiënten de klachten onder controle krijgen. Soms is een lokale infiltratie een oplossing. Deze behandeling duurt ongeveer zes weken. Als daarna de klachten aanhouden, is een operatie een mogelijkheid.
Tijdens een operatie verwijdert de orthopedisch chirurg de ontstoken slijmbeurs, zodat er meer ruimte is voor de overgebleven pezen. Na de operatie mag de patiënt gelijk de arm weer bewegen. De duur van de revalidatie varieert van zes weken tot drie maanden. De kans op slagen van de operatie is ongeveer 80%. Mogelijke complicaties zoals infecties, wondproblemen en zenuwletsel komen slechts zelden voor ( minder dan 1 %). Na een operatie van de schouder kan er een schouderverstijving (frozen shoulder) ontstaan.

Peesruptuur schouder

Een gescheurde pees in de schouder is een pijnlijke aandoening, waarbij de arm niet of nauwelijks nog kan bewegen.
Peesscheur in de schouder

Oorzaken

Een peesscheur in de schouder kan op twee manieren ontstaan.
  • Door een trauma zoals een val, een ongecontroleerde beweging, een plotselinge ruk aan de arm.
  • Verzwakking van de schouderpezen. Dit komt vooral bij oudere patiënten voor. Naarmate men ouder wordt, verzwakken de pezen. Hierdoor kunnen pezen bij oudere patiënten makkelijker scheuren dan bij jongere patiënten.

Klachten

De meeste patiënten merken het goed wanneer een pees in de schouder scheurt. Vaak hoor je een knappend geluid in de schouder. Een peesscheur geeft een felle pijn in de schouder en de arm en de arm kan niet of nauwelijks bewegen. Na verloop van tijd neemt de pijn meestal wel wat af en verbetert de bewegelijkheid van de arm. De bewegelijkheid van de schouder kan nooit helemaal vanzelf herstellen.

Diagnose stellen

De diagnose wordt gesteld op basis van lichamelijk onderzoek. Daarnaast wordt vaak een echo gemaakt of. Als de echo niet voldoende duidelijkheid geeft, wordt nog een MRI-scan gemaakt.

Behandeling

Bij jonge patiënten bestaat de behandeling meestal uit een operatief herstel van de gescheurde pees.
Bij oudere patiënten is er een groter risico dat er na een operatie een nieuwe scheur ontstaat, omdat de kwaliteit van de pees minder goed is. De behandeling bestaat daarom om die reden meestal uit het toedienen van pijnstillers of ontstekingsremmers (lokale infiltratie in de schouder) en oefeningen met hulp van de fysiotherapeut.

Frozen shoulder

Een frozen shoulder ontstaat door een overdreven ontstekingsreactie in het kapsel van de schouder. Dit zal verdikken en verschrompelen, waardoor de schouder geleidelijk aan verstijft. Een frozen shoulder komt voor bij ongeveer twee tot vijf procent van de Nederlandse bevolking en het meeste bij vrouwen.

Klachten

Het ziektebeeld van de frozen shoulder verloopt in drie fasen.
  1. In de eerste fase heeft de patiënt veel pijn en is de schouder nog maar weinig te bewegen. Deze fase duurt drie tot zes maanden. Het bewegen van de arm of schouder gaat moeilijk en is zeer pijnlijk.
  2. In de tweede fase is de pijn minder, maar de verstijving blijft aanwezig. Ook deze fase duurt ongeveer drie tot zes maanden.
  3. In de laatste fase neemt de beweeglijkheid van de schouder weer toe. Uiteindelijk zal de schouder weer een vrij goede bewegelijkheid krijgen.

Oorzaken

Een frozen shoulder kan op twee manieren ontstaan.
  • Ideopatisch: dit is een spontane frozen shoulder, waarvoor geen duidelijke oorzaak te noemen is. Wel weten we dat mensen met diabetes of schildklierproblemen meer kans op een spontane frozen shoulder hebben.
  • Secundair: de verstijving ontstaat als gevolg van een breuk of een peesscheur in de schouder, na een operatie of na een overbelasting van de schouder.

Diagnose stellen

De diagnose wordt gesteld door een lichamelijk onderzoek van de arm en schouder. De orthopeed kan vaststellen in hoeverre de schouder nog volledig kan bewegen. Er wordt meestal wel een röntgenfoto gemaakt om andere onderliggende aandoeningen aan de schouder uit te sluiten.

Behandeling

Hoewel een frozen shoulder vaak vanzelf over gaat, is het wel gewenst om het te behandelen, omdat patiënten vaak veel pijn hebben. De orthopeed bepaalt in overleg met de patiënt welke behandeling het meest geschikt is. Dit hangt onder andere af van de conditie van de patiënt en de ernst van de aandoening.
Er zijn meerdere behandelingen te noemen die de genezing versnellen, maar geen één daarvan geeft optimale resultaten. Na iedere behandeling is er een kleine kans dat de klachten terugkomen.
Om de pijn te verzachten kunnen pijnstillers worden voorgeschreven, of kan een lokale infiltratie in de schouder worden gegeven met ontstekingsremmers. Om de beweeglijkheid van de schouder te verbeteren wordt vaak verwezen naar de fysiotherapeut. Met behulp van oefeningen kan de schouder weer soepeler worden.
Een operatieve behandeling wordt tegenwoordig niet meer gedaan, omdat dit vaak een averechts effect heeft. Het beste is om af te wachten en de pijn te bestrijden. Uiteindelijk zal de beweeglijkheid terugkomen en verdwijnt ook de pijn.

dr. D.J. Wever

Orthopedisch chirurg dr. WeverWerkzaam in het Slingeland Ziekenhuis sinds 2004
(BIGnr. 29043060601)
  • Opleiding Geneeskunde aan de Rijks Universiteit Groningen
  • Artsexamen in 1994
  • Promotie-onderzoek Universitair Medisch Centrum Groningen: Scoliosis Correction with Shape Memory Metal. Biomechanical and Biocompatibility Aspects (14 maart 2001, Groningen)
  • Opleiding tot orthopedisch chirurg:
    • Medisch Centrum Leeuwarden
    • Martini ziekenhuis Groningen
    • Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Aandachtsgebieden:
    • Heup- en knieprotheses
    • Artroscopische chirurgie
    • Sportletsels
    • Enkel- en voetchirurgie
    • Posttraumatische afwijkingen

Even voorstellen

Sport en techniek komen bij de orthopedische chirurgie samen. Mijn keuze voor de orthopedie tijdens de studie geneeskunde was snel gemaakt. Het mooie van het vak is dat de meeste ziektebeelden en letsels makkelijk in een gesprek en met eenvoudig onderzoek zijn vast te stellen. Daarnaast zijn er contacten met allerlei verschillende patiëntengroepen: van ouders met een baby met een aangeboren heupafwijking tot de topsporter met een gescheurde kruisband of de patiënt die aanmerking komt voor een heup- of knieprothese.
Open communicatie met de patiënt vind ik belangrijk. In een gesprek worden eerst de niet-operatieve behandelingen van de aandoening besproken. Indien een operatie toch noodzakelijk is, komen alle facetten van de operatie: de techniek, de nabehandeling en mogelijke complicaties aanbod. 
De operatieve procedures moeten perfect verlopen. De veiligheid rondom de operatie en op de afdeling moet optimaal zijn. Het geeft veel voldoening als het gehele proces goed is verlopen en de patiënt tevreden is over het behaalde resultaat.
Binnen de orthopedie wordt continu gewerkt om huidige operatietechnieken te vernieuwen en te verbeteren. Dit biedt mij de mogelijkheid om zowel in binnen- en buitenland orthopedisch chirurgen te bezoeken en kennis met elkaar te delen. Ik zie het als een uitdaging om up-to-date te zijn en ook de nieuwste operatietechnieken te kunnen uitvoeren in het Slingeland Ziekenhuis.

Interessante websites

Patiëntenverenigingen

Reumatische aandoeningen (waaronder ook artrose): Reumafonds
Osteoporose: Osteoporosevereniging
Heupafwijkingen: Stichting Heupdysplasie
Rugklachten: Dutch Spine Society , Vereniging van scoliosepatiënten

Informatie over orthopedie

Nederlandse Orthopaedische Vereniging
Nederlandse Vereniging voor Artroscopie
Richtlijnen Nederlandse Orthopaedische Vereniging
www.zorgvoorbeweging.nl

Informatie over protheses die in het Slingeland Ziekenhuis worden gebruikt

Prothesevergelijker 
Stryker
Zimmer Biomet

Kleding en praktische hulpmiddelen voor kinderen met een spreid- of gipsbroek

www.kiekhipwear.nl

 


Holvoet

Normaal gesproken is de voetboog, in het midden van de voet, zo'n 1,3 centimeter hoog. Bij een holvoet is die afstand groter. Er is dan sprake van een hoge wreef en voetboog. Daarnaast hebben mensen met een holvoet vaak last van kromme tenen, scheefstand van de hiel en soms van een spitsstand van de voet.
Een holvoet is het tegenovergestelde van een platvoet.

Oorzaak

Bij een holvoet is veroorzaakt door een verstoorde spierfunctie in de voet. Het evenwicht tussen de spieren die de voet, enkel en tenen bewegen is niet zoals het behoort te zijn. De holvoet kan een neurologische oorzaak hebben, zoals een zenuwaandoening. De achillespees kan ook verkort zijn waardoor alle gewicht op de voorvoet komt.

Klachten

Afhankelijk van welke spiergroepen meer of minder zijn uitgevallen kan een holvoet uiteenlopende klachten veroorzaken. Een vermoeid gevoel in de voeten is een veel voorkomende klacht, net als spierzwakte in de voet. Het veelvuldig zwikken van de enkel, balansstoornissen, scheefstand van de voet en pijnlijke drukplekken op de voet komen ook voor. De kromme stand van de tenen veroorzaakt ook pijn.

Behandeling

Als er sprake is van een milde vorm van de holvoet, kunnen de klachten verholpen worden met steunzolen of aanpassingen aan de schoenen.
Als de klachten ernstig zijn en de stand van de voet dusdanig is dat aanpassingen aan de schoenen geen oplossing zijn, kan een operatie volgen. Een operatie is gericht op het verkrijgen van een rechte en stabiele voet. De operatie heeft geen ‘normale' voet tot gevolg.
Soms kunnen standsveranderingen van de botjes in de voet al het gewenste effect hebben. Dit noemen we een gewrichtsbesparende operatie. In sommige gevallen moet een triple-artrodese worden uitgevoerd. Daarbij worden drie gewrichten in een rechte stand vastgezet. Dit kan gecombineerd worden met peesverplaatsing of -verlenging.

Nazorg

De opnameduur voor een triple artrodese is vaak een paar dagen. De patiënt krijgt gedurende een periode van 6 weken tot 3 maanden gips en daarna nog een periode fysiotherapie.

Platvoet

Platvoeten of ook wel doorgezakte voeten komen veel voor. Normaal gesproken is de voetboog in het midden van de voet zo'n 1,3 centimeter hoog aan de binnenzijde. Bij een platvoet is deze afstand kleiner of helemaal weg. Daarnaast kan ook de hiel naar binnen zijn gekanteld. Een platvoet is het tegenovergestelde van een holvoet.
Bij kleine kinderen die net gaan lopen zijn platvoeten normaal. Tot ze acht jaar zijn, hebben veel kinderen platvoeten. Schoenen met een stevige hiel en een soepele zool kunnen helpen. De meeste kinderen ouder dan acht hebben geen platvoeten meer.
Bij platvoeten is er onderscheid tussen de soepele en stijve platvoet.

Soepele platvoet

De meest voorkomende vorm is de soepele platvoet bij kinderen. Het voetje van het kind is plat en knikt naar binnen, waardoor vooral de binnenkant van de voet belast wordt. Soms slijten de schoenen dan ongelijkmatig af. Als het kind het voetje ontspannen laat hangen (bijvoorbeeld als het kind op schoot zit) dan ontstaat er meestal wel een voetboog aan de binnenzijde van voet. Ook volwassenen kunnen een soepele platvoet hebben. De voetboog is dan wel te zien als je op je tenen gaat staan.

Stijve platvoet

De stijve platvoet blijft in elke stand plat en stijf. Dit komt meestal door een vergroeiing van de voetbotjes. Dat is aangeboren of wordt veroorzaakt door een ziekte of is het gevolg van een ongeluk.

Behandeling

Als de soepele platvoet geen klachten geeft, dan hoeft er niets aan gedaan te worden. Bij ongeveer 95% van de kinderen herstelt de platvoet spontaan. Meestal is de voet rond het dertiende levensjaar volgroeid.
Soms geeft een soepele platvoet wel pijnklachten aan de binnenzijde van de voet en kramp in het been, vooral ‘s nachts. Steunzolen in de schoenen kunnen dan de platvoeten corrigeren. De podotherapeut of orthopedische schoenmaker kan deze zolen aanmeten.
Ook de stijve platvoet hoeft niet behandeld te worden als de patiënt geen klachten heeft. Vaak is het gebruik van steunzolen voldoende om de klachten tegen te gaan.
Een operatie kan de stand van de voet eventueel (gedeeltelijk) herstellen.

Schouderprothese

De vervanging van het schoudergewricht door een prothese is een effectieve behandeling bij schouderartrose. Artrose van de schouder is slijtage van het gewrichtskraakbeen in de schouder. Dit kan ontstaan door langdurige overbelasting, door ouderdom, na eerdere breuken of ontwrichtingen, ten gevolge van reumatische aandoeningen en na een langer bestaande peesscheur in de schouder.
Wanneer niet-operatieve behandelingen onvoldoende helpen, en de klachten het dagelijks functioneren sterk beperken, is het plaatsen van een schouderprothese de enige oplossing.

De operatie

De schouderkop en de schouderkom worden vervangen door een prothese. Het ene deel vervangt de kop van bovenarm en bestaat uit een kop met een steel van metaal. Het tweede deel is een kom van polyethyleen (harde kunststof). De metalen steel wordt in de bovenarm vastgemaakt met botcement. De kop past precies in de nieuwe schouderkom, waardoor de schouder weer soepel kan bewegen. Alle andere structuren rondom het schoudergewricht zoals de pezen, de spieren en het kapsel blijven bewaard. Die zijn van groot belang voor het uiteindelijke functioneren van het nieuwe gewricht na de operatie.

Schouderprothese
Omgekeerde schouderprothese

Als de artrose in het schoudergewricht is ontstaan als gevolg van een langer bestaande peesscheur in de schouder, wordt een speciaal type prothese gebruikt, namelijk een omgekeerde schouderprothese. De schouderkom wordt vervangen door een metalen kop, de kop van de bovenarm wordt vervangen door een kunststof kom op een metalen steel.
Door dit type prothese te gebruiken wordt de bewegelijkheid van de schouder beter dan bij een normale prothese, zelfs als de gescheurde pees niet meer hersteld kan worden.
Omgekeerde schouderprothese
Op basis van lichamelijk onderzoek, röntgenfoto's en soms een CT-scan of MRI-scan, bespreekt de orthopedisch chirurg met de patiënt welk type prothese het meest geschikt is.

Na de operatie

De eerste dagen na de operatie wordt de arm in een sling gedragen. De eerste zes weken mag de arm maar weinig gebruikt worden en niet hoog opgetild worden. Dit betekent dat de patiënt dus ook niet mag fietsen, autorijden, tillen of de arm hoog optillen.
De revalidatie kan een half jaar tot een jaar duren, afhankelijk van de conditie van de patiënt en het type prothese. In overleg met de orthopedisch chirurg kan de patiënt na enkele dagen beginnen met fysiotherapie.

Mogelijke complicaties

Bij de plaatsing van een schouderprothese is er een kleine kans op complicaties. Complicaties die in sommige gevallen voorkomen bij patiënten die een schouderprothese hebben zijn:
  • Beschadiging van een bloedvat of zenuw. De arm kan tijdelijk gevoelloos zijn.
  • Beschadiging van een huidzenuw. Hierdoor kan de huid ‘doof' aanvoelen.
  • Nabloeding. Om een nabloeding te voorkomen wordt er een speciale drukpleister op de wond geplakt.
  • Een infectie. De kans hierop is erg klein.
  • Loslating van de prothese. Dit kan ontstaan door slijtage of door een infectie.
  • Schouderluxatie. Om luxatie te voorkomen is het belangrijk dat de patiënt de instructies van de arts na de operatie goed opvolgt.
  • Trombose. Om trombose te voorkomen, krijgt de patiënt na de operatie injecties met anti-stollingsmedicijnen.
  • Frozen shoulder: In sommige gevallen wordt de schouder na de operatie pijnlijk en stijf.

Meer over deze operatie in het Slingeland Ziekenhuis

Folder: Klassieke schouderprothese

  

Gescheurde meniscus

Een knie heeft een binnen- en een buitenste meniscus. Voor een volledig functionerende knie, die bij het sporten soepel draaibewegingen kan maken, is de meniscus onmisbaar. Doordat een meniscus voor het grootste deel niet doorbloed is, geneest een gescheurde meniscus niet goed uit zichzelf.

Oorzaak

Een meniscus kan scheuren bij sporten of diep hurken. Bij ouderen kan door slijtage en vermindering van de elasticiteit sneller een scheur in de meniscus ontstaan. Daarvoor hoeft de knie niet eens te verdraaien.
Een scheur in de binnenmeniscus komt vijf keer zo vaak voor als in de buitenmeniscus. Dit komt waarschijnlijk doordat de binnenmeniscus minder mobiel is dan de buitenmeniscus, die los ligt van de buitenste gewrichtsband.
Een scheur in de meniscus komt vaak voor in combinatie met letsel aan de voorste kruisband of de binnenste band in de knie.

Klachten

Afhankelijk van welke meniscus is gescheurd, kan de pijn aan de buitenzijde of binnenzijde van de knie zitten. De pijn is constant aanwezig en verergert bij lopen.
Als een deel van de kapotte meniscus losschiet, kan dit bekneld raken in het kniegewricht. In dat geval kan de knie niet meer strekken en zit deze ‘op slot'. Door met de knie te draaien kan dit probleem worden verholpen (gaat van het slot af).

Diagnose

De arts kan een gescheurde meniscus vaststellen tijdens een lichamelijk onderzoek. Daarnaast wordt een röntgenfoto gemaakt om te controleren op artrose of andere botafwijkingen. Soms is het niet goed duidelijk of de meniscus gescheurd is. Dan kan er een MRI-scan gemaakt worden.

Behandeling

Een artroscopie van de knie kan meer duidelijkheid geven. Als de meniscus inderdaad kapot is, verwijdert de orthopeed het kapotte gedeelte tijdens deze kijkoperatie. Bij jonge mensen en een gunstige plek van de scheur (in het goed doorbloede gedeelte dicht bij het kapsel) kan een scheur soms ook gehecht worden. Bij oudere mensen zijn klachten van de knie meestal het gevolg van artrose. Een gescheurde meniscus hoeft dan maar zelden verwijderd te worden, meestal kan volstaan worden met oefentherapie bij de fysiotherapeut of het het gebruik van pijnstillers

Gescheurde knieband

De knie is een scharniergewricht tussen het bovenbeen en het onderbeen. De gewrichtsbanden aan de zijkant van de knie, ook wel collaterale banden genoemd, verbinden het bovenbeen met het onderbeen. Er is een binnenste (mediale) en een buitenste (laterale) collaterale band die de knie verstevigt.
Als door een onverwachte beweging de knie ver naar buiten of naar binnen beweegt, worden de gewrichtsbanden opgerekt. Als de banden te ver worden uitgerekt kunnen ze scheuren. Een scheur in een collaterale band kan ontstaan in het midden van de band, maar ook aan het uiteinde bij de aanhechting aan het bot. Een scheur in de binnenste band komt vaker voor dan in de buitenste band.

Oorzaken

Een scheur in een gewrichtsband in de knie ontstaat door een onverwachte beweging van de knie. Dit kan zijn na een val of een ongelukkige beweging tijdens het sporten.

Klachten

Klachten die na een scheur in een knieband ontstaan, zijn pijn, zwelling van de knie en soms een instabiel gevoel in de knie. De meeste patiënten met een gescheurde knieband kunnen ondanks de pijn wel lopen, maar vooral in het begin gaat dat heel moeizaam. Als de knie erg dik wordt, zit er meestal ook een bloeding in de knie. Dit kan wijzen op bijkomend letsel, zoals kraakbeenletsel of meniscusletsel.

Diagnose stellen

Een gescheurde knieband is vast te stellen door lichamelijk onderzoek van de knie. Het belangrijkste tijdens het lichamelijk onderzoek is het onderzoek naar de stabiliteit van de knie. Soms is de knie te pijnlijk of te gezwollen en kan het onderzoek moeilijk worden uitgevoerd. In dat geval komt de patiënt na een week terug om de knie te laten onderzoeken.
Als er onduidelijkheid blijft bestaan over het letsel in de knie, kan er aanvullend onderzoek worden gedaan om de diagnose te stellen. Dit kan met behulp van röntgenfoto's of een MRI-scan.

Behandeling

Meestal wordt er een drukverband om de knie aangelegd. De knie mag tijdelijk niet belast worden en de patiënt mag alleen met krukken lopen. Daarnaast zorgen rust en koeling met ijs ook voor vermindering van de klachten.
Collaterale bandletsels worden bijna nooit operatief behandeld. Na ongeveer acht weken geneest de knie vanzelf weer, als de patiënt voldoende rust neemt en de knie niet te veel belast.

Kraakbeenletsel aan de knie

Het kniegewricht bestaat uit drie botten: de knieschijf, het scheenbeen en het dijbeen. De uiteinden van deze botten zijn bedekt met een laagje kraakbeen. Dat is een gladde elastische laag, die schokken en stoten opvangt, zodat de knie soepel kan bewegen. Het kraakbeen is goed bestand tegen wrijving. Kraakbeencellen in de knie delen heel langzaam. Dat betekent dat er slechts minimaal kraakbeen aangemaakt kan worden door het lichaam als het kraakbeen verdwenen is.

Oorzaak

Er zijn meerdere oorzaken voor kraakbeenletsel in de knie.
  • Artrose: slijtage van het kraakbeen in de knie (gonartrose).
  • Artritis: aantasting van het kraakbeen door het omliggende gewrichtsvlies dat ontstoken is, bijvoorbeeld door reuma.
  • Trauma: Door een ongeluk of bijvoorbeeld een val tijdens het sporten, kan er schade ontstaan aan het kniegewricht. Zo kan een scheur of breuk in het kraakbeen zijn ontstaan of kan het kraakbeen loslaten. Dit zorgt voor plaatselijk verlies van kraakbeen.
  • Ontbreken van de meniscus (na operatieve verwijdering) of een kapotte kruisband.
  • Geen bloedtoevoer naar het bot (osteochondritis dissecans): dit is een aandoening waarbij de bloedtoevoer naar het onderliggende bot tijdelijk stopt. Hierdoor sterft een gedeelte van het bot af. Dit veroorzaakt het loslaten van kraakbeen op het stuk bot omdat het geen stabiele ondergrond meer biedt. Dit komt nagenoeg alleen voor bij jonge mensen

Klachten

Er zitten geen zenuwen of bloedvaten in kraakbeen. Hierdoor kan schade aan het kraakbeen ook pijnloos zijn. De pijn die optreedt, komt door de irritatie van het onderliggende bot of slijmvlies in de knie.
Als het kraakbeen beschadigd is kan de patiënt last krijgen van pijn, zwelling, instabiliteitgevoel, het ‘op slot' gaan van de knie en het horen kraken van de knie.

Stadium kraakbeenletsel

Afgezien van de ernst van de aandoening spelen ook de plaats en de omvang een rol bij het veroorzaken van klachten. Het letsel van kraakbeen kan worden ingedeeld in vier stadia:
  1. Verweking van het kraakbeen, het kraakbeen wordt zachter op een bepaalde plek;
  2. Het kraakbeen heeft rafelige randen of scheurtjes aan het oppervlak gekregen;
  3. Verlies van een gedeelte van het kraakbeen (scheuren of groeven) waardoor de dikte van de laag kraakbeen is afgenomen;
  4. Verlies van de gehele laag kraakbeen op een specifieke plek, waardoor het onderliggende bot niet langer bedekt is.
Als het kraakbeen in stadium 4 zit, dan zijn alle lagen van het kraakbeen kapot. Soms komen er losse stukje kraakbeen in het gewricht terecht. Deze zorgen voor nog meer schade aan het kraakbeen.

Diagnose en onderzoek

De arts stelt de diagnose aan de hand van de aard van de klachten, lichamelijk onderzoek en röntgenfoto's. Eventueel zal een MRI-scan van de knie plaatsvinden.

Behandeling

Niet operatief

Het advies is om het gewricht niet te veel te belasten. Dat betekent in sommige gevallen afvallen en/of minder sporten. Ook fysiotherapie kan effect hebben, waarbij vooral spierversterkende oefeningen gedaan moeten worden.
Behandeling met medicijnen zoals NSAID's (pijnstillers) of corticosteroïden (ontstekingsremmers) gaat pijn, ontsteking en zwelling tegen.

Operatief

Om de schade aan het kraakbeen in de knie te herstellen kan een operatie uitkomst bieden. Er zijn twee verschillende operatietechnieken die in dit geval kunnen worden toegepast.
Welke operatie er wordt gekozen is afhankelijk van leeftijd, omvang van de schade aan het kraakbeen en eerdere behandelingen.
Het succes van de ingreep is afhankelijk van de ernst en omvang van de schade, de aanwezige pijn, andere afwijkingen en de mate waarin iemand actief is.
Tijdens een kijkoperatie haalt de orthopedisch chirurg in elk geval losse stukken kraakbeen weg en wordt het gewricht schoongespoeld.

Reparatie van het kraakbeen (chondropick of microfracture-techniek)

Het herstel van de schade aan het kraakbeen vindt plaats door stimulatie van de beenmergcellen in het bot. Deze cellen zijn namelijk in staat om ‘litteken-kraakbeen' aan te maken. Dit littekenweefsel vult het gat op dat in het kraakbeen is ontstaan. Om te zorgen dat littekenkraakbeen wordt aangemaakt, worden tijdens de operatie gaatjes geboord in de botlaag onder het beschadigde kraakbeen. De oorspronkelijke laag zal niet helemaal worden hersteld, bovendien is littekenkraakbeen van mindere kwaliteit. Soms is herstel op deze wijze niet mogelijk omdat de schade aan het kraakbeen te groot is.
Als het littekenkraakbeen zich heeft gevormd, verbetert de beweeglijkheid van de knie. Ook zal de pijn verminderen. Na de operatie mag de knie zes weken niet actief belast worden, maar na drie weken mag wel worden gestart met oefeningen op een hometrainer.

Kraakbeen kweken en terugplaatsen

Deze techniek wordt weinig gebruikt en wordt alleen toegepast als de verwachting is dat reparatie van het kraakbeen onvoldoende effect zal hebben. Het doel van deze techniek is om weefsel aan te brengen in het gewricht dat lijkt op normaal kraakbeen. Het gebruik van eigen kraakbeen uit een ander gewricht is geen optie, omdat dit te veel risico's met zich meebrengt.
Tijdens een artroscopie wordt een stukje kraakbeen uit de knie gehaald. Dit wordt in het laboratorium op kweek gezet om zo meer kraakbeenweefsel te krijgen. Het lichaam kan nieuw kraakbeen in de knie niet zelf aanmaken, maar in het laboratorium worden de ideale omstandigheden gecreëerd. Later zal dit weefsel weer worden aangebracht op de plek waar de schade zit. Deze operatie wordt alleen uitgevoerd bij jonge mensen met beperkte schade aan het kraakbeen. Het is een zeer kostbare techniek, die slechts in een beperkt aantal ziekenhuizen wordt toegepast

Orthopeden in het Slingeland Ziekenhuis

Orthopedie is een specialisme dat zich bezighoudt met aandoeningen aan het houdings- en bewegingsapparaat. Dat betekent dat de orthopedisch chirurgen klachten behandelen aan gewrichten, botten, spieren en pezen. Daarnaast behandelt de orthopedisch chirurg ook veel aangeboren afwijkingen zoals heupafwijkingen. Bij deze aandoeningen is het belangrijk om vroegtijdig een goede behandeling te starten om problemen op latere leeftijd te voorkomen.
In het Slingeland Ziekenhuis werken vier orthopedisch chirurgen.






Kenniscentrum Orthopedie

Het kenniscentrum Orthopedie is gemaakt om u zo volledig mogelijk te informeren over orthopedische aandoeningen en de service die de orthopeden van het Slingeland Ziekenhuis u kunnen bieden.
De ziektebeelden, behandelingen en onderzoeken zijn eenvoudig beschreven en proberen u een houvast te geven in de enorme hoeveelheid informatie die het internet biedt.

Polikliniek Orthopedie (0314) 32 96 18
Routenummer 6 (souterrain)

Uw specialisten

Dr. D.J. Wever
B. Bosmans
.M.F. Hollanders
B. Steffanie

 Behandelingen

Knie
Schouder
Heup
Enkel/Voet

Laat uw waardering achter op
www.zorgkaartnederland.nl

We horen graag wat uw ervaring is met het Slingeland Ziekenhuis
en onze zorgverleners.





























Moet ik een verwijsbrief hebben voor een afspraak?

Patiënten zijn verplicht bij de eerste polikliniekafspraak een verwijsbrief van de huisarts, tandarts, verloskundige of andere medisch specialist te overleggen. Patiënten zonder verwijzing moeten de kosten van het bezoek en eventuele behandeling in het Slingeland Ziekenhuis zelf betalen, omdat de zorgverzekeraars de zorg dan niet meer vergoeden.
Patiënten hebben voor elk nieuw gezondheidsprobleem een nieuwe verwijsbrief nodig. Een verwijsbrief is niet vereist voor patiënten die zich op de Spoedeisende Hulp melden.

Moet ik een verwijsbrief hebben voor een afspraak?

Patiënten zijn verplicht bij de eerste polikliniekafspraak een verwijsbrief van de huisarts, tandarts, verloskundige of andere medisch specialist te overleggen. Patiënten zonder verwijzing moeten de kosten van het bezoek en eventuele behandeling in het Slingeland Ziekenhuis zelf betalen, omdat de zorgverzekeraars de zorg dan niet meer vergoeden.
Patiënten hebben voor elk nieuw gezondheidsprobleem een nieuwe verwijsbrief nodig. Een verwijsbrief is niet vereist voor patiënten die zich op de Spoedeisende Hulp melden.

Moet ik een verwijsbrief hebben voor een afspraak?

Patiënten zijn verplicht bij de eerste polikliniekafspraak een verwijsbrief van de huisarts, tandarts, verloskundige of andere medisch specialist te overleggen. Patiënten zonder verwijzing moeten de kosten van het bezoek en eventuele behandeling in het Slingeland Ziekenhuis zelf betalen, omdat de zorgverzekeraars de zorg dan niet meer vergoeden.
Patiënten hebben voor elk nieuw gezondheidsprobleem een nieuwe verwijsbrief nodig. Een verwijsbrief is niet vereist voor patiënten die zich op de Spoedeisende Hulp melden.

Moet ik een verwijsbrief hebben voor een afspraak?

Patiënten zijn verplicht bij de eerste polikliniekafspraak een verwijsbrief van de huisarts, tandarts, verloskundige of andere medisch specialist te overleggen. Patiënten zonder verwijzing moeten de kosten van het bezoek en eventuele behandeling in het Slingeland Ziekenhuis zelf betalen, omdat de zorgverzekeraars de zorg dan niet meer vergoeden.
Patiënten hebben voor elk nieuw gezondheidsprobleem een nieuwe verwijsbrief nodig. Een verwijsbrief is niet vereist voor patiënten die zich op de Spoedeisende Hulp melden.

Moet ik een verwijsbrief hebben voor een afspraak?

Patiënten zijn verplicht bij de eerste polikliniekafspraak een verwijsbrief van de huisarts, tandarts, verloskundige of andere medisch specialist te overleggen. Patiënten zonder verwijzing moeten de kosten van het bezoek en eventuele behandeling in het Slingeland Ziekenhuis zelf betalen, omdat de zorgverzekeraars de zorg dan niet meer vergoeden.
Patiënten hebben voor elk nieuw gezondheidsprobleem een nieuwe verwijsbrief nodig. Een verwijsbrief is niet vereist voor patiënten die zich op de Spoedeisende Hulp melden.

Moet ik een verwijsbrief hebben voor een afspraak?

Patiënten zijn verplicht bij de eerste polikliniekafspraak een verwijsbrief van de huisarts, tandarts, verloskundige of andere medisch specialist te overleggen. Patiënten zonder verwijzing moeten de kosten van het bezoek en eventuele behandeling in het Slingeland Ziekenhuis zelf betalen, omdat de zorgverzekeraars de zorg dan niet meer vergoeden.
Patiënten hebben voor elk nieuw gezondheidsprobleem een nieuwe verwijsbrief nodig. Een verwijsbrief is niet vereist voor patiënten die zich op de Spoedeisende Hulp melden.

Osteotomie van de voet

Een osteotomie van de voet is een operatie die wordt gebruikt bij patiënten met een hallux valgus. Dit is een aandoening waarbij de grote teen naar buiten wijst en er een knobbel ontstaat aan de binnenkant van de voet.
Bij de osteotomie van de voet wordt het middenvoetsbeentje doorgezaagd. Daarna wordt het kopje opgeschoven en weer in de goede stand vastgezet aan het middenvoetsbeentje. Op deze manier verbetert de stand van de teen.

Mogelijke complicaties

Als gevolg van de operatie zijn kan er een complicatie voorkomen. Mogelijke complicaties bij een osteotomie van de voet:
  • Er kan een infectie van de wond ontstaan;
  • De voet kan langere tijd gezwollen zijn;
  • Soms groeit het bot niet binnen de te verwachten tijd vast. Dan kan het zinvol zijn om het gips langer te laten zitten;
  • Doordat patiënten na de operatie veel zitten bestaat er een vergrote kans op trombose.

Na de operatie

De nazorg na een osteotomie bestaat uit twee weken onbelast lopen met gips. De patiënt mag de voet niet belasten en zal met krukken moeten lopen. Na deze twee weken volgen nog 4 weken loopgips. De voet mag dan wel belast worden.
Gedurende acht tot twaalf weken na de operatie kan de voet nog gezwollen zijn. Dit gaat vanzelf over.

Laag testosterongehalte

Het hebben van te weinig mannelijk hormoon testosteron, heeft negatieve effecten op een aantal belangrijke processen in het lichaam. Bovendien brengt een laag testosterongehalte verhoogd risico met zich mee op een aantal ziekten en aandoeningen. Het is bekend dat dit sterk verband houdt met:
  • een verminderd seksueel functioneren,
  • botontkalking (osteoporose)
  • verhoogd cholesterolgehalte
  • het metabool syndroom (stofwisselingsziekte door te veel eten en te weinig bewegen)
  • depressie
  • hart- en vaatziekten
  • diabetes type II
Er is bewijs voor afname van verschillende hersenfuncties bij een verlaagde testosteronspiegel. Ook onze emotionele toestand en neiging tot depressie is afhankelijk van een testosterongehalte. Testosterontherapie kan hierop een positieve invloed hebben. Het lijkt erop dat mannen door testosteron relatief minder vaak de ziekte van Alzheimer oplopen dan vrouwen. Indien dit toch het geval is kan aanvullen van testosteron een verbetering hebben op de gemoedstoestand van deze patiënten.

Kans op hart- en vaatziekten

Er is toenemend bewijs voor een significante verhoging op het ontstaan van hart- en vaatziekten bij patiënten met een laag testosterongehalte. Verschillende studies hebben aangetoond dat het hebben van een laag testosterongehalte meer risico geeft op het ontwikkelen van een hartinfarct dan roken. Erectiestoornissen zijn dan ook sinds dit inzicht een reden geworden om mannen na te kijken op het bestaan van risico's voor hartproblemen.

Diabetes type II

De bloedsuikerspiegel wordt in evenwicht gehouden door het hormoon Insuline. Een laag testosterongehalte en een hoog insulinegehalte voorspellen het ontstaan van diabetes Mellitus type II (ouderdomssuiker). Er wordt gesproken over een verdubbeling van de kans op het ontwikkelen dit type diabestes.

Osteoporose (botontkalking)

Osteoporose komt slechts bij 4 tot 6% van de mannen ouder dan 50 jaar voor. Het lijkt voornamelijk een probleem waar vrouwen mee te maken kunnen krijgen. Bij mannen die worden behandeld voor prostaatkanker en bij wie het testosterongehalte extreem laag wordt gehouden, komt osteoporose vele malen meer voor. Het is bij deze mannen noodzakelijk om de botontkalking te behandelen. Het risico op het ontstaan van breuken is hier sterk aanwezig. Studies tonen aan dat het aanvullen van testosteron een duidelijke verbetering van de kwaliteit van het bot oplevert.
Een verlaagd testosteron heeft een ongunstig effect op het functioneren van de hersenen. De combinatie van een verminderde kwaliteit van bot met vermindering van de hersenfunctie geeft een ernstig verhoogd risico op vallen en botbreuken. Een studie toont aan dat dit tot 40% kan oplopen. Het optreden van breuken in deze situatie gaat tevens gepaard met een verhoogd risico op overlijden.

Effecten op het seksueel functioneren

Het is duidelijk dat het seksueel functioneren sterk wordt beinvloed door onze hormonen. Dat is tevens de reden dat patiënten met erectiestoornissen, onderzoek ondergaan naar de hormoonspiegels in hun bloed. Met name de hoeveelheid testosteron is hierbij van belang.
Androgenen (mannelijke hormonen) hebben verschillende functies in het voorplantingssysteem. Zowel in het centrale zenuwstelsel (in de hersenen) als in het perifere zenuwstelsel (buiten de hersenen gelegen), als de zwellichamen van de penis. De kwaliteit van de erectie wordt beïnvloed door het mannelijk hormoon. Essentieel voor het behoud van een goede potentie is dat de gladde spiercellen in de zwellichamen goed van zuurstof worden voorzien. Verminderde hoeveelheid mannelijk hormoon vermindert het libido (de zin in seks) en de potentie (fysiek vermogen tot seks), alsmede de effectiviteit van ViagraTM.
Patiënten die slecht reageren op PD5 remmers (viagra, cialis, levitra TM) en een relatief laag testosterongehalte hebben zouden het mannelijk hormoon extra toegediend moeten krijgen.

Meten van het testosterongehalte

De hoeveelheid testosteron in het bloed varieert. Het onderzoek om het gehalte te meten, moet in de ochtend voor 10.00 uur plaatsvinden en moet na een aantal weken herhaald worden. Het testosterongehalte hoort hoger te zijn dan 12 nano-mol per liter bloed (12nmol/L). Aanvullende testosterontherapie mikt op een gehalte boven de 15nmol/L. Minder dan 8nmol/L wordt beschouwd als een ernstig tekort aan mannelijk hormoon.

Symptomen van een te laag testosteron gehalte:

  • minder energie en kracht
  • verminderd libido en sexuele activiteit
  • verminderde potentie en verlies van nachtelijke erecties
  • verminderde intensiteit van klaarkomen en hoeveelheid sperma
  • snel geïrriteerd en vlak
  • niet lekker in je vel zitten
  • verminderd enthousiasme en psychische energie
  • depressie
  • laag zelfbeeld
  • slaapproblemen
  • nervositeit en opvliegers
  • zweten

Symptomen na langdurig tekort aan testosteron:

  • minder spiermassa
  • minder lichaamsbeharing
  • buikvet
  • borstvorming
  • kleine zaadballen (soms)
Waarschijnlijk is bij ongeveer 10% van de patiënten met erectiestoornissen sprake van een laag testosterongehalte. Als dit kunstmatig wordt aangevuld zal ongeveer 60% verbetering ervaren. Indien ook vasculaire of relationele oorzaken in het spel zijn, is de verbetering slechts bij 30% te verwachten.

Testosterontherapie

Testosteronwaarden in de ochtend van boven de 12 nmol/L hebben geen behandeling nodig. Bij een waarde tussen de 8 en de 12 wordt geadviseerd drie maanden lang het testosteron aan te vullen. Als de ochtendwaarde onder de 8nmol/L zakt, is het nodig om continue het testosteron aan te vullen.
Er zijn vele vormen van testosterontherapie.
  • Tabletten zijn relatief gemakkelijk en worden goed verdragen. Er bestaat risico op verlies van leverfunctie. Met de moderne medicijnen is dit risico minimaal en zijn er geen laboratorium controles nodig.
  • Toediening via het tandvlees slijmvlies is ook een mogelijkheid die prima werkt. Er zijn geen risico's aan verbonden. De langzaam oplossende tablet die aan het tandvlees kleeft, verdragen maar weinig patiënten.
  • Het is ook mogelijk om eens in de drie maanden een depot-injectie te geven. Dit wordt goed verdragen.
  • Voor de meeste patienten is dagelijkse applicatie van een gel op de huid het meest populair. De werking is uitstekend en er zijn geen bijwerkingen. In sommige gevallen geeft het een hinderlijk plakkerige huid.
  • Ook het opbrengen van een pleister is een mogelijkheid. Dit geeft bij 27% van de gebruikers huidirritatie. Zelden komt haarverlies of een vette huid voor als bijwerking.
De gemiddelde dagdosis waarmee een acceptabel testosterongehalte wordt gehaald is 75 mg. De startdosis is 50 mg per dag.
Er bestaat geen bewijs dat testosterontherapie prostaatproblemen veroorzaakt. Desondanks wordt geadviseerd om mannen met deze therapie te controleren op het ontstaan van prostaatkanker. De meest recente studies wijzen niet op een vergroot risico op prostaatkanker. Het lijkt tijd te worden om afscheid te nemen van de theorie waarbij mannen de noodzakelijke testosterontherapie wordt onthouden omwille van een nooit bewezen vrees voor het ontstaan van prostaatkanker. Daarmee lopen zij een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, erectiestoornissen, ouderdomssuiker en obesitas .

Testosteron

Hormonen zijn chemische stoffen die het lichaam zelf maakt en die worden uitgescheiden in het bloed. De meeste hormonen worden gemaakt in speciale hormoonklieren zoals de hypofyse (klier in het hoofd) en de schildklier (bij de adamsappel in de hals). Deze klieren hebben geen andere taken. Maar ook organen die op de eerste plaats een andere functie hebben, zoals de nieren, scheiden hormonen af. Een belangrijke groep hormonen zijn de geslachtshormonen. Het belangrijkste mannelijke geslachtshormoon is testosteron. Dit hormoon wordt voornamelijk door de zaadballen aangemaakt. En een gedeelte door de bijnierschors. Mannelijke geslachtshormonen stimuleren de zaadproductie en de ontwikkeling van mannelijke geslachtskenmerken.

Testosteron

Mannelijke hormonen, ook wel androgenen genoemd, worden aangevoerd door het hormoon testosteron. Dit voor de man zo belangrijke hormoon is o.a. bepalend voor het mannelijke uiterlijk en de veranderingen bij jongens in de pubertijd, zoals baard in de keel en het groter worden van de penis en testikels. Ook de mannelijke beharing en het kaal worden ontstaat onder invloed van testosteron.

Leeftijd en testosteron

Gedurende het leven is de hoeveelheid testosteron niet stabiel. Vlak na de geboorte ontstaat er een grote piek in testosteron, waardoor het brein van de net geboren baby zich meer zal ontwikkelen in de richting van mannelijk gedrag. In de pubertijd ontstaat een tweede, maar minder hoge, piek, waardoor het kind verandert in een man. Hierna stabiliseert het testosterongehalte zich op een lager niveau en zal het vanaf het 30e levensjaar langzaam minder worden. Na het 65e jaar is er een significante afname zichtbaar. Niet alleen mannelijke hormonen nemen gedurende het leven af, ook de groeifactoren zoals schildklierhormonen verminderen gedurende het ouder worden.

Meten van het testosterongehalte

De hoeveelheid testosteron in het bloed varieert. Het onderzoek om het gehalte te meten, moet in de ochtend voor 10.00 uur plaatsvinden en moet na een aantal weken herhaald worden.
Er wordt bloed uit de arm afgenomen. Het testosteron is in dit bloed aanwezig in drie verschillende vormen: 2 tot 3% van het testosteron is vrij in het bloed aanwezig. Een percentage van 20 tot 40% van het testosteron is gebonden aan albumine (eiwit) en 60 tot 80% van het testosteron is zeer vast verbonden met het zogenaamde Sex Hormone-Binding Globulin (SHBG).
Het testosterongehalte hoort hoger te zijn dan 12 mol per liter bloed (12nmol/L). Aanvullende testosterontherapie mikt op een gehalte boven de 15nmol/L. Minder dan 8nmol/L wordt beschouwd als een ernstig tekort aan mannelijk hormoon.

Endocrien syndroom (laag testosterongehalte)

Nadat enige jaren geleden Viagra een nieuwe behandelingsoptie voor erectiestoornissen werd, ontstond wereldwijd interesse voor de ontstaanswijze van erectiestoornissen. Hierdoor werd duidelijk dat veel mannen op leeftijd, een te laag testosteron bezaten. Vanaf deze periode zijn er veel verschillende namen voor dit syndroom verzonnen. Een aantal hiervan zijn: Late Onset Hypogonadism (LOH), Testosterone Deficiency Syndrome (TDS), andropauze (vergelijkbaar met penopauze), ADAM (Androgene Deficiency of the Aging Male) en PADAM (Partial Androgene Deficiency of the Aging Male). Langzamerhand begint de term endocrien syndroom terrein te winnen.
De verschillende organisaties, waaronder de European Association of Urology (EAU) definiëren het endocrien syndroom als volgt:
Het endocrien syndroom is een biochemisch syndroom dat optreedt met het voortschrijden der jaren. Het wordt gekarakteriseerd door een laag testosteronniveau en resulteert in significante veranderingen in de kwaliteit van leven en heeft aantoonbare negatieve effecten op de functie van verschillende orgaansystemen.

Indien het endocrien syndroom bij ouder wordende mannen problemen gaat opleveren, zien wij dit terug als moeheid, zich niet lekker voelen, verminderde seksuele functie en vermindering in concentratie. Als onderzoek wordt gedaan zullen waarschijnlijk afwijkingen te zien zijn in botten, spieren, vaten, vetspectrum als ook de hersenfunctie.

Zie: Laag testosterongehalte en de effecten

Verpleegafdeling A2

De verpleegafdeling Orthopedie bevindt zich op afdeling A2. Deze verpleegafdeling is verdeeld in vier-, twee- en eenpersoonskamers. Op alle kamers is een douche en toilet. Als alle bedden op de verpleegafdeling Orthopedie volledig bezet zijn, worden patiënten voor orthopedie meestal opgenomen op de naast gelegen afdeling (traumatologie/vaatchirurgie/shortstay).

Medewerkers

Op de verpleegafdeling komt u in contact met diverse medewerkers die u samen graag van dienst willen zijn. Dit zijn verpleegkundigen, leerling-verpleegkundigen, stagiaires, en de facilitaire dienst. De verpleegkundigen en leerling-verpleegkundigen werken in diensten van acht uur die elkaar overlappen. Tijdens iedere dienst draagt de verpleegkundige zorg voor de continuïteit van het verpleegproces van een aantal patiënten. Hij of zij is tijdens haar dienst aanspreekpunt voor de patiënt en communiceert met andere disciplines.
De medewerkers Gastenservice werken samen met de verpleegkundigen om hen te assisteren. Ze zijn de patiënt van dienst in het aanbieden van eten en drinken en verrichten schoonmaak werkzaamheden. De teamleider van de afdeling is dhr. R. Brand. Voor verpleegkundige vragen kunt u de afdeling A2 bereiken op telefoonnummer (0314) 32 93 62.

Patiëntendossier

In iedere dienst wordt door de verpleegkundige een verslag gemaakt in het digitale verpleegkundige dossier. Andere zorgverleners die betrokken zijn bij de behandeling, gebruiken dit dossier ook. De patiënt mag het eigen dossier inzien, maar voor inzage in het dossier door een derde is de toestemming van de patiënt vereist.

Artsenvisite

Iedere ochtend wordt vanaf ongeveer 8.00 tot 9.00 uur visite gelopen door een orthopeed of arts-physician assistent en verpleegkundige. Het kan zijn dat dit niet uw behandelend orthopeed is, maar elke orthopeed is op de hoogte van uw diagnose en het opnameverloop. Als de patiënt of de familie een gesprek wil met de behandelende orthopeed, dan kunnen zij contact opnemen met de secretaresse van de polikliniek Orthopedie op telefoonnummer (0314) 32 96 18 of dit bespreken met de verpleegkundige op de afdeling.

Pijnbestrijding voor, tijdens en na de operatie

Hiervoor willen wij u graag verwijzen naar de folder Anesthesie.

Maaltijden

De broodmaaltijden worden op de verpleegafdeling door de medewerkers Gastenservice vanuit serveerwagens aan het bed bij de patiënt geserveerd. Voor de warme maaltijd in de avond kan de patiënt overdag een keuzelijst invullen eventueel met hulp van de patiënten service medewerkers. Het is mogelijk om het menu aan te passen aan persoonlijke wensen, zoals geloofsovertuiging of dieet.
Enkele keren per dag komen de medewerkers Gastenservice langs met drinken. Meegebrachte dranken kunnen in de koelkast op het dagverblijf en op enkele patientenkamers worden bewaard. Als u de koelkast gebruikt, vergeet dan niet uw naam en de datum op uw spullen te zetten. Patiënten en bezoekers mogen geen voedingsmiddelen meenemen naar het ziekenhuis die een risico kunnen vormen voor de gezondheid. Denkt u hierbij aan rauwe vleesproducten, eieren, salades, schaaldieren, zuivelproducten en warme maaltijden. Als u hierover vragen hebt, kunt u deze stellen aan de medewerkers Gastenservice van de verpleegafdeling.

Bezoektijden A2

Dagelijks:
Van 13.30 uur tot 14.15 uur.
Van 19.00 uur tot 20.00 uur.
Alleen in overleg met de verpleegkundige is het mogelijk op andere tijden op bezoek te komen.

Bezoek

Teveel bezoek kan vermoeiend voor zijn voor patiënten en is soms ook hinderlijk voor uw kamergenoten. Er zijn niet meer dan twee bezoekers per patiënt toegestaan.
Tijdens het bezoek gaan de werkzaamheden op de afdeling door. Hierdoor kan het voorkomen dat we het bezoek af en toe vragen de kamer even te verlaten. Wanneer een groen lampje bij de kamerdeur brandt, is de verpleegkundige bezig op de kamer. Wij vragen bezoekers dan even op de gang te wachten.
Tijdens het bezoekuur kunt u in overleg met de verpleegkundige naar het bezoekersrestaurant op de begane grond. Toiletten voor bezoekers bevinden zich in de centrale hal beneden in het ziekenhuis.

Ontslag

Vaak is van te voren ongeveer bekend hoe lang een patiënt in het ziekenhuis moet blijven. Als u weer naar huis kunt, zal uw behandelend arts dat van te voren met u en de verpleegkundige bespreken. 
Bij de thuiszorgwinkel kunt u als het nodig is, hulpmiddelen huren of kopen, zoals een rolstoel of krukken. Meer informatie hierover kunt u lezen in de folder 'Thuiszorgwinkel'. Deze is verkrijgbaar op de afdeling.
Zodra u naar huis mag, kan uw familielid of naaste u van de verpleegafdeling ophalen. Zo nodig regelt de verpleegkundige samen met u uw vervoer met familie, per taxi of als het medisch gezien noodzakelijk is per ambulance.

Nazorg

Uiteraard wordt tijdens uw opname in het ziekenhuis met u besproken of u na uw ontslag uit het ziekenhuis nog zorg nodig heeft. Familie speelt bij de eerste periode thuis vaak een belangrijke rol als extra hulp of aandacht noodzakelijk blijkt.
Het is voor de patiënt en de familie raadzaam hier tijdig over na te denken daar de gewenste hulp niet altijd meteen voorhanden is. De verpleegkundige van de afdeling kan hier meer informatie over geven. Meer informatie over zorg na een ziekenhuisopname, vindt u in de folders
  • Familieparticipatie
  • Zorg aan huis na een ziekenhuisopname
  • Opname in een zorginstelling na een ziekenhuisverblijf
  • Wat regelt u zelf na een ziekenhuisopname
Deze folders zijn aanwezig op de verpleegafdeling of u bekijkt ze via: https://folders.slingeland.nl 

Voorlichting

Eenmaal in de drie weken, op vrijdag, is er een voorlichtingsbijeenkomst in het auditorium van het ziekenhuis. Dit is de ene keer voorlichting voor de totale heupprothese en de andere keer voorlichting voor de knieprothese.
Patiënten krijgen een uitnodiging met data waarop de voor hen bedoelde voorlichting gegeven wordt. Deze informatie is tevens te vinden op ons kenniscentrum. Dit is niet verplicht, maar wordt wel zeer aangeraden.
Tijdens de voorlichting geeft een verpleegkundige van de afdeling Orthopedie informatie en adviezen. Daarnaast geeft een fysiotherapeut informatie en advies over de revalidatie. Als laatste komt een orthopeed van het ziekenhuis aan het woord. Die zal nog een aantal dingen uitleggen en verduidelijken. Bij alle sprekers die tijdens de voorlichting vertellen, is er de gelegenheid tot vragenstellen.







 

Stomaconsulent

In het Slingeland Ziekenhuis zijn twee stomaconsulenten werkzaam. Deze stomaconsulenten hebben zich gespecialiseerd in stomazorg en werken op de polikliniek.

De stomaconsulent kan het volgende voor u betekenen:
  • Zij kan u en uw naaste familieleden veel vertellen over de stoma, de gevolgen daarvan, de behandeling, de stomaverzorging en de verschillende materialen, wat kan de stoma voor u betekenen in het dagelijkse leven mbt werk / hobby's etc
  • Zij helpt u na de operatie, met betrekking tot uw herstel en het leren omgaan met de stoma afhankelijk van uw hulpvraag samen met de afdelingsverpleegkundigen.
  • Na ontslag uit het ziekenhuis heeft u een vervolgafspraak bij haar voor een poliklinische controle.
  • Zij kan uw vragen beantwoorden, helpen met eventuele problemen en u adviseren.

Telefonisch spreekuur

De stomaconsulent heeft een telefonisch spreekuur van 10.00 uur tot 10.30 uur. Telefoonnummer: (0314) 32 99 88 (polikliniek Chirurgie). De secretaresse van de polikliniek Chirurgie zal u doorschakelen naar de stomaconsulent of een notitie maken zodat zij u terug kan bellen.

Verpleegkundig spreekuur op de Stomapolikliniek

Er is iedere werkdag een verpleegkundig spreekuur op de polikliniek met de stomaconsulent. De chirurg is hier niet bij aanwezig. Het is wel mogelijk om, indien nodig, een medisch specialist te raadplegen. Een verwijsbrief van de huisarts is niet nodig om een afspraak te maken voor het spreekuur, zolang de behandeling of het traject duurt bij de chirurg, uroloog, oncoloog en/of MDL-arts. Meestal is dit 5 jaar. Er zijn geen kosten verbonden aan een afspraak met de stomaconsulent. Als de behandelperiode is afgelopen dan hebt u wel een verwijsbrief nodig van uw huisarts om een afspraak te maken met de stomaconsulent. De huisarts kan deze verwijzing (op uw verzoek) digitaal versturen (via het zorgdomein) aan de polikliniek Chirurgie, Urologie, Oncologie of MDL.

Locatie

De polikliniek van de stomaconsulent zit bij de polikliniek Kaakchirurgie, route 30. U kunt het beste via Ingang G naar binnen gaan.

Vragen, afspraak maken of verzetten

Als u vragen heeft of een afspraak wilt maken of verzetten, neemt u dan contact op met de stomaconsulent. Zij is bereikbaar via het secretariaat van de chirurgen, telefoonnummer: (0314) 32 99 88. De secretaresse beantwoordt de telefoon en zal u doorschakelen naar de stomaconsulent of uw nummer noteren zodat de zij u terug kan bellen.

Zie ook:
  • stomazorg: uitgebreide informatie over stoma's, operatie, begeleiding in het Slingeland Ziekenhuis
  • darmstoma: colostoma en ileostoma
  • urinestoma
Jantien Teunissen, stomaverpleegkundige      Ellen Kleijzen, stomaverpleegkundige






Stomaconsulent

In het Slingeland Ziekenhuis zijn twee stomaconsulenten werkzaam. Deze stomaconsulenten hebben zich gespecialiseerd in stomazorg en werken op de polikliniek.

De stomaconsulent kan het volgende voor u betekenen:
  • Zij kan u en uw naaste familieleden veel vertellen over de stoma, de gevolgen daarvan, de behandeling, de stomaverzorging en de verschillende materialen, wat kan de stoma voor u betekenen in het dagelijkse leven mbt werk / hobby's etc
  • Zij helpt u na de operatie, met betrekking tot uw herstel en het leren omgaan met de stoma afhankelijk van uw hulpvraag samen met de afdelingsverpleegkundigen.
  • Na ontslag uit het ziekenhuis heeft u een vervolgafspraak bij haar voor een poliklinische controle.
  • Zij kan uw vragen beantwoorden, helpen met eventuele problemen en u adviseren.

Telefonisch spreekuur

De stomaconsulent heeft een telefonisch spreekuur van 10.00 uur tot 10.30 uur. Telefoonnummer: (0314) 32 99 88 (polikliniek Chirurgie). De secretaresse van de polikliniek Chirurgie zal u doorschakelen naar de stomaconsulent of een notitie maken zodat zij u terug kan bellen.

Verpleegkundig spreekuur op de Stomapolikliniek

Er is iedere werkdag een verpleegkundig spreekuur op de polikliniek met de stomaconsulent. De chirurg is hier niet bij aanwezig. Het is wel mogelijk om, indien nodig, een medisch specialist te raadplegen. Een verwijsbrief van de huisarts is niet nodig om een afspraak te maken voor het spreekuur, zolang de behandeling of het traject duurt bij de chirurg, uroloog, oncoloog en/of MDL-arts. Meestal is dit 5 jaar. Er zijn geen kosten verbonden aan een afspraak met de stomaconsulent. Als de behandelperiode is afgelopen dan hebt u wel een verwijsbrief nodig van uw huisarts om een afspraak te maken met de stomaconsulent. De huisarts kan deze verwijzing (op uw verzoek) digitaal versturen (via het zorgdomein) aan de polikliniek Chirurgie, Urologie, Oncologie of MDL.

Locatie

De polikliniek van de stomaconsulent zit bij de polikliniek Kaakchirurgie, route 30. U kunt het beste via Ingang G naar binnen gaan.

Vragen, afspraak maken of verzetten

Als u vragen heeft of een afspraak wilt maken of verzetten, neemt u dan contact op met de stomaconsulent. Zij is bereikbaar via het secretariaat van de chirurgen, telefoonnummer: (0314) 32 99 88. De secretaresse beantwoordt de telefoon en zal u doorschakelen naar de stomaconsulent of uw nummer noteren zodat de zij u terug kan bellen.

Zie ook:
  • stomazorg: uitgebreide informatie over stoma's, operatie, begeleiding in het Slingeland Ziekenhuis
  • darmstoma: colostoma en ileostoma
  • urinestoma
Jantien Teunissen, stomaverpleegkundige      Ellen Kleijzen, stomaverpleegkundige






Stomaconsulent

In het Slingeland Ziekenhuis zijn twee stomaconsulenten werkzaam. Deze stomaconsulenten hebben zich gespecialiseerd in stomazorg en werken op de polikliniek.

De stomaconsulent kan het volgende voor u betekenen:
  • Zij kan u en uw naaste familieleden veel vertellen over de stoma, de gevolgen daarvan, de behandeling, de stomaverzorging en de verschillende materialen, wat kan de stoma voor u betekenen in het dagelijkse leven mbt werk / hobby's etc
  • Zij helpt u na de operatie, met betrekking tot uw herstel en het leren omgaan met de stoma afhankelijk van uw hulpvraag samen met de afdelingsverpleegkundigen.
  • Na ontslag uit het ziekenhuis heeft u een vervolgafspraak bij haar voor een poliklinische controle.
  • Zij kan uw vragen beantwoorden, helpen met eventuele problemen en u adviseren.

Telefonisch spreekuur

De stomaconsulent heeft een telefonisch spreekuur van 10.00 uur tot 10.30 uur. Telefoonnummer: (0314) 32 99 88 (polikliniek Chirurgie). De secretaresse van de polikliniek Chirurgie zal u doorschakelen naar de stomaconsulent of een notitie maken zodat zij u terug kan bellen.

Verpleegkundig spreekuur op de Stomapolikliniek

Er is iedere werkdag een verpleegkundig spreekuur op de polikliniek met de stomaconsulent. De chirurg is hier niet bij aanwezig. Het is wel mogelijk om, indien nodig, een medisch specialist te raadplegen. Een verwijsbrief van de huisarts is niet nodig om een afspraak te maken voor het spreekuur, zolang de behandeling of het traject duurt bij de chirurg, uroloog, oncoloog en/of MDL-arts. Meestal is dit 5 jaar. Er zijn geen kosten verbonden aan een afspraak met de stomaconsulent. Als de behandelperiode is afgelopen dan hebt u wel een verwijsbrief nodig van uw huisarts om een afspraak te maken met de stomaconsulent. De huisarts kan deze verwijzing (